ECLI:NL:RBDHA:2026:16914

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL25.27765
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 lid 6 sub b en c Vreemdelingenwet 2000Art. 8:72 lid 4 Algemene wet bestuursrechtArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens ondeugdelijke motivering over geweldsniveau in Sanaa, Jemen

Eiser, een Jemenitische asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister werd afgewezen. De minister achtte het asielmotief van eiser ongeloofwaardig en stelde dat in Sanaa slechts een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heerste, niet het hoogste niveau zoals vereist voor bescherming onder artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het politieke asielmotief van eiser ongeloofwaardig heeft geacht vanwege onvoldoende onderbouwing en inconsistenties in zijn verklaringen. Wel is de rechtbank van oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom in de provincie Sanaa niet het hoogste niveau van willekeurig geweld geldt. De situatie in Sanaa is ernstig met vele geweldsincidenten en humanitaire problemen, maar de minister heeft dit onvoldoende toegelicht in het beleid.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. De uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie over de beoordeling van geweldsniveaus in Jemen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege ondeugdelijke motivering over het geweldsniveau in Sanaa.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27765

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: N. Hamzaoui).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft het asielmotief van eiser terecht ongeloofwaardig geacht, maar onvoldoende gemotiveerd waarom niet de hoogste gradatie maar een relatief hoger niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn in Sanaa, Jemen van toepassing is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Magid als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft problemen in zijn land van herkomst met de Houthi’s vanwege zijn politieke activiteiten. Eiser heeft meerdere malen kritiek geuit op het regime en is daardoor zelfs drie keer gedetineerd. Ook is eiser religieus onderdrukt door de Houthi’s. Niet alleen vanwege zijn vrees voor de autoriteiten kan eiser niet terug, maar ook vanwege de algemene veiligheidssituatie in het land. Het is daar dusdanig gevaarlijk dat hij niet terug kan keren naar Jemen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Problemen met de Houthi's vanwege eisers politieke activiteiten;
  • Discriminatie vanwege eisers soennitische achtergrond.
4.1
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De minister acht de discriminatie vanwege eisers soennitische achtergrond ook geloofwaardig. De gestelde problemen van eiser met de Houthi's wegens zijn politieke activiteiten vindt de minister echter ongeloofwaardig. De minister vindt het asielmotief niet alsnog geloofwaardig, omdat eiser niet voldoet aan de vereisten van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft namelijk vaag en algemeen verklaard over zijn politieke activiteiten. Daarnaast heeft eiser ongerijmd verklaard over het uiten van zijn mening. De minister vindt het verder niet aannemelijk dat eiser enkele jaren politieke activiteiten kon ondernemen zonder problemen en dat hij vanuit Saoedi-Arabië is teruggekeerd naar Jemen terwijl hij vreesde voor zijn leven. Hiermee voldoet eiser niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vw.
4.2
De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat eiser uit Jemen komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Verder loopt eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade. De minister neemt voor Jemen een relatief hoger niveau van willekeurig geweld aan. Eiser heeft onvoldoende individuele en persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die aannemelijk maken dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eisers verklaring dat hij woonachtig was op een plek waar veel militaire basissen zijn en hij daardoor extra risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, wordt niet gevolgd. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
5. Eiser voert aan dat hij objectieve stukken heeft overgelegd waarmee hij zijn asielmotief kan onderbouwen. Voor de zitting heeft hij namelijk nog twee getuigenverklaringen en een arrestatiebevel overgelegd waaruit blijkt dat eiser politiek actief is geweest en daardoor problemen heeft gekregen met de Houthi’s. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser wel een samenhangend en aannemelijk geheel. Zijn verklaringen over zijn politieke activiteiten zijn namelijk niet vaag en algemeen. Ook zijn eisers verklaringen over het uiten van zijn mening niet ongerijmd en blijkt hieruit duidelijk dat eiser meerdere malen is gedetineerd vanwege zijn politieke overtuiging.
5.1.
Eiser voert verder aan dat de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling meer rekening had moeten houden met de huidige situatie in Jemen. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar de ambtsberichten uit 2022 en 2025. Daaruit blijkt dat niet alleen mensen die oppositionele politieke activiteiten hebben verricht worden vervolgd door de Houthi’s, maar ook mensen die daarvan beticht worden. Ook volgt hieruit dat de Houthi’s de sociale media activiteiten van burgers monitoren. Eiser heeft daarom bewust geen gebruik gemaakt van sociale media om zijn mening te uiten, omdat hij geen bewijs wilde leveren.
5.2.
Tenslotte voert eiser aan dat de omstandigheid dat hij na zijn detenties nog een jaar in Jemen heeft verbleven, daarna naar Saoedi-Arabië is gegaan en vervolgens weer is teruggekeerd naar Jemen, niets afdoet aan het feit dat eiser gevaar liep in Jemen. Eiser is niet vrijwillig teruggekeerd, hij was daartoe genoodzaakt omdat zijn visum afliep.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de gestelde problemen van eiser met de Houthi's wegens zijn politieke activiteiten terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser zijn asielrelaas niet voldoende heeft onderbouwd met objectieve documenten en dat zijn verklaringen niet aannemelijk en onsamenhangend zijn. Het recentelijk overgelegde arrestatiebevel betreft namelijk een kopie en ziet niet op eiser, daarom wordt daar weinig bewijswaarde aan gehecht. Daarnaast zijn de overgelegde getuigenverklaringen, zoals de minister tijdens de zitting ook heeft aangegeven, niet objectief en verifieerbaar. De minister hoeft daarom niet de door eiser daaraan gewenste betekenis te hechten. Daarnaast is eiser nooit lid geweest van een politieke partij en blijft zijn politieke mening vrij algemeen. Dat eiser tijdens zijn aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij is gevlucht vanwege de algemene situatie in Jemen en pas in het nader gehoor heeft verklaard over zijn individuele asielmotieven, maakt zijn verhaal ook niet sterker. Daar komt bij dat het inderdaad, zoals de minister stelt, ongerijmd is dat eiser eerst heeft verklaard dat hij zich gedeisd heeft gehouden en daarom niet is vervolgd door de Houthi’s, terwijl hij later heeft aangegeven dat hij juist bewust de confrontatie heeft gezocht.
6.1.
Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat zijn verhaal past in het beeld dat naar voren komt in de ambtsberichten uit 2022 en 2025. De rechtbank kan die stelling volgen, maar overweegt dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk in de negatieve aandacht van de Houthi’s staat. Daarvoor zijn de verklaringen te algemeen. Uit de ambtsberichten volgt weliswaar dat ook mensen die ervan worden beticht in de oppositie te zitten worden vervolgd, alleen is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij tot die categorie behoort.
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat het vreemd is dat eiser nadat hij naar Saoedi-Arabië was gevlucht, is teruggekeerd naar Jemen, het land waar hij stelt vervolgd te worden wegens zijn politieke activiteiten. Dat zijn visum afliep maakt het oordeel niet anders. Eiser is namelijk niet uitgezet, hij is vrijwillig teruggekeerd naar Jemen. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat als eiser daadwerkelijk een gegronde vrees had voor vervolging vanwege zijn politieke mening of discriminatie, het niet begrijpelijk is dat hij is teruggekeerd naar zijn land van herkomst.
Artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn
7. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom voor het gebied Sanaa geen hogere mate van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn is vastgesteld. Eiser betoogt dat, gezien de huidige humanitaire situatie, iedereen die wordt teruggestuurd naar Jemen een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De minister heeft het beleid niet volledig gemotiveerd omdat er niet naar elk gebied in Jemen afzonderlijk onderzoek is gedaan of toelichting over is gegeven. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser onder andere naar de uitspraak van 7 mei 2026 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht. [1]
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom er in Jemen en dan specifiek in de provincie Sanaa, geen sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit landeninformatie blijkt namelijk dat de situatie in Sanaa zeer schrijnend is. [2] In de provincie zijn binnen een jaar 151 geweldsincidenten geweest waarbij er 112 burgerslachtoffers zijn gevallen. [3] Verder blijkt hieruit dat de levering van humanitaire goederen verder is bemoeilijkt doordat Israëlische luchtaanvallen kritieke infrastructuur in Houthi-gebied hebben beschadigd. De minister is in het nieuwe beleid onvoldoende ingegaan op de specifieke situatie in de verschillende provincies en dus ook op de situatie in Sanaa. Verder is onvoldoende duidelijk hoe de slechte humanitaire omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken, dat is niet conform het arrest
CF en DNvan het Hof van Justitie van 10 juni 2021 [4] . De rechtbank sluit met deze beoordeling aan bij de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 7 mei 2026. [5] Deze uitspraak ziet weliswaar op een ander gebied in Jemen, maar gelet op de overwegingen die hierin zijn opgenomen is de rechtbank van oordeel dat deze ook van toepassing zijn op de provincie Sanaa.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, voor zover deze ziet op de 15c beoordeling. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
10. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 juni 2025;
- draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 17 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld World Report 2026; Yemen, Human Rights Watch en Brief landeninformatie Jemen – Veiligheidssituatie, sinds begin december 2025, van Vluchtelingenwerk Nederland, d.d. 29 januari 2026.
3.Brief landeninformatie Jemen - Veiligheid- en humanitaire situatie Sanaa (hoofdstad
4.ECLI:EU:C:2021:472.