ECLI:NL:RBDHA:2026:16917

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19691 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.J. Paffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Letland afgewezen

Opposant diende een asielaanvraag in die op 7 april 2026 niet in behandeling werd genomen omdat Letland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 28 april 2026 niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van verschoonbare redenen voor het niet tijdig indienen van beroepsgronden.

Tegen deze uitspraak werd verzet ingesteld. Opposant voerde aan dat terugzending naar Letland zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege het repressieve grensbeleid van Letland en zijn medische situatie. Hij overlegde medische documenten en een brief van zijn oom.

De rechtbank oordeelde dat deze argumenten onvoldoende zijn om het eerdere oordeel te herzien. Er is geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding en geen concrete aanwijzingen dat overdracht aan Letland een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en toetsing van indirect refoulement in de Dublinprocedure is niet toegestaan.

Daarom is er geen redelijke twijfel over het eerdere oordeel en wordt het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak blijft in stand en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.19691 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant, [1] V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van opposant niet in behandeling genomen, omdat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2]
Bij uitspraak van 28 april 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het hiertegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. [3]
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb. [4]

Beoordeling door de rechtbank

1. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 28 april 2026 het beroep van opposant tegen het besluit van 7 april 2026 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het ontbreken van beroepsgronden niet verschoonbaar is gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die onmiskenbaar tot het oordeel leiden dat overdracht van opposant aan Letland in strijd zou zijn met artikel 3 van Pro het EVRM. [5]
3. Opposant voert in verzet aan dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij door Letland zal worden teruggestuurd naar Afghanistan. Letland voert namelijk een repressief grensbeleid en mensenrechten-organisaties zoals Amnesty International stellen dat Afghaanse asielzoekers worden teruggestuurd naar Belarus dan wel vastgehouden onder zware omstandigheden. Daarnaast lijdt opposant aan medische omstandigheden. In dit kader heeft opposant zijn medisch journaal overgelegd. Daarnaast heeft opposant een brief van zijn oom overgelegd, waaruit blijkt dat opposant afhankelijk is van hem. Het niet-ontvankelijk verklaren wegens termijnoverschrijding zal leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM.
4. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Opposant heeft namelijk in verzet niet betwist dat er geen verschoonbare redenen zijn voor het niet dan wel niet tijdig indienen van de beroepsgronden.
5. Opposant heeft in beroep geen gronden ten aanzien van artikel 3 van Pro het EVRM aangevoerd. De rechtbank heeft wel ambtshalve getoetst aan artikel 3 van Pro het EVRM en geconcludeerd dat niet is gebleken van een schending daarvan bij overdracht van opposant aan Letland. Verweerder mag in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Letland. Dit is reeds bevestigd in de uitspraak van de Afdeling [6] van 20 december 2023. [7] Het is in beroep dan ook aan opposant om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij zijn overdracht aan Letland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. [8] Opposant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval van het uitgangspunt van de Afdeling moet worden afgeweken. Bovendien volgt uit het arrest van het Hof van justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 [9] en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 [10] dat in de Dublinprocedure geen ruimte bestaat voor toetsing van het risico op (indirect) refoulement.
6. Gelet op het voorgaande bestond geen redelijke twijfel over de uitkomst van de zaak, zodat de rechtbank terecht de zaak buiten zitting heeft afgedaan.
7. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
9.ECLI:EU:C:2023:934.