ECLI:NL:RBDHA:2026:16925

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.34376
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 juncto Art. 6 SchengengrenscodeArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen grensweigering op Schiphol

Verzoeker is op 19 juni 2026 op Schiphol aangekomen vanuit Lissabon en werd de toegang tot het Schengengebied geweigerd omdat hij de toegestane verblijfsduur had overschreden en niet beschikte over een geldig visum of verblijfsvergunning. Hij had zijn vlucht naar Mumbai gemist en beschikte niet over financiële middelen voor een nieuw ticket.

Verzoeker stelde dat hij zich al op Nederlands grondgebied bevond en dat de grensweigering daarom onterecht was. De minister voerde aan dat er geen spoedeisend belang was en dat het beroep geen redelijke kans van slagen had.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel sprake was van spoedeisend belang vanwege de dreiging van uitzetting op korte termijn, maar dat het beroep geen redelijke kans van slagen had omdat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden voor toegang tot het Schengengebied. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. Verzoeker krijgt geen proceskostenvergoeding en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de grensweigering is afgewezen wegens gebrek aan redelijke kans van slagen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34376

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen eruit bestaande dat het besluit tot toegangsweigering wordt opgeschort totdat op de bodemzaak is beslist.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Bij besluit van 19 juni 2026 is verzoeker krachtens artikel 14 juncto Pro artikel 6 van Pro Verordening (EG) Nr. 2016/399 (hierna: Schengengrenscode) de toegang tot het Schengengebied geweigerd.
2.1.
Verzoeker heeft op 21 juni 2026 administratief beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.2.
Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen, als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich in het onderhavige geval die situatie voor.
4. Uit het overgelegde dossier blijkt het volgende.
4.1.
Verzoeker is op 23 oktober 2025 Nederland ingereisd. Hij was destijds in het bezit van een visum voor Nederland en heeft sindsdien de EU niet verlaten. Verzoeker is op 19 juni 2026 omstreeks 09:00 uur vanuit Lissabon aangekomen op Schiphol.
4.2.
Verzoeker heeft tegenover de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij Amsterdam centrum is ingegaan in afwachting van zijn vlucht naar Mumbai. Verzoeker heeft zijn vlucht naar Mumbai gemist en heeft zich vervolgens gemeld bij de grensdoorlaatpost.
4.3.
Uit onderzoek van de Koninklijke Marechaussee is gebleken dat de toegestane verblijfsduur van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen in het Schengengebied is overschreden en verzoeker hierdoor niet langer aan de voorwaarden voldeed als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Schengengrenscode.
4.4.
Verzoeker heeft voorts verklaard niet over financiële middelen te beschikken voor de aanschaf van een nieuw vliegticket en evenmin aan deze financiële middelen te kunnen komen.
4.5.
Bij besluit van 19 juni 2026 is verzoeker in kennis gesteld dat hem de toegang wordt geweigerd op grond van artikel 14 juncto Pro artikel 6 van Pro de Schengengrenscode omdat verzoeker niet in het bezit is van een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning, van passende documentatie waaruit het doel en omstandigheden van het verblijf blijken en van toereikende bestaansmiddelen voor de duur en vorm van het verblijf of voor de terugkeer naar het land van herkomst of doorreis.
Het standpunt van verzoeker
5. Verzoeker stelt dat hem ten onrechte een grensweigering op grond van artikel 6 van Pro de Vw 2000 [1] is opgelegd. Hij stelt dat hij zich al op Nederlands grondgebied bevond in verband met een overstap op de luchthaven Schiphol en zijn korte bezoek aan Amsterdam. Gezien het feit dat hij vanuit Nederland vertrok en dus al op het Nederlandse grondgebied aanwezig was, kon hem de toegang tot Nederland niet worden geweigerd.
Het standpunt van de minister
6. De minister stelt zich primair op het standpunt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat geen sprake van een dreigende uitzetting of andere dreigende gebeurtenis.
6.1.
Subsidiair stelt de minister zich -samengevat- op het standpunt dat er terecht een grensweigering aan verzoeker is opgelegd en het beroep daarom geen redelijke kans van slagen heeft.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
Spoedeisendheid
7. De voorzieningenrechter volgt de minister niet in zijn primaire standpunt dat geen sprake is van een spoedeisend belang. De minister heeft verzoeker de toegang tot Nederland geweigerd. Weliswaar is op dit moment nog geen vlucht geboekt en is een vluchtdatum niet bekend, maar uit de door de minister verstrekte informatie volgt dat de minister zich erop richt verzoeker op zeer korte termijn uit te zetten. Daarbij is toegelicht dat het boeken van een vliegticket in het weekend niet mogelijk is wegens de sluiting van het daarvoor verantwoordelijke DT&V-kantoor. De voorzieningenrechter maakt hieruit op dat uitzetting nu niet mogelijk is, maar dat dit op zeer korte termijn zal worden opgepakt. Gelet hierop is sprake van een voldoende concrete en imminente dreiging van uitzetting om spoedeisend belang aan te nemen.
7.1.
Nu sprake is van een spoedeisend belang, dient te worden beoordeeld of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het beroep, gelet op de aangevoerde gronden, geen redelijke kans van slagen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
8. Uit het proces-verbaal van 19 juni 2026 blijkt dat verzoeker zijn vlucht naar Mumbai heeft gemist en zich vervolgens heeft gemeld bij de grensdoorlaatpost op luchthaven Schiphol. Verzoeker heeft verklaard niet over de financiële middelen te beschikken om een nieuw vliegticket aan te schaffen, noch in staat te zijn deze op andere wijze te verkrijgen. Uit nadere controle door de Koninklijke Marechaussee is gebleken dat verzoeker op dat moment niet (langer) voldeed aan de voorwaarden voor toegang tot het Schengengebied, nu zijn visum was verlopen en hij niet beschikte over een geldige verblijfstitel. Dit is door verzoeker niet betwist. Daarmee verbleef verzoeker zonder rechtmatige titel in het Schengengebied en diende hij het grondgebied te verlaten. Nu hij niet beschikte over de middelen om zelfstandig aan die vertrekplicht uitvoering te geven en evenmin aan de voorwaarden voor toegang voldeed, heeft de minister terecht een grensweigering opgelegd aan verzoeker.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het administratief beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Daarom bestaat er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra – Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.