ECLI:NL:RBDHA:2026:16936

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3542
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij woningaanpassingen Wmo

Verzoeker diende op 17 februari 2026 een aanvraag in voor diverse woningaanpassingen, waaronder een verhoger voor koelkast en wasmachine, een bidetset, douchestoel en douchegordijnstang. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees dit verzoek op 3 maart 2026 af omdat deze voorzieningen algemeen gebruikelijk zijn en zonder compensatie vanuit de Wmo 2015 beschikbaar zijn.

Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 18 juni 2026 gaf verzoeker aan ernstige medische klachten te hebben en verzocht hij om het medisch passend maken van zijn woning of een tijdelijke andere woning. De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om een andere woning buiten de reikwijdte van het bestreden besluit valt en niet kan worden beoordeeld.

De voorzieningenrechter stelde vast dat er geen sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakt. Ook was het niet aannemelijk dat het besluit evident onrechtmatig is. De bezwaarprocedure is nog gaande, waarbij nader medisch advies zal worden ingewonnen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evidente onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3542

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. L.J. van der Zwart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om diverse woningaanpassingen op grond van de Wmo 2015. [1] Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 17 februari 2026 een aanvraag ingediend voor diverse aanpassingen in de woning. Bij het bestreden besluit van 3 maart 2026 heeft het college verzoeker meegedeeld dat hij geen woningaanpassing krijgt. Het gaat om een verhoger voor een koelkast en wasmachine, bidetset met losse handdouche, douchestoel en douchegordijnstang. Al deze producten zijn algemeen gebruikelijk wat inhoudt dat de voorzieningen in een reguliere winkel te verkrijgen zijn, een passende oplossing bieden voor de situatie van verzoeker en waarvan de kosten te dragen zijn met een inkomen op minimumniveau. Er is geen compensatie vanuit de Wmo 2015 nodig omdat uit onderzoek blijkt dat op eigen kracht oplossingen beschikbaar zijn. De aanvraag wordt daarom afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de beroepsprocedure een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Van onverwijlde spoed is sprake als er bijvoorbeeld een onomkeerbare situatie dreigt (bijvoorbeeld faillissement) of sprake is van acute financiële nood. Omdat bezwaar is ingediend tegen het bestreden besluit, moet de vraag worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening noodzakelijk maakt in afwachting van de beslissing op bezwaar.
4. Verzoeker heeft in het kader van het spoedeisend belang aangegeven dat hij ernstige medische klachten heeft en zijn woning medisch gezien niet geschikt is. Ter zitting heeft hij verzocht om het medisch passend maken van zijn woning en indien dat niet mogelijk is hem een andere tijdelijke woning toe te wijzen die wel medisch geschikt is.
5. Het bestreden besluit ziet enkel op de daarin genoemde producten. Het verzoek om een andere woning valt buiten de omvang van het geding. In minder juridische taal betekent dit dat het bestreden besluit daar niet over gaat. De voorzieningenrechter kan daar daarom ook niet over oordelen. Over de in het bestreden besluit genoemde producten heeft verzoeker niet aangegeven welk spoedeisend belang maakt dat hij daarover per direct moet kunnen beschikken. Het is de voorzieningenrechter ook op grond van de ingediende stukken niet gebleken dat de uitkomst van de bezwaarfase niet door eiser zou kunnen worden afgewacht.
6. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven.
7. De voorzieningenrechter overweegt dat zonder nader onderzoek naar de relevante feiten niet nu al ernstig kan worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Er kan dus niet van de evidente onrechtmatigheid van dit besluit uitgegaan worden.
8. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
9. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat niet wordt betwist dat verzoeker medische klachten en beperkingen heeft. Voor zover verzoeker stelt dat hij meer heeft aangevraagd dan waarover is besloten blijkt dit niet uit de stukken. Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat in bezwaar duidelijk is geworden dat verzoeker meer wilde aanvragen dan waarover is besloten in het bestreden besluit. Inmiddels heeft op 11 juni 2026 een hoorzitting in bezwaar plaatsgevonden en er zal een medisch advies worden gevraagd. In de bezwaarprocedure zal breder gekeken worden naar wat de hulpvraag is van verzoeker, welke aanpassingen in de woning noodzakelijk zijn en in hoeverre daarvoor compensatie vanuit de Wmo op zijn plaats is.
10. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wmo 2015 = Wet maatschappelijke ondersteuning