ECLI:NL:RBDHA:2026:16944
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting Marokko
De vreemdeling, met Marokkaanse nationaliteit, is op 24 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting.
De rechtbank heeft eerder op 6 mei 2026 de rechtmatigheid van de maatregel tot dat moment bevestigd. De beoordeling richt zich daarom op de periode na 6 mei 2026. De vreemdeling betoogt dat het zicht op uitzetting niet deugdelijk is beoordeeld omdat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de laissez-passer aanvraag.
De rechtbank volgt dit niet en stelt dat het lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten doorgaans tijd kost, zeker zonder identiteitsdocumenten. De vreemdeling heeft onvoldoende meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en terugkeer, wat blijkt uit het vertrekgesprek van 1 juni 2026. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat het lp-traject zal mislukken. De rechtbank oordeelt dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.