ECLI:NL:RBDHA:2026:16987
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. Paffen
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag Dublinprocedure Letland
Opposant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 28 april 2026 waarin het beroep tegen het besluit van 7 april 2026 niet-ontvankelijk werd verklaard. Dit besluit hield in dat de asielaanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Letland verantwoordelijk is volgens de Dublinprocedure.
De rechtbank heeft het verzet zonder zitting behandeld en geoordeeld dat er geen redelijke twijfel bestaat over het eerdere oordeel. Opposant voerde aan dat hij bij overdracht aan Letland een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege het repressieve grensbeleid van Letland en zijn medische situatie, maar heeft geen verschoonbare redenen voor het niet tijdig indienen van beroepsgronden aangevoerd.
De rechtbank bevestigt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat in de Dublinprocedure geen ruimte is voor toetsing van het non-refoulement risico. Opposant heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd om hiervan af te wijken.
Daarom blijft de niet-ontvankelijkverklaring in stand en is het verzet ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.