ECLI:NL:RBDHA:2026:1701
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken evident onrechtmatigheid
Verzoekster, een Afghaanse vrouw met ernstige gezondheidsproblemen, vroeg om een voorlopige voorziening om in afwachting van bezwaarbehandeling naar Nederland te mogen reizen of om verlenging van de termijn voor het ophalen van mvv’s door haar familieleden. De minister van Asiel en Migratie had haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen vanwege het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen verzoekster en haar familieleden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek geen voorlopig karakter heeft en dat het aan de minister is om het bezwaar volledig te heroverwegen. Er is geen sprake van een evidente onrechtmatigheid in het primaire besluit. Hoewel verzoekster afhankelijk is van zorg, is niet gebleken dat alleen haar familieleden deze zorg kunnen bieden of dat er andere omstandigheden zijn die bijkomende afhankelijkheid aantonen.
Subsidiair werd verzocht om verlenging van de termijn voor het ophalen van mvv’s door familieleden, maar deze termijn was al verstreken en het verzoek kon niet op verzoekster zelf worden gericht. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een evidente onrechtmatigheid in het primaire besluit.