ECLI:NL:RBDHA:2026:1701

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL25.60500
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken evident onrechtmatigheid

Verzoekster, een Afghaanse vrouw met ernstige gezondheidsproblemen, vroeg om een voorlopige voorziening om in afwachting van bezwaarbehandeling naar Nederland te mogen reizen of om verlenging van de termijn voor het ophalen van mvv’s door haar familieleden. De minister van Asiel en Migratie had haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen vanwege het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen verzoekster en haar familieleden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek geen voorlopig karakter heeft en dat het aan de minister is om het bezwaar volledig te heroverwegen. Er is geen sprake van een evidente onrechtmatigheid in het primaire besluit. Hoewel verzoekster afhankelijk is van zorg, is niet gebleken dat alleen haar familieleden deze zorg kunnen bieden of dat er andere omstandigheden zijn die bijkomende afhankelijkheid aantonen.

Subsidiair werd verzocht om verlenging van de termijn voor het ophalen van mvv’s door familieleden, maar deze termijn was al verstreken en het verzoek kon niet op verzoekster zelf worden gericht. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een evidente onrechtmatigheid in het primaire besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60500

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 14 juli 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen.
Verzoekster heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij heeft verder op 9 december 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat zij in afwachting van de behandeling van het bezwaar naar Nederland mag reizen, dan wel dat de termijn voor het afhalen van de mvv’s die aan haar familieleden zijn verstrekt wordt verlengd.
Op 14 januari 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om met urgentie op het verzoek om een voorlopige voorziening te beslissen.
Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek om een verweerschrift in te dienen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Verzoekster is geboren op [geboortedag] 1954, heeft de Afghaanse nationaliteit, en verblijft rechtmatig in Iran. Zij is vanwege diverse gezondheidsproblemen afhankelijk van intensieve zorg.
2. Op 21 december 2022 heeft [referent] bij verweerder aanvragen ingediend ten behoeve van de overkomst naar Nederland van zijn oma (verzoekster), ouders en twee broertjes. In een afzonderlijk besluit van 14 juli 2025 heeft verweerder aan de ouders en broertjes van referent een mvv verleend. In dit besluit is vermeld dat zij binnen zes maanden een afspraak bij de ambassade moeten maken voor het aanvragen van mvv-stickers.
3. In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van verzoekster afgewezen. Weliswaar geeft verweerder het voordeel van de twijfel ten aanzien van het onderbouwen van de familierechtelijke relatie met referent, er bestaan volgens verweerder geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen verzoekster en de ouders van referent of tussen verzoekster en referent zelf en er is evenmin sprake van hechte en persoonlijke banden tussen verzoekster en de minderjarige broertjes van referent.
4. Verzoekster is het niet eens met het primaire besluit. Zij voert in bezwaar in essentie aan dat er wel degelijk sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Volgens verzoekster is zij vanwege haar gezondheidssituatie zodanig afhankelijk van de ouders en broertjes van referent, die bij haar in Iran verblijven, dat zij haar niet alleen kunnen achterlaten. Ook voert verzoekster aan dat verweerder niet bereid is gebleken om de termijn te verlengen waarbinnen zij hun mvv moeten ophalen. Tot slot wijst verzoekster op de recentelijk verslechterde situatie in Iran.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
6. In de door verzoekster gestelde onrechtmatigheid van het primaire besluit, de slechte gezondheidssituatie van verzoekster, de verslechterende situatie in Iran en de omstandigheid dat de bij haar verblijvende familieleden van verzoekster aan tijd gebonden zijn in verband met hun mvv’s, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om de vereiste onverwijlde spoed aan te nemen.
7. Het verzoek van verzoekster om meteen naar Nederland te mogen reizen ontbeert een voorlopig karakter. Het ligt namelijk op de weg van verweerder om volledig heroverwegend en gelet op het bezwaarschrift van verzoekster te bepalen of aan haar alsnog een mvv moet worden verleend. Alleen als sprake is van een evidente onrechtmatigheid in het primaire besluit kan de voorzieningenrechter aanleiding zien om een dermate vergaande voorziening te treffen. Voorlopig oordelend is van een dergelijke onrechtmatigheid niet gebleken. Zoals uit de door verzoekster aangehaalde jurisprudentie volgt, is het beoordelen van het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid een feitelijke beoordeling van alle relevante omstandigheden, waarbij wel zwaarwegend maar geen doorslaggevend belang mag worden toegekend aan de vraag of sprake is van exclusieve afhankelijkheid. Hoewel duidelijk is dat verzoekster zodanige gezondheidsproblemen heeft dat zij niet zelfredzaam is, is niet gebleken dat uitsluitend haar familieleden de benodigde zorg kunnen leveren noch dat sprake is van overige omstandigheden die maken dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
8. Subsidiair verzoekt verzoekster om de termijn waarbinnen haar in Iran verblijvende familieleden hun mvv moeten ophalen te verlengen. In dit kader moet allereerst worden opgemerkt dat deze termijn reeds is verstreken. Er is echter ook geen aanleiding om verweerder op te dragen een nieuwe termijn te verlenen. In deze procedure kan namelijk geen verzoek worden gedaan dat niet op verzoekster zelf, maar haar familieleden ziet.
9. De conclusie is dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 januari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.