ECLI:NL:RBDHA:2026:1702

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL25.11556
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vrees voor vervolging in Iran

Eiser, een Iraanse nationaliteit dragende man geboren in 1995, diende op 24 september 2022 een asielaanvraag in met het argument dat hij in Iran problemen ondervond vanwege zijn afvalligheid van de islam en het bezoeken van een christelijke huiskerk.

De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat de enkele arrestatie en ondervraging in Iran niet voldoende zwaarwegend werden geacht om vluchtelingenrechtelijke bescherming te rechtvaardigen. Eiser werd na twee dagen vrijgelaten, zonder aanklacht of aanwijzingen dat hij nog gezocht wordt. Ook de vermeende bezoeken van inlichtingendienstleden aan zijn woning werden als niet-onderbouwd beoordeeld.

Eiser stelde dat hij nog steeds verdachte is en dat hij zich niet terughoudend zal opstellen bij terugkeer, onder meer door zijn uitingen op sociale media. De rechtbank vond echter dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Zijn veranderde levenshouding naar agnosticisme en het ontbreken van een noodzaak om zich openlijk te uiten, rechtvaardigen volgens de rechtbank de verwachting van terughoudendheid.

De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit terecht is genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vrees voor vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11556

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1.
Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1995 en de Iraanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 24 september 2022 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in Iran als afvallige problemen heeft ondervonden na het bezoeken van een christelijke huiskerk.
2. Verweerder volgt eisers afvalligheid van de islam en de in verband daarmee door eiser ondervonden problemen, maar is van oordeel dat deze problemen onvoldoende zwaarwegend zijn om aan te nemen dat eiser vluchtelingenrechtelijke bescherming nodig heeft. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat eiser weliswaar is gearresteerd en vervolgens éénmalig is ondervraagd, vanwege het bezoeken van een (christelijke) huiskerk, maar eiser is na twee dagen vrijgelaten. Eiser heeft niet verklaard dat hij daarna is aangeklaagd of dat hij nog wordt gezocht. Eiser heeft verklaard dat hij bij zijn arrestatie is ondervraagd over de huiskerk, waarbij specifiek werd gevraagd naar twee andere personen. Dit alles wijst er volgens verweerder niet op dat eiser (nog) in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten. Dat na zijn vrijlating bij hem thuis leden van de inlichtingendienst zouden zijn langsgekomen die zich voordeden als makelaars is gebaseerd op een niet-onderbouwde aanname. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij als afvallige bij terugkeer in Iran te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Verweerder wijst erop dat eiser zijn afvalligheid in Iran niet openlijk heeft geuit. Voor zover hij hierover in privékring sprak, was hij daarbij voorzichtig. Ook in Nederland heeft hij zich spaarzaam uitgesproken. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij het belangrijk vindt om zich uitgebreider religieus te uiten. Van eiser kan dan ook worden verwacht dat hij bij terugkeer dezelfde terughoudendheid in acht neemt. Mocht hij bij terugkeer in Iran worden ondervraagd en mocht van hem worden gevraagd om op schrift te verklaren dat hij moslim is, levert dat dan ook geen onaanvaardbare beperking van eisers godsdienstvrijheid op.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet aannemelijk acht dat hij zwaarwegende vrees heeft om in Iran te worden vervolgd vanwege zijn afvallige levensovertuiging. Gelet op het verbod op afvalligheid en het bezoeken van huiskerken, is hij na zijn vrijlating nog slechts in afwachting van bestraffing. Dat aan eiser ook vragen zijn gesteld over medeverdachten laat onverlet dat eiser nog altijd verdachte is. Dat eiser legaal het land heeft kunnen verlaten is een onjuiste aanname. Eiser verwerpt verder de conclusie van verweerder dat van hem mag worden verwacht dat hij zich in Iran terughoudend opstelt bij het uiten van zijn overtuiging. Eiser zal zich dan ook uitspreken als hem wordt gevraagd om een formulier te ondertekenen waarin hij verklaard moslim te zijn. Eiser heeft zich in de afgelopen jaren ook uitgebreid uitgesproken op sociale media. Hiermee heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit eisers verklaringen tijdens het nader gehoor niet kan worden opgemaakt dat eiser in Iran is gearresteerd omdat zij in het bijzonder naar hem op zoek waren. Eiser is uitsluitend gevraagd naar zijn bezoek van de huiskerk in relatie tot twee andere personen. Verweerder stelt verder niet ten onrechte dat uit eisers verklaringen niet aannemelijk wordt dat de autoriteiten na eisers vrijlating nog naar hem op zoek zijn. Dat eiser nog altijd verdachte zou zijn heeft eiser niet onderbouwd. Eiser heeft in het aanmeldgehoor zelf verklaard dat hij legaal op zijn eigen paspoort is uitgereisd. Dit duidt niet op een negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten voor hem. Eiser heeft zijn suggestie in de beroepsgronden dat tegen hem een uitreisverbod is uitgevaardigd niet onderbouwd. Eerst ter zitting en eveneens zonder onderbouwing, heeft eiser nog verklaard dat familieleden in Iran kort na zijn vertrek in augustus 2022 zijn benaderd door de autoriteiten met vragen over zijn verblijfplaats. Dit maakt als zodanig nog niet aannemelijk dat eiser in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat. Nu eiser niet heeft weten uit te leggen waarom hij hierover niet eerder heeft verklaard, ziet de rechtbank daarin geen reden voor het oordeel dat eiser nader moet worden gehoord.
5. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat het evenmin aannemelijk is dat eiser bij terugkeer in Iran in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zal komen te staan. Daarbij heeft verweerder er op gewezen dat eiser zich niet langer aangetrokken voelt tot het christelijke geloof, maar het agnosticisme aanhangt. De enkele omstandigheid dat eiser een afvallige (seculiere) levenshouding heeft leidt er niet automatisch toe dat hij in Iran problemen heeft te verwachten. Verweerder heeft terecht overwogen dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat eiser een behoefte heeft om zich als afvallige te uiten, althans niet op een andere wijze dan hij vóór zijn vertrek uit Iran heeft gedaan. Voor zover eiser stelt dat hij hierin een ontwikkeling heeft doorgemaakt, heeft hij dat niet weten te onderbouwen. Uit de door eiser overgelegde, niet vertaalde schermafdrukken van berichten op sociale media kan die gestelde ontwikkeling in elk geval niet worden opgemaakt. Dat eiser – zoals hij stelt – bij terugkeer bij een eventuele controle op het vliegveld in Iran zal verklaren dat hij afvallige is, heeft hij dan ook niet aannemelijk weten te maken. Verweerder heeft daarom kunnen overwegen dat van eiser bij terugkeer in dit verband een zekere terughoudendheid mag worden verlangd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit een onaanvaardbare inbreuk op zijn religieuze identiteit zou betekenen. Dit geldt evenzeer voor de mogelijkheid dat hij bij terugkeer een verklaring zou moeten ondertekenen waarin hij stelt moslim te zijn.
6. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 29 januari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.