Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17021

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
09/021321-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 7 WVW 1994Art. 175 WVW 1994Art. 176 WVW 1994Art. 179 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf en rijontzegging voor dodelijk verkeersongeval en verlaten plaats ongeval

Op 19 januari 2025 veroorzaakte de verdachte op een parkeerterrein in Valkenburg een verkeersongeval waarbij een voetganger dodelijk werd getroffen. De rechtbank stelde vast dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend handelde door met hoge snelheid op te trekken in een onoverzichtelijke situatie en onvoldoende rekening te houden met de voetganger. Na het ongeval verliet de verdachte de plaats terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het slachtoffer ernstig letsel had opgelopen.

De verdediging voerde noodweer, noodweerexces en psychische overmacht aan, maar deze verweren werden door de rechtbank verworpen wegens gebrek aan bewijs van een onmiddellijk dreigend gevaar of van een van buiten komende drang. De rechtbank achtte de verdachte strafbaar voor beide feiten.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, geheel onvoorwaardelijk, en een rijontzegging van drie jaar. De straf is gebaseerd op de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en eerdere overtredingen. Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan verschillende benadeelden, waaronder materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De in beslag genomen personenauto van de verdachte werd verbeurd verklaard met een vrijstelling voor een bedrag tot €30.000,-. De rechtbank wees de vorderingen van sommige benadeelden af wegens onvoldoende onderbouwing of omdat zij hun vorderingen bij de burgerlijke rechter moeten indienen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf en 3 jaar rijontzegging wegens zeer onvoorzichtig rijgedrag met dodelijke afloop en verlaten plaats ongeval.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/021321-25
Datum uitspraak: 23 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J. Algera en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mr. E.C. Steller en mr. T. van Hoewijk naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, op of omstreeks 19 januari 2025 te Valkenburg, gemeente Katwijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende over de weg, te weten het parkeerterrein 'Valkenburgse Meer' gelegen aan de Voorschoterweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:
- verdachte heeft op voornoemde weg/parkeerplaats gereden (terwijl het donker was en/of de verkeerssituatie aldaar onoverzichtelijk was) met een (veel) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers heeft verdachte met (zeer) hoge snelheid opgetrokken om de betreffende parkeerplaats te verlaten, en/of
- heeft daarbij onvoldoende rekening gehouden met en/of geanticipeerd op het overige verkeer ter plaatse te weten een voor zijn voertuig overstekende en/of aanwezige voetganger, en/of
- heeft zijn, verdachtes, voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was,
ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met die aldaar overstekende en/of aanwezige voetganger waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 19 januari 2025 te Valkenburg, gemeente Katwijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende over de weg, te weten het parkeerterrein 'Valkenburgse Meer' gelegen aan de Voorschoterweg
- op voornoemde weg/parkeerplaats heeft gereden (terwijl het donker was en/of de verkeerssituatie aldaar onoverzichtelijk was) met een (veel) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers heeft verdachte met (zeer) hoge snelheid opgetrokken om de betreffende parkeerplaats te verlaten, en/of
- daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met en/of geanticipeerd op het overige verkeer ter plaatse, te weten een voor zijn voertuig overstekende en/of aanwezige voetganger, en/of
- zijn, verdachtes, voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was,
ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met die aldaar overstekende en/of aanwezige voetganger, en/of
- (vervolgens) in aanrijding is gekomen met een zich op die parkeerplaats bevindende persoon (te weten [slachtoffer] ), ten gevolge waarvan die [slachtoffer] dodelijk letsel heeft bekomen,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken] ) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Valkenburg, gemeente Katwijk, op/aan de het parkeerterrein 'Valkenburgse Meer' gelegen aan de Voorschoterweg op of omstreeks 19 januari 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
- terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten, en/of
- terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) is gedood en/of letsel is toegebracht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair integrale vrijspraak van feit 1 bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Feit 1: Schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro
Op 19 januari 2025 heeft op een parkeerplaats nabij het Valkenburgse Meer in Valkenburg een verkeersongeval plaatsgevonden. De verdachte bestuurde een zwarte Mercedes met kenteken [kenteken] en wilde de parkeerplaats verlaten. Daarbij is de verdachte met zijn voertuig in aanraking gekomen met een voetganger, het slachtoffer [slachtoffer] . Het slachtoffer is als gevolg van dit ongeval ter plaatse overleden. Het bovenstaande heeft niet ter discussie gestaan. Waar het met name om gaat, is of de verdachte een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
De rechtbank ziet zich in dat verband voor de vraag gesteld of, en zo ja, in welke mate de verdachte schuld heeft gehad aan het veroorzaken van het verkeersongeval. Bij de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (WVW) komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Beoordeeld dient te worden of het rijgedrag van de verdachte, bezien in onderling verband en samenhang met de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgevonden, kan worden aangemerkt als verwijtbaar onvoorzichtig of onoplettend handelen. Indien schuld wordt vastgesteld, dient vervolgens te worden beoordeeld welke mate van schuld bewezen kan worden verklaard.
De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet harder heeft gereden dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, dat hij geen rekening hoefde te houden met de aanwezigheid van het slachtoffer op de rijbaan en dat het slachtoffer zich kort voor de aanrijding heeft omgedraaid, zodat de verdachte zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de voertuigdata volgt dat de verdachte vanuit stilstand gedurende 2,5 seconden het gaspedaal volledig heeft ingetrapt, waarbij het voertuig accelereerde van 0 naar 45 kilometer per uur. Dat de verdachte daarmee onder de ter plaatse toegestane maximumsnelheid is gebleven, vind de rechtbank gelet op het volgende irrelevant. De verdachte deed dit terwijl het donker was. Daarnaast was sprake van een onoverzichtelijke verkeerssituatie. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat twee tegenover elkaar geplaatste trailers een kunstmatige doorgang vormden. Uit de verklaring van de verdachte maakt de rechtbank verder op dat hij ervan op de hoogte was dat op de parkeerplaats – en dus in de nabijheid van zijn auto – iemand uit een voertuig was gestapt en over de parkeerplaats liep. Dit bleek later het slachtoffer te zijn. Uit de bevindingen volgt bovendien dat de koplampen van de Mercedes – de auto van de verdachte – de benen van een silhouet – het slachtoffer – verlichtten terwijl de die auto in de richting van dat silhouet reed. En ten slotte was de verdachte een half jaar eerder ook al eens op dezelfde locatie betrokken geweest bij een aanrijding met letsel. Hij was dus bekend met de gevaarlijke verkeerssituatie op de parkeerplaats.
Onder deze omstandigheden had van de verdachte verwacht mogen worden dat hij zijn rijgedrag zou aanpassen aan de situatie ter plaatse. In plaats daarvan is hij vanuit stilstand hard opgetrokken zonder zich ervan te vergewissen dat hij veilig kon wegrijden. Dat het slachtoffer zich mogelijk heeft omgedraaid of verplaatst, maakt dit niet anders. De verdachte diende rekening te houden met de mogelijkheid dat personen te voet in zijn directe omgeving onverwachte bewegingen zouden maken. Dit geldt temeer nu een voetganger een zwakkere verkeersdeelnemer is. Van de verdachte mag – als bestuurder van een auto – in dat geval extra voorzichtigheid worden gevraagd.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en dat het verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten.
Feit 2: verlaten plaats ongeval
De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer bij de aanrijding met het voertuig van de verdachte in aanraking is gekomen. Daarnaast blijkt uit het forensisch onderzoek dat het slachtoffer ter hoogte van de rechtervoorzijde van de auto van de verdachte met het voertuig in confrontatie is gekomen en dat de voorruit van de Mercedes ernstig was beschadigd en naar binnen was gedrukt door een van buiten komende kracht.
Gelet op de aard van de aanrijding, de wijze waarop het slachtoffer met het voertuig in aanraking is gekomen en de aanzienlijke schade aan het voertuig, in het bijzonder aan de voorruit, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wist, maar in elk geval redelijkerwijs moest vermoeden dat aan het slachtoffer ernstig letsel was toegebracht. Desondanks heeft de verdachte de plaats van het ongeval verlaten. De verdachte heeft immers verklaard dat hij na het incident achter zijn broer is aangereden.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel was toegebracht. Vaststaat voorts dat het slachtoffer als gevolg van het ongeval is overleden.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij, op 19 januari 2025 te Valkenburg, gemeente Katwijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende over de weg, te weten het parkeerterrein 'Valkenburgse Meer' gelegen aan de Voorschoterweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, te handelen als volgt:
- verdachte heeft op voornoemde weg/parkeerplaats gereden (terwijl het donker was en de verkeerssituatie aldaar onoverzichtelijk was) met een (veel) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers heeft verdachte met (zeer) hoge snelheid opgetrokken om de betreffende parkeerplaats te verlaten, en
- heeft daarbij onvoldoende rekening gehouden met en geanticipeerd op het overige verkeer ter plaatse te weten een voor zijn voertuig overstekende en
/ofaanwezige voetganger, en
- heeft zijn, verdachtes, voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,
ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met die aldaar overstekende en aanwezige voetganger waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 19 januari 2025 te Valkenburg, gemeente Katwijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende over de weg, te weten het parkeerterrein 'Valkenburgse Meer' gelegen aan de Voorschoterweg- op voornoemde weg/parkeerplaats heeft gereden (terwijl het donker was en/of de verkeerssituatie aldaar onoverzichtelijk was) met een (veel) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, immers heeft verdachte met (zeer) hoge snelheid opgetrokken om de betreffende parkeerplaats te verlaten, en/of- daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met en/of geanticipeerd op het overige verkeer ter plaatse, te weten een voor zijn voertuig overstekende en/of aanwezige voetganger, en/of- zijn, verdachtes, voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was,
ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met die aldaar overstekende en/of aanwezige voetganger, en/of- (vervolgens) in aanrijding is gekomen met een zich op die parkeerplaats bevindende persoon (te weten [slachtoffer] ), ten gevolge waarvan die [slachtoffer] dodelijk letsel heeft bekomen,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2
hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken] ) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Valkenburg, gemeente Katwijk, op het parkeerterrein 'Valkenburgse Meer' gelegen aan de Voorschoterweg op 19 januari 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
- terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) is gedood of letsel is toegebracht.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het na te noemen beroep op noodweer, op noodweerexces en op psychische overmacht dient te worden verworpen.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van zowel feit 1 als feit 2 beroepen op noodweer dan wel noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat sprake was van een langer lopend conflict tussen de broer van de verdachte en andere aanwezigen op het parkeerterrein en dat de verdachte bang was te worden ingesloten. Tegen de achtergrond van eerdere geweldsincidenten was volgens de verdediging sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke aanranding van het lijf van de verdachte. De verdachte kon zich volgens de verdediging niet op een minder ingrijpende wijze aan de situatie onttrekken dan door weg te rijden. De verdachte heeft in dat verband naar voren gebracht dat het latere slachtoffer roepend en scheldend afliep op de auto waarin zijn broer zich bevond en het portier probeerde te grijpen. Uitsluitend doordat zijn broer wegreed, lukte het het slachtoffer om de portierhendel vast te grijpen. De verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment zichzelf en zijn honden in veiligheid wilde brengen.
Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte handelde vanuit een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de dreigende situatie, zodat sprake is van noodweerexces.
Meer subsidiair heeft de verdediging een beroep gedaan op psychische overmacht. Volgens de verdediging was sprake van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon bieden.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van zowel feit 1 als feit 2 niet aannemelijk geworden dat ten tijde van het optrekken van het voertuig sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte, dan wel van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Zelfs als de verdachte zou worden gevolgd in zijn verklaring, moet hierbij in aanmerking worden genomen dat de verdachte zich in zijn auto bevond en het slachtoffer te voet was. Daar komt bij dat de broer van het slachtoffer reeds weg was gereden; dat de verdachte zelf werd belaagd, is niet gebleken. Het dossier bevat ook anderszins onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat de verdachte en zijn honden op dat moment gevaar liepen en sprake was van een noodweersituatie.
Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.
Nu een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, wordt ook het beroep op noodweerexces ten aanzien van beide feiten verworpen.
Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. De verdediging heeft in dit verband onder meer naar voren gebracht dat van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij in de situatie bleef waarin het dreigende gevaar zich zou gaan voltrekken. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat van zo een dreigend gevaar jegens de verdachte sprake was. Het beroep op psychische overmacht wordt daarom eveneens verworpen.
Wat de verdediging overigens heeft aangevoerd dat tot de conclusie zou moeten leiden dat de strafbaarheid aan feit 2 zou komen te ontvallen treft evenmin doel. De strafuitsluitingsgronden met betrekking tot artikel 7 van Pro de Wegenverkeerswet zijn in het tweede lid van dat artikel opgenomen en in artikel 184 van Pro de wet staat een vervolgingsuitsluitingsgrond voor de overtreder van dat artikel. Voor een extensieve toepassing van die bepalingen, zoals door de verdediging voorgestaan, ziet de rechtbank aanleiding noch mogelijkheden.
De verdachte is derhalve strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. Ook het bewezenverklaarde is voor de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafoplegging

5.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede een rijontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op de ingrijpende gevolgen die de zaak en het voorarrest reeds voor de verdachte hebben gehad, waaronder de gevolgen voor zijn onderneming, de daarmee samenhangende financiële gevolgen en de omvang van de ingediende vorderingen tot schadevergoeding. De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, mede omdat de voorlopige hechtenis voor de verdachte als traumatisch is ervaren, maar een taakstraf of een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Ten aanzien van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen heeft de verdediging verzocht deze voor een kortere duur op te leggen dan geëist, gelet op het werk van de verdachte en de zorg voor zijn honden.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Door zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft de verdachte een aanrijding veroorzaakt, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Met zijn handelen heeft de verdachte onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Dit is ook tot uitdrukking gekomen in de door de nabestaanden voorgedragen slachtofferverklaringen ter zitting. Extra wrang is het, dat de dochter van het slachtoffer na diens overlijden is geboren en haar vader nooit heeft kunnen leren kennen. De partner van het slachtoffer zal nu een weg moeten vinden om haar leven en de opvoeding van hun dochter zonder hem vorm te geven.
Daarnaast heeft de verdachte de plaats van het ongeval verlaten terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat aan het slachtoffer letsel was toegebracht, gelet op de omvangrijke schade aan de voorruit van zijn voertuig. Door weg te rijden heeft de verdachte zich niet bekommerd om de toestand van het slachtoffer en diens lot aan anderen overgelaten.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 april 2026. Daaruit blijkt dat aan de verdachte, kort na de in deze zaak tenlastegelegde feiten, een strafbeschikking is opgelegd wegens het verlaten van de plaats van een verkeersongeval in juni 2024, waarbij aan een ander letsel is toegebracht. Dit feit heeft zich voorgedaan op dezelfde locatie als de in deze zaak tenlastegelegde feiten. Daarnaast heeft de verdachte in juni 2023 een boete gekregen voor een snelheidsovertreding.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 21 mei 2026, waaruit volgt dat geen sprake is van problematiek. Het risico op recidive of geweld kon niet worden ingeschat. De reclassering acht een interventie of toezicht niet noodzakelijk en adviseert bij een veroordeling van de verdachte geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Straftoemeting
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt opgenomen voor het veroorzaken van een verkeersongeval met de dood tot gevolg en een zeer hoge mate van schuld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met de omstandigheid dat de verdachte zich tevens heeft schuldig gemaakt aan het verlaten van de plaats van het ongeval.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaar, beide geheel onvoorwaardelijk, passend en geboden.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een kortere periode te ontzeggen vanwege het werk van de verdachte en de zorg voor zijn honden. Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank, anders dan de verdediging, een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf niet passend.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

6.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
In totaal hebben elf benadeelden zich gevoegd als partij in dit strafproces. Deze benadeelde partijen vorderen de verdachte te veroordelen om een schadevergoeding te betalen, te vermeerderen met de daartoe geldende wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In de tabel hieronder wordt het door hen gevorderde weergegeven.
Benadeelde partij
Materiële schade
Affectieschade
Shockschade
Totaal
[benadeelde 1]
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde 2]
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde 3]
€ 6.300,-
€ 20.000,-
€ 26.300,-
[benadeelde 4]
€ 8.850,-
€ 17.500,-
€ 26.350,-
[benadeelde 5]
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde 6]
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde 7]
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde 8]
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde 9]
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde 10]
€ 7.500,-
€ 7.500,-
[benadeelde 11]
€ 7.500,-
€ 7.500,-
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en van [benadeelde 4] voor zover laatstgenoemde vordering ziet op de kosten van lijkbezorging dienen te worden toegewezen. Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 4] kan de officier van justitie zich voorstellen dat de gevorderde post van € 1.400,- voor boodschappen ten behoeve van de uitvaart niet voor toewijzing vatbaar is, omdat deze post onvoldoende is onderbouwd. Wat de vorderingen van [benadeelde 10] en [benadeelde 11] heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De vorderingen kunnen steeds worden toegewezen met vermeerdering met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich in algemene zin op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van de vorderingen rekening dient te worden gehouden met de eigen schuld van het slachtoffer als bedoeld in artikel 6:101 BW Pro. Volgens de verdediging is het slachtoffer met gewelddadige bedoelingen naar de plaats van het incident gekomen en heeft zelf de confrontatie gezocht. De verdediging heeft primair verzocht de schadevergoedingen met 80% te matigen en subsidiair met 50%.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] verzoekt de verdediging de rechtbank de vordering gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de factor eigen schuld.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] heeft de verdediging aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake was van een langdurige affectieve relatie, nu het slachtoffer en deze benadeelde partij slechts twee jaar een relatie hadden. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat slechts sprake was van een huwelijk naar islamitisch recht.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3] heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat zij een minderjarige dochter is van het overleden slachtoffer, zodat zij niet als gerechtigde tot vergoeding van affectieschade en schade wegens gederfd levensonderhoud kan worden aangemerkt.
Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] en [benadeelde 9] heeft de verdediging aangevoerd dat de wettelijke regeling voor affectieschade broers en zussen in beginsel geen aanspraak biedt op affectieschade. Het door de benadeelde partijen aangehaalde wetsvoorstel tot uitbreiding van de kring van gerechtigden is nog niet in werking getreden. Voor zover een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule van artikel 6:108 BW Pro, heeft de verdediging aangevoerd dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake was van een uitzonderlijk hechte persoonlijke relatie als bedoeld in die bepaling.
Ten aanzien van de overige posten van de vordering van [benadeelde 4] heeft de verdediging aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de eigen schuld van het slachtoffer. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de gestelde schade voor gekochte boodschappen onvoldoende is onderbouwd.
Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 10] en [benadeelde 11] heeft de verdediging aangevoerd dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. Volgens de verdediging blijkt uit de overgelegde stukken onvoldoende dat is voldaan aan de vereisten voor vergoeding van shockschade.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
7.3.1.
Beoordeling van de vorderingen
Eigen schuld
De verdediging heeft bepleit dat, indien de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegekend, de schadevergoeding wordt gematigd met 80%, omdat sprake zou zijn van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank moet daarvoor eerst de vraag beantwoorden of er enig causaal verband is tussen het handelen van [slachtoffer] en de schade. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. Met welke bedoelingen [slachtoffer] ook naar het parkeerterrein Valkenburgse Meer is gekomen, het verkeersongeval waarbij [slachtoffer] is gedood, is aan de schuld van de verdachte te wijten. De rechtbank verwerpt het beroep op eigen schuld.
Affectieschade [benadeelde 1]
is een naaste van het overleden slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid Pro 4, aanhef en onder c, BW, namelijk zijn moeder. De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer als gevolg van het bewezenverklaarde feit is overleden. Daarmee is voldoende vast komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht. Het gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade. Deze vordering zal door de rechtbank worden toegewezen.
Affectieschade [benadeelde 2]
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij ten tijde van het overlijden van het slachtoffer een affectieve relatie met hem had en zwanger was van hun gezamenlijke kind. Uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, blijkt dat sprake was van een duurzame en bestendige relatie. Dat de relatie nog geen twee jaar bestond, maakt dit niet anders. Evenmin doet hieraan af dat het huwelijk uitsluitend naar islamitisch recht was gesloten.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat tussen de benadeelde partij en het overleden slachtoffer een nauwe persoonlijke relatie bestond als bedoeld in artikel 6:108 BW Pro. De benadeelde partij komt daarom in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. De vordering van € 17.500 zal worden toegewezen.
Affectieschade en gederfd levensonderhoud [benadeelde 3]
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat [benadeelde 2] ten tijde van het overlijden van het slachtoffer zwanger was. Voorts blijkt uit de overgelegde berichten dat het overleden slachtoffer op de hoogte was van de zwangerschap en zich als aanstaand vader beschouwde. Deze omstandigheden vinden steun in de verklaringen van familieleden. De rechtbank neemt op grond van deze feiten en omstandigheden als vaststaand aan dat het overleden slachtoffer de verwekker van [benadeelde 3] is. Dat het overleden slachtoffer [benadeelde 3] voor zijn overlijden niet heeft kunnen kennen en dat het vaderschap niet gerechtelijk is vastgesteld, maakt dit oordeel niet anders.
De rechtbank is daarom van oordeel dat [benadeelde 3] moet worden aangemerkt als nabestaande van de overledene. De gevorderde affectieschade en schade wegens gederfd levensonderhoud vloeien rechtstreeks voort uit het bewezenverklaarde feit. Nu de vordering ook voor het overige voldoende is onderbouwd, zal deze vordering worden toegewezen.
Affectieschade [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 4] en [benadeelde 9]
Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op de hardheidsclausule van artikel 6:108 BW Pro, is de rechtbank van oordeel dat de beoordeling van de vraag of sprake is van een zodanig uitzonderlijke nauwe persoonlijke relatie dat aanspraak bestaat op vergoeding van affectieschade, een nader onderzoek naar de feitelijke omstandigheden van de onderlinge relaties vereist. Een dergelijk onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen zullen daarom in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijker echter aanbrengen.
De benadeelde partijen hebben subsidiair een beroep gedaan op een voorgestelde uitbreiding van de wettelijke regeling inzake affectieschade. De rechtbank overweegt dat deze uitbreiding thans nog niet in werking is getreden en daarom niet tot toewijzing van de vorderingen kan leiden. Subsidiair heeft te gelden dat een dergelijke beoordeling een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.
Kosten lijkbezorging en boodschappen [benadeelde 4]
Ten aanzien van de gevorderde kosten van lijkbezorging (€ 7.450) is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het overlijden van het slachtoffer en daadwerkelijk zijn gemaakt. Dit deel van de vordering komt daarom voor toewijzing in aanmerking.
Voor zover de vordering betrekking heeft op de kosten van boodschappen (€ 1.400) is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
Shockschade [benadeelde 10] en [benadeelde 11]
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de benadeelde partijen hun vorderingen onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen. Zij kunnen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
7.3.2.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 19 januari 2025 ten aanzien van de affectieschade van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en de schade wegens gederfd levensonderhoud van benadeelde partij [benadeelde 3] , omdat is komen vast te staan dat het slachtoffer op die datum is overleden. Ten aanzien van de toegewezen kosten van lijkbezorging van benadeelde partij [benadeelde 4] zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 24 januari 2025, zijnde de datum van de factuur.
7.3.3.
Proceskosten
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en de vordering van benadeelde partij [benadeelde 4] , voor zover betrekking hebbend op de kosten van lijkbezorging, zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de door deze benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil, alsmede in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten
Nu de benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] , [benadeelde 10] , [benadeelde 11] en [benadeelde 4] (deels) niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vorderingen, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
7.4
Schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de toegewezen schade rechtstreeks is veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit en dat de verdachte daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank zal daarom ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze betalingsverplichting worden aangevuld met het aantal dagen gijzeling dat blijkt uit de tabel in het dictum van dit vonnis (onderdeel 10), waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen personenauto moet worden verbeurdverklaard.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten een zwarte Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] , verbeurd verklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp de bewezenverklaarde feiten zijn begaan.
De rechtbank ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 33c Sr en zal bepalen dat een eventuele opbrengst boven een bedrag van € 30.000,- aan de verdachte wordt uitgekeerd.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 33, 33 a, 33c, 36f, 57, 60, 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 7, 175, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1, primair:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
ten aanzien van feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van
3 (DRIE) JAREN;
de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
wijst toe de vordering van elk van de in de hierna weergegeven tabel genoemde benadeelde partijen tot het bedrag zoals dat in de tabel in de kolom “Vordering voor materiële schade toegewezen tot” en “Vordering voor immateriële schade toegewezen tot” staat vermeld en veroordeelt de verdachte tot betaling van dat bedrag aan de betreffende benadeelde partij, bestaande uit materiële en immateriële schade, iedere vordering telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum respectievelijk data en over het bedrag of de bedragen zoals in de tabel in de kolom “Wettelijke rente vanaf” ten aanzien van elke toegewezen vordering is gespecificeerd, welke tabel inhoudt:
Benadeelde partij
Vordering voor materiële schade toegewezen tot
Vordering voor immateriële schade toegewezen tot
Aantal dagen gijzeling
Wettelijke rente vanaf
[benadeelde 1]
-
€ 17.500,-
95 dagen
19 januari 2025
[benadeelde 2]
-
€ 17.500,-
95 dagen
19 januari 2025
[benadeelde 3]
€ 6.300,-
€ 20.000,-
123 dagen
19 januari 2025
[benadeelde 4]
€ 7.450,-
-
52 dagen
24 januari 2025
[benadeelde 5]
-
-
-
-
[benadeelde 6]
-
-
-
-
[benadeelde 7]
-
-
-
-
[benadeelde 8]
-
-
-
-
[benadeelde 9]
-
-
-
-
[benadeelde 10]
-
-
-
-
[benadeelde 11]
-
-
-
-
bepaalt dat de in de tabel genoemde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] , [benadeelde 10] , [benadeelde 11] en [benadeelde 4] voor zover zijn vordering is afgewezen niet-ontvankelijk zijn in de vordering en dat zij hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil, alsmede in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;
bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] , [benadeelde 10] en [benadeelde 11] en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;
legt ter zake van elke toegewezen vordering als vermeld in de tabel in de kolommen “
Vordering voor materiële/immateriële schade toegewezen tot” telkens aan de verdachte de maatregel op dat de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde feiten ten behoeve van de desbetreffende benadeelde partij (telkens) verplicht is tot betaling aan de Staat van de bedragen zoals dat in de tabel in de genoemde kolommen bij iedere benadeelde partij afzonderlijk is vermeld, iedere toegewezen vordering telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum respectievelijk data en over het bedrag/de bedragen zoals in de tabel in de kolom “
Wettelijke rente vanaf” ten aanzien van elke toegewezen vordering is gespecificeerd, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat telkens het aantal dagen gijzeling zoals in de tabel in de kolom “
Aantal dagen gijzeling” is vermeld, kan worden toegepast. De tenuitvoerlegging van de gijzeling ter zake van een toegewezen vordering als in de vorige zin vermeld heft de betalingsverplichting van die vordering niet op;
bepaalt dat als de verdachte met betrekking tot een van de hiervoor genoemde benadeelde partijen heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat van bedoelde bedrag/bedragen daarmee de verplichting van de verdachte om aan de betreffende benadeelde partij het bedrag/de bedragen te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan een van de hiervoor genoemde benadeelde partijen het aan die partij verschuldigde bedrag/bedragen heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag/die bedragen komt te vervallen;
verklaart verbeurd de in beslag genomen personenauto, te weten:
een zwarte Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] ;
bepaalt dat, indien de opbrengst van de verbeurdverklaarde personenauto een bedrag van
€ 30.000,- overstijgt, het meerdere aan de verdachte wordt uitgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Rabbie, voorzitter,
mr. S. Pereth, rechter,
mr. S.E. Bandsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.F. Schippers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juni 2026.