AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over willekeurig geweld in Zuid-Soedan
Eiser, een Zuid-Soedanese journalist en freelance tolk, vroeg asiel aan in Nederland vanwege bedreigingen en het gevaar van willekeurig geweld in zijn thuisregio Central Equatoria. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van de persoonlijke risico's en een relatief laag niveau van willekeurig geweld in de regio.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met recente landeninformatie die een verslechterde veiligheidssituatie en een toename van willekeurig geweld aantoont. Ook is de motivering over het niveau van geweld niet deugdelijk, mede omdat humanitaire omstandigheden niet adequaat zijn betrokken.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw, deugdelijk gemotiveerd besluit te nemen, waarbij ook de individuele omstandigheden van eiser en recente rapportages worden betrokken. Het beroep op het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk geworden omdat inmiddels een besluit is genomen.
De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over het niveau van willekeurig geweld en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2738
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigden: mr. A. Dijcks en mr. C.W.M. van Breda).
Inleiding
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
In het besluit van 14 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag alsnog in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op dit besluit.
Eiser heeft een aanvulling op de beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W.M. van Breda. Aan het einde van deze zitting is het onderzoek geschorst en is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
Op verzoek van de rechtbank heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend en heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de zitting van de meervoudige kamer van 12 februari 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [persoon 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Breda voornoemd.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn tweemaal verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
1. Eiser is geboren op [datum] 1992 en heeft de Zuid-Soedanese nationaliteit. Hij heeft op 23 februari 2023 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Op 10 februari 2025 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij werkzaam is geweest als freelance tolk en journalist en dat hij daarom in Zuid-Soedan gedood, gemarteld of vermoord kan worden. Hij heeft artikelen geschreven die kritisch zijn op de regering en is drie keer bedreigd vanwege zijn werk: in 2019, in 2021 en in 2022. Daarnaast zijn zijn vader, broer en oom vermoord in het kader van een conflict tussen clans. Verder staat hij op een foto met een acteur/komiek die later rebel is geworden, en strijdt tegen de regering. Bij terugkeer naar Zuid-Soedan vreest eiser te worden vermoord door de autoriteiten vanwege zijn werk als onafhankelijk journalist en omdat hij geassocieerd wordt met de rebellen. Daarnaast vreest eiser slachtoffer te worden van de stammenstrijd tussen voornamelijk de Chiengpuot en de Ciengluth-clans. Eiser heeft een brief van 27 december 2022 van de redacteur van Eye Media overgelegd, waarin staat dat hij wordt gezocht door de National Security Service (NSS).
De standpunten
3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst uit Juba, deelstaat Central Equatoria, geloofwaardig geacht. Verweerder heeft ook geloofwaardig geacht dat eiser etnisch Nuer is en behoort tot de Chiengpuot-stam. Verder heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser in Zuid-Soedan werkzaam is geweest als freelance tolk en journalist. Verweerder heeft echter ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege zijn werk en vanwege de stammenstrijd, omdat hij geen samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd. Met de door hem verstrekte documenten heeft hij niet aannemelijk gemaakt te vrezen voor vervolging, problemen te hebben gehad in Zuid-Soedan dan wel deze bij terugkeer te krijgen. Ook heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij pas na ongeveer een maand nadat hij Nederland met een studievisum is ingereisd zijn asielaanvraag heeft ingediend. Er bestaat geen aanleiding om aan eiser een asielvergunning te verlenen. Het behoren tot een stam en het werken als journalist is daarvoor niet voldoende. Sinds het einde van de burgeroorlog in 2018 komt willekeurig geweld incidenteel voor en is dat beperkt in intensiteit. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld, aldus verweerder.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder te weinig rekening heeft gehouden met de brief van Eye Media . Deze komt overeen met zijn verklaringen en met wat Amnesty International (AI) zegt over de werkwijze van de NSS. Daarnaast heeft hij voldoende documenten overgelegd en voldoende gedetailleerd en consistent verklaard. Daarbij heeft hij toegelicht dat hij niet meteen asiel heeft aangevraagd omdat hij eerst de cursus wilde afronden waarvoor hij een visum had gekregen. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de veiligheidssituatie in Zuid-Soedan voor journalisten en voor leden van de Chienpuot-stam, zoals gerapporteerd door de UNHCR en andere mensenrechtenorganisaties. Hierbij doet eiser een beroep op de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 21 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17020, en op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1200.
5. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Daarin is kenbaar gemotiveerd waarom de brief van Eye Media niet objectief is en de door eiser gestelde gebeurtenissen niet onderbouwt. Ook is daarin kenbaar gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gestelde problemen verband houden met zijn werkzaamheden. Dat eiser eerst een cursus wilde afronden is geen verschoonbare reden voor het niet meteen aanvragen van asiel. Verder is er in Central Equatoria sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011/95/EU. Daarbij verwijst verweerder naar de door hem verzamelde landeninformatie in de bijlage bij het verweerschrift. Hierop zal hierna verder worden ingegaan. Dit brengt mee dat de enkele aanwezigheid in deze regio niet leidt tot een reëel risico om slachtoffer te worden van dit geweld.
6. Tijdens de zitting van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 is namens eiser naar voren gebracht dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van geweld vanwege zijn werkzaamheden en zijn stam-afkomst. Ook heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom er volgens hem geen sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld. Gelet op de rechtspraak heeft verweerder daarbij ten onrechte enkel de humanitaire omstandigheden die als oorlogswapen worden ingezet van belang geacht. Hierbij is nogmaals verwezen naar de eerder aangehaalde rapportages van UNHCR en AI. De omvang van de door partijen overgelegde landeninformatie en de ontwikkelingen die daarin zichtbaar zijn, hebben de rechtbank aanleiding gegeven om het onderzoek ter zitting te schorsen en de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer. Ter voorbereiding op de zitting van de meervoudige kamer heeft de rechtbank partijen verzocht om zoveel mogelijk recente landeninformatie aan te leveren over de veiligheidssituatie in Zuid-Soedan.
7. In de aanvulling op de beroepsgronden heeft eiser gewezen op een groot aantal recente landenrapportages, waarop hierna verder zal worden ingegaan. Ook heeft hij gewezen op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462. Hieruit volgt dat verweerder ten onrechte concludeert dat in Zuid-Soedan sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In de aanvulling op het verweerschrift heeft verweerder uiteengezet waarom hij geen aanleiding ziet tot een andere inschatting van de veiligheidssituatie. Na bespreking hiervan op de zitting van de meervoudige kamer van 12 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Het niet tijdig beslissen
8. Voor zover het beroep nog ziet op het niet tijdig nemen van een besluit op eisers asielaanvraag moet worden vastgesteld dat daarbij inmiddels geen procesbelang meer bestaat omdat er alsnog een besluit op die aanvraag is genomen. Het beroep zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
De geloofwaardigheid
9. Op grond van artikel 4 vanPro de Kwalificatierichtlijn, overgenomen in artikel 31 vanPro de Vw, wordt van een asielzoeker verlangd dat hij relevante documentatie overlegt. Als deze ontbreekt, moet worden beoordeeld of daarvoor een plausibele verklaring bestaat en of de asielzoeker samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn asielrelaas.
10. Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat de door eiser gestelde bedreigingen voortkomen uit zijn werkzaamheden als freelance tolk en journalist. Verweerder heeft daarbij terecht vastgesteld dat de door eiser overgelegde brief van Eye Media een kopie betreft, is opgesteld door een niet-objectieve derde en inhoudelijk niet aansluit bij zijn verklaringen. Zo heeft eiser verklaard dat de brief direct na de gestelde bedreiging in 2019 is opgesteld, terwijl de brief is gedagtekend op 27 december 2022. Ook heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij na de gestelde bedreigingen en de gestelde foto met de rebel, die volgens eiser in 2021 is genomen, nog lange tijd zonder problemen in Zuid-Soedan heeft verbleven en dat hij het land legaal is uitgereisd. Ten slotte heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij geen plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij pas ongeveer een maand na aankomst in Nederland om internationale bescherming heeft verzocht. Dat eiser in die periode in het bezit was van een visum en een cursus volgde, verklaart immers niet waarom hij zijn gestelde vrees niet meteen kenbaar kon maken.
11. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege de strijd tussen de Chiengpuot en Ciengluth-stammen. Verweerder heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat hij slechts op vermoedens baseert dat zijn vader, oom en broer vanwege deze strijd zijn vermoord. Ook heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat deze moorden in tijd erg ver uit elkaar liggen (1993, 2010 en 2020) en dat niet uit eisers verklaringen kan worden opgemaakt hoe deze tot elkaar in verband staan. Ten slotte heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij geen details heeft kunnen geven over de moord op zijn broer, terwijl dit een redelijk recente en tamelijk ingrijpende gebeurtenis is geweest en eiser op dat moment al volwassen was.
12. Het voorgaande laat onverlet dat bij het beoordelen van de door eiser gestelde vrees bij terugkeer naar Zuid-Soedan naast de algemene veiligheidssituatie van belang is dat hij freelance tolk en journalist is geweest, dat hij etnisch Nuer is en dat hij behoort tot de Chiengpuot-stam. Dit is namelijk geloofwaardig geacht, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.
De veiligheidssituatie in Central Equatoria
13. Het verlenen van een asielvergunning kan, naast de aanwezigheid van vluchtelingschap zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag 1951, gelegen zijn in een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In deze zaak is niet in geschil dat er geen sprake is van vluchtelingschap. De rechtbank ziet zich wel voor de vraag gesteld of de veiligheidssituatie in Zuid-Soedan leidt tot een risico op ernstige schade voor eiser. Hierbij moet worden gekeken naar het gebied waar eiser vandaan komt: Central Equatoria.
14. Op grond van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn kan ernstige schade bestaan uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In deze zaak is niet in geschil dat er in Central Equatoria sprake is van een dergelijk conflict, ook na het staakt-het-vuren dat in 2018 is ondertekend. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 9 november 2023, ECLI:C:EU:2023:843, in de zaak X. en Y. uiteengezet dat willekeurig geweld in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn verschillende gradaties kent, en dat daarbij sprake is van een glijdende schaal. Bij een lager niveau van willekeurig geweld kan sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade als een asielzoeker met individuele elementen aannemelijk maakt dat hij een verhoogd risico loopt om daarvan slachtoffer te worden. Bij een hoger niveau van willekeurig geweld zijn er minder individuele elementen nodig om een dergelijk risico aannemelijk te maken. Alleen in de meest uitzonderlijke situaties van willekeurig geweld is de aanwezigheid in een bepaald gebied op zichzelf al voldoende voor een reëel risico op ernstige schade. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn ook rekening moet worden gehouden met de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld binnen een binnenlands gewapend conflict.
15. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in Central Equatoria sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit baseert hij op de landeninformatie vervat in de bijlage bij het verweerschrift, die is verzameld door het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Er is namelijk geen algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Zuid-Soedan, en evenmin is er landgebonden beleid vastgesteld in onderdeel C7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Wel is in onderdeel C2/3.3.3.2. van de Vc door verweerder vastgelegd welke aspecten hij betrekt bij het beoordelen van het niveau van willekeurig geweld:
de vraag of de partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen,
de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;
de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
16. In de bijlage bij het verweerschrift is verweerder gemotiveerd op al deze aspecten ingegaan. Volgens verweerder is niet al het geweld in Central Equatoria relevant in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, omdat het deels ook gaat om crimineel geweld dat bijvoorbeeld is gericht op het stelen van land of vee. Daarnaast is volgens verweerder het geweld in het kader van het gewapend conflict in de afgelopen jaren afgenomen. Hierbij verwijst verweerder voornamelijk naar de rapportages van het Armed Conflict Location & Event Data Project (ACLED) en Cedoca (de onderzoeksdienst van het Belgische Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen) over de periode van 2018 tot begin 2025. Uit verslagen van de VN-Veiligheidsraad over de periode oktober 2024 tot en met april 2025 volgt volgens verweerder dat, voor zover de gerapporteerde veiligheidsincidenten onder de definitie van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn vallen, geen sprake is van grootschalige oorlogsmethodieken die de kans op burgerslachtoffers vergroten. Verder is er een neerwaartse trend waar het gaat om de aantallen burgerslachtoffers in het kader van het gewapend conflict. Hierbij verwijst verweerder naar cijfers van ACLED en van de Human Rights Division van de United Nations Mission in South Sudan (UNMISS) over de periode van 2018 tot en met april 2025. Verder is weliswaar veel ontheemding en staat de humanitaire hulp mede daardoor onder druk, maar zijn er geen aanwijzingen dat het verergeren van de humanitaire situatie opzettelijk door de strijdende partijen als oorlogstactiek wordt ingezet. Ook is er blijkens informatie van ACLED en UNMISS in enige mate sprake van een veiligheidsstructuur die wordt ingezet voor het beschermen van burgers en het inperken van oplaaiend geweld.
17. Door zo te overwegen heeft verweerder de humanitaire omstandigheden niet op een juiste wijze betrokken. In de hiervoor aangehaalde Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 is immers geoordeeld dat niet alleen het bewust inzetten van de humanitaire situatie als oorlogstactiek relevant is in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, maar alle humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het gewapende conflict. Door dit niet te onderkennen heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat er in Central Equatoria sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In aanvulling hierop geldt nog het volgende.
18. Eiser heeft in de aanvulling op de beroepsgronden gewezen op een groot aantal landenrapportages die grotendeels recenter zijn dan de landeninformatie waarop verweerder zich in de bijlage bij het verweerschrift heeft gebaseerd, en die bovendien een verontrustend beeld laten zien. Zo volgt uit het rapport ‘February 2026 Monthly Forecast’ van Security Council Report van 1 februari 2026 dat er sinds het begin van dit jaar in Zuid-Soedan sprake is van een sterk verslechterende politieke situatie en veiligheidssituatie. Het staakt-het-vuren wordt herhaaldelijk geschonden, wat leidt tot grootschalige gevechten tussen regeringstroepen en de oppositie, massale ontheemding en een toenemende humanitaire crisis. Het aantal geweldsincidenten tegen burgers, met dodelijke slachtoffers, ontvoeringen en seksueel geweld als gevolg, is fors toegenomen. Uit het rapport ‘Briefing on the situation in South Sudan’ van Amani Africa van 23 januari 2026 volgt ook dat het geweld geïntensiveerd en verspreid is, waardoor het aantal burgerdoden en de schade aan de essentiële infrastructuur is toegenomen. Hierdoor is de bij voorbaat al slechte humanitaire situatie nog slechter geworden. Het nieuwsbericht ‘Risk of Atrocities Looms in South Sudan Amidst Renewed Civil War’ van Human Rights Watch (HRW) van 27 januari 2026 bevestigt de toename in geweld, en het nieuwsbericht ‘South Sudan Needs Decisive African Union Action’ van HRW van 17 januari 2026 meldt dat er een klemmend beroep op de Afrikaanse Unie is gedaan om op te treden tegen de sterk verslechterende humanitaire situatie. Uit het rapport ‘Brief on Violence Affecting Civilians’ van UNMISS van september 2025 blijkt dat er in de periode tussen juli en september 2025 veel meer geweldsincidenten met dodelijke burgerslachtoffers hebben plaatsgevonden dan in 2024. Ook rapporteert UNMISS dat in deze periode het seksueel geweld is toegenomen en de bescherming van burgers ernstig is ondermijnd. Het rapport ‘Left behind in crisis: Escalating violence and healthcare collapse in South Sudan’ van Artsen Zonder Grenzen van december 2025 meldt dat honderdduizenden mensen ontheemd zijn geraakt en dat de toegang tot gezondheidszorg ernstig is verslechterd als gevolg van de scherpe toename van geweld.
19. Uit deze landeninformatie volgt een aanzienlijk slechter beeld van de intensiteit van het willekeurige geweld in Central Equatoria en het aantal burgerdoden en ontheemden als gevolg daarvan dan waarvan verweerder in de bijlage bij het verweerschrift is uitgegaan. Dit draagt verder bij aan het oordeel van de rechtbank dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er in Central Equatoria sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft hieraan in de aanvulling op het verweerschrift niet voorbij kunnen gaan door de nadruk te leggen op de situatie in andere deelstaten en op de aanwezigheid van geweld dat niet onder de definitie van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn valt. Dit laat namelijk onverlet dat de door eiser aangehaalde recente landeninformatie gedeeltelijk betrekking heeft op Central Equatoria en rapporteert over een significante toename van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn in die regio. Verweerder heeft dit ten onrechte niet onderkend.
De conclusie en de gevolgen
20. Het beroep is gegrond voor zover dit betrekking heeft op de motivering in het bestreden besluit, aangevuld in de verweerschriften en tijdens de zittingen, van het niveau van willekeurig geweld in Central Equatoria. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 vanPro de Awb en moet daarom worden vernietigd.
21. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten, of om op een andere manier zelf in de zaak te voorzien. Het ligt namelijk op de weg van verweerder om alsnog een deugdelijk gemotiveerde inschatting te maken van het niveau van willekeurig geweld in Central Equatoria. Voor zover verweerder niet het standpunt zal innemen dat in die regio sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, ligt het daarnaast op de weg van verweerder om opnieuw te beoordelen hoe het niveau van willekeurig geweld zich verhoudt tot de door eiser naar voren gebrachte en geloofwaardig geachte individuele elementen: zijn werkzaamheden als freelance tolk en journalist, zijn etniciteit als Nuer en het behoren tot de Chiengpuot-stam. Hierbij zal verweerder zich onder andere moeten uitlaten over de door eiser in de aanvullende beroepsgronden aangehaalde informatie van AI en de VN-Mensenrechtenraad over etnisch geweld en geweld tegen journalisten. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
22. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 3.269, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift, twee punten voor het verschijnen op de zittingen en een half punt voor het op verzoek van de rechtbank geven van schriftelijke inlichtingen met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep voor zover dit betrekking heeft op het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep voor het overige gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 14 februari 2025;
draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.269 (tweeëndertighonderdnegenenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter en voorzitter, en mr. M.L. Weerkamp en mr. W.H. Bel, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.