ECLI:NL:RBDHA:2026:17033

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/4101
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.1 Wmo 2015Art. 1.2.1 Wmo 2015Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 8 EVRMArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang op grond van Wmo 2015

Verzoekster en haar minderjarige kind vroegen om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 nadat zij dakloos werden gesteld door haar ex-partner. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af omdat verzoekster als voldoende zelfredzaam werd beschouwd en niet tot de doelgroep van de Wmo 2015 behoort.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college een zorgvuldig onderzoek had verricht naar de persoonlijke situatie van verzoekster en haar kind, waarbij diverse leefgebieden werden beoordeeld. Hoewel verzoekster stress ervaart en moeite heeft met het vinden van stabiel onderdak, is dit niet het gevolg van problemen bij het zich handhaven in de samenleving. De voorzieningenrechter vond dat verzoekster zelf in onderdak moet voorzien.

Ook de belangen van het minderjarige kind zijn meegewogen. Het college heeft volgens vaste rechtspraak en het IVRK voldoende rekening gehouden met deze belangen en een juiste afweging gemaakt tussen publieke belangen en de belangen van verzoekster en haar kind. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang wordt afgewezen omdat verzoekster voldoende zelfredzaam is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/4101

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. Y. Spijker),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. A. Salman Göleli).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college de aanvraag van verzoekster om opvang voor haar en haar minderjarig kind op grond van de Wmo 2015 [1] terecht heeft afgewezen. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom bezwaar ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft zich op 20 april 2026 bij het college gemeld voor opvang voor haar en haar minderjarig kind op grond van de Wmo 2015. Er is vervolgens ter plekke een onderzoek ingesteld naar de behoefte aan opvang. Bij besluit van 21 april 2026 heeft het college verzoekster meegedeeld dat uit dit onderzoek is gebleken dat zij voldoet aan de criteria om ten tijde van het onderzoek naar langdurige opvang tijdelijk toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang in Den Haag. Verzoekster en haar zoon krijgen daarom opvang in een hotel voor de duur van het onderzoek.
2.1.
De resultaten van het onderzoek heeft het college neergelegd in een advies van 12 mei 2026. Kort samengevat is naar aanleiding van het onderzoek het advies dat verzoekster geen Wmo-voorziening (opvang) krijgt.
2.2.
Bij het bestreden besluit van 12 mei 2026 heeft het college het verzoek om Wmo-opvang afgewezen. Verzoekster en haar zoon moeten daarom de tijdelijke opvang op 25 mei 2026 verlaten. Naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft het college toegezegd de opvang te zullen verlengen tot en met een dag na de uitspraak van de voorzieningenrechter, dus tot en met 3 juli 2026.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, R. Caicedo-Larrera als tolk en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoekster, geboren [geboortedatum 1] 1993, en haar kind ( [minderjarige] ), geboren [geboortedatum 2] 2017, hebben de [land] nationaliteit. Verzoekster is in [land] getrouwd voor de wet met haar thans ex-partner. Medio juni 2025 is zij samen met [minderjarige] naar Nederland gekomen om samen te wonen met haar ex-partner. De relatie verslechterde en op 17 april 2026 heeft haar ex-partner haar op straat gezet waardoor zij dakloos raakte. Verzoekster verbleef twee nachten bij een vriendin en op 20 april 2026 heeft zij zich gemeld bij het Daklozenloket van de gemeente Den Haag met het verzoek om tot de maatschappelijke opvang te worden toegelaten.
4. Het college heeft de aanvraag van verzoekster om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen. Het college acht verzoekster voldoende zelfredzaam. Zij behoort daarom niet tot de doelgroep van de Wmo 2015. Verzoekster dient zelf in onderdak voor haar en [minderjarige] te voorzien.
5. Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Zij wil met haar verzoek bereiken dat zij en [minderjarige] tot de maatschappelijke opvang worden toegelaten tot zij passende woonruimte hebben gevonden.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
6.1.
Verzoekster en [minderjarige] hebben geen vaste verblijfplaats. Momenteel verblijven zij in een hotel dat het college heeft geregeld. Dit verblijf eindigt op 3 juli 2026. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
7. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Zelfredzaamheid
8. Voor een recht op opvang is bepalend of verzoekster in staat is zich te handhaven in de samenleving. Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit de artikelen 1.2.1, aanhef en onder c, en artikel 2.3.5, vierde lid, van de Wmo 2015. Gelet op de hulpvraag van verzoekster houdt dat in dit geval concreet in dat beoordeeld moet worden of zij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en [minderjarige] te voorzien. Met andere woorden: verzoekster kan pas aanspraak maken op opvang als zij geen onderdak heeft door problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving.
8.1.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college op juiste gronden besloten dat verzoekster zelfredzaam is. Uit hetgeen in het Wmo-advies is opgesteld blijkt dat verzoekster met name beperkingen ervaart bij het vinden van een woning voor haar en [minderjarige] .
8.2.
Het college heeft deugdelijk onderzoek verricht naar de hulpvraag van verzoekster en [minderjarige] . Blijkens het advies van 12 mei 2026 is gekeken naar de persoonlijke situatie van verzoekster en [minderjarige] aan de hand van verschillende leefgebieden (financiën, werk&opleiding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, basale ADL, instrumentele ADL, sociaal netwerk, justitie, lichamelijke verzorging en sociaal-emotionele ondersteuning, opvang, scholing en ondersteuning bij het huishouden). Tijdens het intakegesprek op 20 april 2026 heeft verzoekster onder andere aangegeven dat zij het basis- en vervolgonderwijs gevolgd heeft in [land] , dat zij werkt als thuisondersteuner voor ongeveer 20 uur per week bij [stichting], dat zij altijd bij haar familie heeft gewoond in [land] , dat haar ex-partner een inschrijfadres heeft geregeld ( [adres] te [plaats] ) maar dat zij daar niet woont. Voor de opvoeding van [minderjarige] heeft zij geen ondersteuning nodig. [minderjarige] heeft wel moeite met emotieregulatie en het vermoeden is dat hij mogelijk een vorm van autisme heeft maar daarvoor wil zij nogmaals naar de huisarts voor een mogelijke doorverwijzing naar een specialist.
8.3.
Verzoekster heeft ook verteld veel stress te ervaren door de situatie waar zij nu inzit. Dai acht de voorzieningenrechter zonder meer begrijpelijk, dit betekent echter niet dat enkel daarom aanleiding is om te twijfelen aan haar doen- en regievermogen.
Ter zitting heeft verzoekster nog de taalbarrière genoemd en betoogt dat zij zonder hulp niet de juiste hulp en ondersteuning kan regelen voor haar zoon. Verzoekster heeft dit echter niet onderbouwd met stukken. Ter zitting is verder gebleken dat verzoekster inmiddels weer bij de huisarts is geweest met [minderjarige] . Dat er (nog) geen opvolging heeft plaatsgevonden daarna is onvoldoende om te oordelen dat verzoekster niet zelfredzaam is. Het feit dat verzoekster geen stabiel onderdak kan vinden is dan ook niet het gevolg van problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving.
8.4.
Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is niet gebleken. De voorzieningenrechter ziet in het Wmo-advies en de weergave van hetgeen is besproken met verzoekster geen aanleiding om te oordelen dat er op bepaalde punten veel meer doorgevraagd had moeten worden door de medewerker van het Daklozenloket ( [naam] ) of dat er contact opgenomen had moeten worden met Veilig Thuis en Rondom Jou. Dat niet expliciet in het onderzoek is genoemd dat verzoekster op 24 maart 2026 samen met een leerkracht van de school van [minderjarige] bij de politie is geweest en op 25 maart 2026 een melding is gemaakt bij Veilig thuis betekent niet dat reeds daarom het onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is. Daarbij komt dat in het Wmo-advies wel is benoemd dat verzoekster heeft verklaard dat sprake is van een slechte relatie met haar ex-partner, dat er veel spanning in huis was en dat zij op straat is gezet.
Verzoekster heeft verder nog opgemerkt dat, anders dan in het Wmo-advies is opgenomen, zij geen vast contract heeft maar een oproepcontract. Dit is echter niet een essentieel feit in de Wmo-beoordeling ten aanzien van de zelfredzaamheid, reeds gelet daarop kan niet geoordeeld worden dat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.
Belangen van het kind
9. Ondanks dat verzoekster niet tot de doelgroep van de maatschappelijke opvang behoort kunnen er toch redenen zijn om het college op te dragen haar tot die opvang toe te laten in verband met de zwaarwegende belangen van haar en [minderjarige] .
9.1.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat artikel 8 van Pro het EVRM geen recht op woonruimte garandeert. Het college is dus niet al op voorhand op die grond verplicht om verzoekster, ondanks haar zelfredzaamheid, opvang te bieden. Wel zal in zaken als deze moeten worden beoordeeld of met het bestreden besluit een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van verzoekster en [minderjarige] om toegelaten te worden tot die opvang en de publieke belangen die betrokken zijn bij het niet verstrekken van die opvang.
9.2.
Artikel 3 van Pro het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre dat het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van het IVRK rust op de overheid een verplichting om erop toe te zien dat de rechten en belangen van kinderen voldoende worden beschermd en geborgd. Die verplichting neemt niet weg dat het uitgangspunt is dat ouders de primaire verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot het welzijn van kinderen, zie artikel 27, tweede lid, van het IVRK. Aan de verplichtingen uit het IVRK is voldaan, omdat de overheid voorziet in een opvangregeling voor gezinnen met minderjarige kinderen die in nood verkeren: de Wmo. Dat betekent niet dat elk gezin met minderjarige kinderen hiervan gebruik kan maken. Het is toegestaan om op grond van publieke belangen (de besteding van publieke middelen en het beschikbaar houden van voldoende opvang voor kwetsbare, niet zelfredzame gezinnen) beperkingen te stellen aan het recht op toegang tot sociale voorzieningen.
9.3
Anders dan verzoekster heeft aangevoerd, volgt uit het Wmo-advies dat het college zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van [minderjarige] als hiervoor bedoeld en deze belangen uitgebreid heeft meegewogen. Daarbij is gekeken naar de veiligheid, stabiliteit, gezondheid, onderwijscontinuïteit en ontwikkeling. De door verzoekster genoemde sociaal-emotionele problemen, het krassen op deuren en muren, het bijten op de handen en het vermoeden van autisme zijn genoemd in het advies. Van ernstige medische klachten bij [minderjarige] is echter niet gebleken. Verzoekster heeft juist aangegeven dat [minderjarige] beter sliep en rustiger is geworden omdat zij weg zijn gegaan bij de ex-partner. Daarnaast heeft verzoekster altijd zelf voor [minderjarige] gezorgd en doet dit nog steeds. Hij gaat ook nog steeds naar school. De belangen van [minderjarige] zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht anders te beslissen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in dit geval op een juiste manier de afweging gemaakt tussen de publieke belangen en de belangen van [minderjarige] met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van verzoekster waarbij, wederom, van belang is dat zij zelfredzaam te achten is.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster en [minderjarige] niet worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wmo 2015 = Wet maatschappelijke ondersteuning 2015