Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17037

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL25.50781
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31, zesde lid, onder c, Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag afgewezen wegens onvoldoende beoordeling vrees voor Taliban

Eiser, afkomstig uit Afghanistan, vroeg asiel aan vanwege een bloedvete binnen zijn familie en zijn vrees voor het Talibanregime. Verweerder wees de aanvraag af, omdat hij de bloedvete niet aannemelijk achtte en de vrees voor vervolging door de Taliban onvoldoende onderbouwd vond. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser, zoals zijn analfabetisme en jeugdige leeftijd bij het ontstaan van de vete.

De rechtbank stelt dat verweerder ten onrechte eisers politieke en religieuze overtuigingen niet adequaat heeft meegewogen, waaronder zijn afwijzing van de Talibanregels en zijn liberale islamopvatting. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom eiser zich zou kunnen aanpassen aan het Talibanregime ondanks zijn langdurig verblijf in Pakistan.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50781

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. C. Hansum)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weyden).

Samenvatting

1. Eiser komt uit Afghanistan. Hij heeft om asiel gevraagd. Hij stelt dat hij als kind vanuit Afghanistan naar Pakistan is gevlucht vanwege een bloedvete. Hij vreest nog steeds voor de neven van zijn vader. Daarnaast wil eiser niet leven onder het regime van de Taliban.
1.1.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen. Verweerder gelooft eisers problemen met de neven van zijn vader niet. Eisers problemen met de opgelegde leefregels van de Taliban gelooft verweerder wel, maar volgens verweerder heeft eiser hiermee niet aannemelijk gemaakt dat hij vreest voor vervolging. Ook vindt verweerder deze gestelde problemen niet zwaarwegend genoeg om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
1.2.
Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal argumenten aan. Dit zijn de beroepsgronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder eisers asielaanvraag mocht afwijzen.
1.3.
De rechtbank oordeelt dat verweerder eisers vrees voor de Taliban niet zorgvuldig genoeg heeft beoordeeld. Daarom is het beroep van eiser gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt.
1.4.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 9 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 5 maart 2026 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, H. Neazi als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 2002. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Op zesjarige leeftijd is eiser met zijn ouders en broer naar Pakistan gevlucht wegens een familieconflict om land. Hierbij is eisers oom vermoord. In 2013 is eiser door een andere oom geïnformeerd over dit conflict. Het conflict is niet opgelost. Eiser vreest dat de neven van zijn vader hem zullen vermoorden als hij terugkeert naar Afghanistan. Zijn broer is na terugkomst in Afghanistan vermist geraakt en dat hangt mogelijk samen met de vete. Daarnaast wil eiser niet leven onder het regime van de Taliban.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder bestaat eisers relaas uit de volgende asielmotieven:
Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst
Eisers problemen met de neven van zijn vader
Eisers problemen vanwege de opgelegde leefregels door de Taliban
4.1.
Verweerder gelooft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. De problemen met de neven van eisers vader gelooft verweerder echter niet. Eisers verklaringen hierover vindt verweerder niet samenhangend en aannemelijk. Eiser verklaart vaag over de bloedvete die binnen zijn familie zou spelen. Daarnaast is het ongerijmd dat eiser geen onderzoek heeft gedaan naar de bloedvete binnen zijn familie, te meer omdat hij in 2020 voor korte tijd in Afghanistan was. Ook is eisers stelling dat zijn broer mogelijk het slachtoffer is geworden van de bloedvete enkel gebaseerd op speculaties. Daarbij is het vaag dat eiser niet concreet kan verklaren voor wie hij precies vreest. Bovendien is eiser zelf nooit persoonlijk bedreigd of benaderd door de neven van zijn vader. Om deze redenen voldoet eiser niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw [1] .
4.2.
Verweerder gelooft eisers problemen met de opgelegde leefregels door de Taliban, maar verweerder vindt dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vreest voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. [2] Ook vindt verweerder deze problemen niet zwaarwegend genoeg om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Verweerder verwijst naar paragraaf C7/2 van de Vc [4] , waaruit volgt dat eiser op basis van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet behoort tot een risicoprofiel in Afghanistan. Daarnaast is eiser in het verleden niet blootgesteld aan vervolging of ernstige schade wegens het feit dat hij zich niet aan de gestelde leefregels wilde houden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zich kan aanpassen om niet in de negatieve belangstelling van de Taliban te raken. Eiser heeft immers eerder in Pakistan gewoond. Dit is ook een overwegend islamitisch land waar ook een grote sociale druk is op het goed naleven van de islam. Eisers stelling dat hij niet wil dat zijn toekomstige dochters onder het juk van de Taliban opgroeien, is dusdanig toekomstig gericht dat verweerder dit niet meeneemt in de toetsing van eisers vrees. Eiser heeft immers nog geen partner of kinderen.
4.3.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft verweerder een terugkeerbesluit aan eiser uitgevaardigd. Eiser moet Nederland binnen vier weken verlaten.
Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader?
5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader, zowel tijdens het nader gehoor als in de besluitvorming. Verweerder had in dit kader niet van eiser mogen verlangen dat hij nader onderzoek zou doen naar de bloedvete binnen zijn familie en dat hij hierover aanvullende informatie zou verstrekken. Eiser is analfabeet, wat met zich brengt dat hij afhankelijk is van mondelinge overdracht van informatie en dat hij minder goed in staat is deze informatie zelfstandig te controleren of nadere informatie te verkrijgen. Daar komt bij dat eiser ten tijde van het incident nog een kind was en zelf geen directe waarnemer van de moord op zijn oom is geweest. Ook de oom van wie eiser meer informatie heeft gekregen, was geen directe getuige. Daarnaast werd eiser in 2020 vanuit Pakistan gedwongen uitgezet naar Afghanistan. Eenmaal terug in Afghanistan moest hij voorzichtig doen. In Afghanistan heeft hij bovendien geen sociaal netwerk. Ook daarom kon hij toen geen nader onderzoek doen naar de bloedvete. In het kader van de samenwerkingsplicht op grond van artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn [5] had verweerder zich actief moeten inspannen om samen met eiser alle relevante feiten en omstandigheden in kaart te brengen. Dat heeft verweerder niet gedaan.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het redelijk is om van eiser meer informatie te verwachten. Ook wanneer eisers kennis over de bloedvete uitsluitend indirect via zijn oom is verkregen, kan van eiser worden verwacht dat hij de hoofdlijnen zo concreet mogelijk beschrijft. De aan eiser gestelde vragen over dit onderwerp waren niet complex van aard en hadden betrekking op zijn dagelijks leven. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat het onlogisch is dat eiser geen onderzoek heeft gedaan naar de bloedvete in zijn familie, juist omdat zijn broer wordt vermist en mogelijk slachtoffer is van dit conflict. Het feit dat het lastig is om zonder sociaal netwerk onderzoek hiernaar te doen, doet niet af aan het feit dat eiser dit totaal niet heeft geprobeerd. Het is begrijpelijk dat eiser niet alles weet omdat hij dit heeft vernomen op 11-jarige leeftijd en omdat hij analfabeet is. Desalniettemin mag van hem worden verwacht dat hij coherent en gedetailleerd kan verklaren over een kwestie die over leven of dood gaat en de grondslag voor zijn asielaanvraag vormt. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers verklaringen in het kader van de samenwerkingsplicht uitgebreid zijn gewogen en beoordeeld. De samenwerkingsplicht gaat echter niet zo ver dat de verantwoordelijkheid voor het naar voren brengen van het asielrelaas bij verweerder komt te liggen.
7. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat van eiser mocht worden verwacht dat hij zelf onderzoek zou doen naar de bloedvete. Juist omdat dit een belangrijke reden is die eiser heeft aangevoerd voor zijn standpunt dat hij niet naar Afghanistan terug kan gaan. Dat hij analfabeet is en geen netwerk heeft in Afghanistan, betekent niet dat niet van hem kan worden verwacht dat hij onderzoek naar de vete zou doen. Dit geldt te meer omdat de problemen zich bijna 20 jaar geleden hebben voorgedaan. Het zou logisch zijn dat hij na zo’n lange tijd zou hebben onderzocht of de vete voor hem nog tot problemen zou leiden. Ook mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat eisers stelling over het lot van zijn broer enkel is gebaseerd op vermoedens. Bovendien mocht verweerder bij zijn besluit betrekken dat eiser zelf nooit persoonlijk is bedreigd of benaderd door de neven van zijn vader. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze standpunten voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader. Ook tijdens het nader gehoor heeft verweerder hiermee rekening gehouden, door nadere vragen te stellen over de bloedvete en door deze vragen simpel te houden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet meer hoeven vragen.
7.1.
Verweerder mocht zich echter niet op het standpunt stellen dat eiser gedetailleerd over de bloedvete moet kunnen verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met dit standpunt onvoldoende rekening gehouden met het feit dat eiser pas 11 jaar was toen hij van de bloedvete kennis nam en met het feit dat eiser analfabeet is. Ook is het een feit dat hij op zesjarige leeftijd naar Pakistan is vertrokken en dat zijn ouders niet lang daarna zijn overleden. Hij had dus geen gelegenheid om op oudere leeftijd navraag naar de vete bij hen te doen. De rechtbank oordeelt daarom dat het bestreden besluit een gebrek bevat.
7.2.
Wel is de rechtbank van oordeel dat er, gezien hetgeen overwogen onder 7, voldoende blijft staan voor verweerder om sub c van artikel 31, zesde lid, van de Vw tegen te werpen. Om deze reden passeert de rechtbank het gebrek, met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb [6] . Verweerder mocht daarom dit asielmotief ongeloofwaardig achten.
Heeft verweerder eisers vrees voor de Taliban zorgvuldig beoordeeld?
8. Eiser voert aan dat verweerder niet mocht concluderen dat eiser zich bij terugkeer naar Afghanistan kan aanpassen aan de regels van de Taliban. Tijdens het nader gehoor heeft eiser duidelijk verklaard dat hij gewetensbezwaren heeft tegen deze regels. De hoorambtenaar heeft ten onrechte geen nadere vragen hierover gesteld. Verweerders standpunt dat eisers vrees voor de restricties jegens zijn toekomstige dochters enkel een toekomstige vrees is, vindt eiser te kort door de bocht. Eisers overtuiging dat vrouwen onderwijs moeten kunnen volgen, gaat immers niet alleen over zijn toekomstige dochters, maar over alle vrouwen. Ook voert eiser aan dat hij voor de Taliban vreest omdat hij terugkeert vanuit het Westen. Bovendien heeft eiser het grootste deel van zijn leven niet in Afghanistan gewoond. Hij is niet bekend met de daar geldende cultuur en gebruiken. Hij heeft nooit onder het huidige Talibanregime geleefd. Ook heeft hij geen sociaal netwerk in Afghanistan. Eiser beroept zich op het Country Guidance-rapport over Afghanistan van de EUAA [7] van januari 2026, waaruit volgt dat het hebben van een sociaal netwerk vitaal is voor terugkeerders om te integreren en om een baan te krijgen. Al deze omstandigheden vergroten eisers kwetsbaarheid bij terugkeer vanuit het Westen. In dit kader beroept eiser zich op het arrest D.M. tegen Zweden van het EHRM. [8] Volgens eiser bevestigt dit arrest dat verweerder eisers individuele omstandigheden in onderlinge samenhang moet beoordelen. Verweerder heeft dit ten onrechte niet gedaan.
9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft onderbouwd waarom hij zich niet kan conformeren aan de leefregels van de Taliban. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, niet alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Verweerder verwijst hierbij naar drie Afdelingsuitspraken uit 2024. [9] Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken waarom juist hij, gelet op het samenstel van zijn individuele omstandigheden, problemen zal krijgen en waaruit die problemen zullen bestaan. Volgens verweerder heeft eiser niet onderbouwd waarom specifiek hij problemen zou ondervinden als terugkeerder uit het Westen. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Afghanistan van juni 2023 blijkt dat eisers sociaal-economische situatie niet wezenlijk verschilt van die van andere Afghanen die terugkeren. Afghanen krijgen steun van organisaties zoals de UNHCR. [10] Hoewel het EUAA-rapport benadrukt dat een sociaal netwerk belangrijk is voor toegang tot bijvoorbeeld huisvesting en andere voorzieningen, betekent dit niet dat terugkeer zonder netwerk onmogelijk is.
10. De rechtbank volgt eiser. Daarom slaagt de beroepsgrond. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
10.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 april 2026 [11] overwogen dat haar uitspraken van 20 november 2024, waar verweerder in deze zaak naar verwijst, nog steeds van toepassing zijn. In die uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij op basis van individuele gronden een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Afghanistan. In het arrest D.M. tegen Zweden heeft het EHRM een aantal factoren benoemd die een risico op ernstige schade bij terugkeer vanuit het Westen reëel kunnen maken. Voorbeelden van risicofactoren zijn een afwending van de islam en een bewondering voor het christendom, het behoren tot de etnische groep Hazara en het hebben van bepaalde dialecten. Ook is in dit arrest overwogen dat een verdenking van activiteiten in Westen al genoeg kan zijn om de negatieve aandacht te trekken van de Taliban. In het arrest S.A. van het HvJEU [12] is overwogen dat de autoriteiten van een lidstaat bij de beoordeling van de vrees voor vervolging wegens een politieke overtuiging moeten onderzoeken in hoeverre sprake is van een politieke overtuiging die voor de vreemdeling van wezenlijk belang is en waarvan het niet kunnen uiten ervan een ernstige inbreuk op zijn identiteit betekent.
10.2.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de risicofactoren zoals benoemd in het arrest D.M. tegen Zweden niet allemaal van toepassing zijn op eiser. Dit betekent echter niet dat eiser dus geen reëel risico op ernstige schade loopt als hij terugkeert naar Afghanistan. Eiser heeft een aantal individuele omstandigheden aangevoerd die verweerder in onderlinge samenhang moet beoordelen. In dit kader oordeelt de rechtbank dat verweerder eisers verklaringen over zijn toekomstige dochters ten onrechte niet heeft meegenomen in de toetsing van eisers vrees. Uit eisers verklaringen blijkt immers dat eisers overtuiging niet enkel ziet op zijn toekomstige dochters, maar op alle vrouwen. Dit duidt op een bepaalde politieke overtuiging die eiser in de problemen kan doen raken met de Taliban. Verweerder is hier ten onrechte niet op ingegaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bovendien toegegeven dat verweerders standpunt in het bestreden besluit op dit punt niet afdoende is.
10.3.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat verweerder zich niet zonder meer op het standpunt kon stellen dat eiser zich kan aanpassen aan de leefregels van de Taliban omdat hij al eerder langdurig in een islamitisch land heeft geleefd. Tijdens het nader gehoor heeft eiser immers met het geven van voorbeelden verklaard dat hij in Pakistan veel vrijer was dan in Afghanistan. [13] Hij heeft zijn standpunt dat hij in Pakistan vrijer kon leven, dus onderbouwd. Uit het dossier lijkt zelfs te volgen dat eiser een vriendin had in Pakistan, hetgeen niet in overeenstemming lijkt met de leefregels van de Taliban. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bovendien erkend dat het leven in Pakistan vrijer is dan in Afghanistan. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan verweerder om met landeninformatie te onderbouwen dat de situatie in Pakistan vergelijkbaar is met die in Afghanistan.
10.4.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat politieke overtuigingen en de beleving van de islam in Afghanistan sterk samenhangen. Uit eisers verklaringen blijkt dat hij een politieke overtuiging heeft die afwijkt van die van de Taliban. [14] Ook blijkt uit eisers verklaringen dat hij een meer liberale opvatting van de islam heeft dan de Taliban. [15] De rechtbank oordeelt in het licht van het arrest S.A. dat verweerder ten onrechte niet heeft onderbouwd hoe geworteld eisers politieke overtuiging is en of het niet kunnen uiten van deze overtuiging een ernstige inbreuk op zijn identiteit betekent. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder ook had moeten onderbouwen of de regels van de Taliban met betrekking tot de islam een ernstige inbreuk vormen op eisers religieuze identiteit. Uit het begrip ‘godsdienst’ op grond van artikel 10, eerste lid, onder b, van de Kwalificatierichtlijn [16] volgt immers dat het recht op godsdienstvrijheid niet alleen het recht omvat om uiting te geven aan een bepaalde godsdienstige overtuiging [17] , maar ook om daaraan juist geen uiting te geven en zich niet te conformeren aan bepaalde religieuze voorschriften.
10.5.
Het bestreden besluit bevat aldus een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. Verweerder moet een nieuw besluit nemen en daarbij betrekken hoe eiser op dit moment zijn politieke- en geloofsopvattingen uit en betrekt in zijn dagelijks leven.
Heeft verweerder de ontwikkelingen tussen Pakistan en Afghanistan voldoende betrokken bij zijn beoordeling?
11. Eiser voert aan dat de relatie tussen Pakistan en Afghanistan de afgelopen jaren aanzienlijk is verslechterd. Dit is van invloed op de humanitaire situatie van mensen die langere tijd in Pakistan hebben verbleven en nadien terugkeren naar Afghanistan. Verweerder heeft deze ontwikkeling onvoldoende betrokken bij zijn beoordeling. Verweerder mocht in dit kader niet volstaan met de enkele stelling dat deze ontwikkelingen niet aantonen dat er een direct of indirect verband bestaat met de situatie van eiser. Verweerder had moeten uitleggen welke recente ontwikkelingen zijn betrokken en waarom deze volgens hem geen invloed hebben op de situatie van eiser. Op dit moment is het niet inzichtelijk hoe verweerder tot zijn conclusie is gekomen.
12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er wel degelijk rekening is gehouden met de meest recente ontwikkelingen in de relatie tussen Afghanistan en Pakistan. Deze ontwikkelingen op zichzelf tonen echter niet aan dat er een direct of indirect verband bestaat met eisers situatie.
13. De rechtbank volgt verweerders standpunt. Het is aan eiser om met stukken te onderbouwen waarom hij vanwege zijn lange verblijf in Pakistan extra risico loopt door deze ontwikkelingen. Dit heeft eiser niet gedaan. Om deze reden hoefde verweerder zijn standpunt niet nader te onderbouwen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van Pro de Awb en met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van Pro de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
14.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken, tenzij een aanvullend gehoor nodig is. In dat geval geeft de rechtbank verweerder twaalf weken.
14.2.
Het beroep is dus gegrond en daarom krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken of, indien een aanvullend gehoor nodig is, binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Vreemdelingencirculaire 2000.
5.Richtlijn 2011/95/EU.
6.Algemene wet bestuursrecht.
7.European Union Agency for Asylum.
8.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 26 maart 2026, ECLI:CE:ECHR:2026:0326JUD003269423.
9.Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4649, ECLI:NL:RVS:2024:4648 en ECLI:NL:RVS:2024:4647.
10.United Nations High Commissioner for Refugees, ofwel de United Nations Refugee Agency.
12.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688.
13.Zie pagina’s 14 tot en met 16 van het verslag van het nader gehoor.
14.Zie pagina’s 14 tot en met 16 van het verslag van het nader gehoor.
15.Idem.
16.Richtlijn 2011/95/EU.
17.Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 september 2012, ECLI:EU:C:2012:518.