ECLI:NL:RBDHA:2026:17042

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL25.2885
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S.A.J. de Jong - Nibourg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Gülenaanhanger wegens onvoldoende motivering en duiding risicoprofiel

Eiseres, een Turkse nationaliteit met banden aan de Gülenbeweging, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister wees eiseres aan als behorend tot een risicoprofiel, maar vond dat zij onvoldoende persoonlijke vrees aannemelijk had gemaakt.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende betekenis heeft toegekend aan het risicoprofiel en de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije. Het beleid geeft onvoldoende duiding over de gevolgen van het risicoprofiel voor de beoordeling van asielaanvragen, waardoor het beleid zinledig en onduidelijk is.

Gezien de achtergrond van eiseres en de vervolging van haar familieleden concludeert de rechtbank dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2885

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y.G.F.M. Coenders),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S. Hendriks).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft de minister ambtshalve besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en dat geen uitstel van vertrek om medische redenen wordt verleend. Verder heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.
1.1
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, G. Dogruyol als tolk (tolkennummer 1102) en de gemachtigde van de minister. Aansluitend op de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Wat oordeelt de rechtbank?
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1
De rechtbank verklaart het beroep gegrond omdat de minister het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. In dit besluit heeft de minister namelijk onvoldoende betekenis toegekend aan het feit dat eiseres als Gülenaanhanger behoort tot een risicoprofiel en zich daarmee ook onvoldoende rekenschap gegeven van de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister door te volstaan met het aanmerken van (toegedichte) Gülenaanhangers als risicoprofiel, gegeven de veiligheidssituatie en positie van Gülenisten, te weinig duiding en invulling heeft gegeven aan het begrip ‘risicoprofiel’ in het door hem gevoerde gebonden landenbeleid inzake Turkije. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiseres, geboren op [geboortedag] 2001 en van Turkse nationaliteit, heeft op 20 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend en legt hieraan het volgende ten grondslag.
3.1
Eiseres is opgegroeid in een gezin dat actief was binnen de (in Turkije verboden) Gülenbeweging en heeft op onderwijsinstellingen gezeten die zijn gelinkt aan deze beweging. Daarnaast heeft eiseres deelgenomen aan activiteiten die door de Gülenbeweging werden georganiseerd. In 2018 is de zus van eiseres, [naam] , door de Turkse autoriteiten ten onrechte in staat van beschuldiging gesteld en in verzekering gesteld omdat ze de door de autoriteiten verboden app Bylock op haar telefoon zou hebben gebruikt. Ondanks dat [naam] de telefoon niet zelf had gebruikt is zij in tweede instantie op 27 maart 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en drie maanden. Omdat [naam] had verklaard dat zij haar telefoon aan haar zus had gegeven, is ook eiseres opgeroepen door de rechtbank. Eiseres is daarop bij de rechtbank als getuige gehoord, waarna bleek dat de persoonsgegevens van eiseres waren verwisseld met die van haar andere zus [naam] . Tegen [naam] is vervolgens op 13 februari 2019 een bevel tot aanhouding uitgevaardigd op basis van de registratie van gesprekken op Bylock. Ook had een huisgenoot van [naam] een belastende verklaring tegen haar afgelegd. In 2020 heeft [naam] in Nederland asiel aangevraagd en gekregen. Eiseres heeft Turkije in april 2023 verlaten en is met behulp van een visum naar Nederland gereisd. Omdat in maart 2023 de straf van haar zus [naam] was bevestigd en de nieuwsberichten uit Turkije over willekeurige arrestaties van Gülenisten steeds negatiever werden, heeft eiseres in Nederland na het verstrijken van haar visum een asielaanvraag ingediend.
3.2
Eiseres heeft verklaard dat zij bang is dat ze bij terugkeer naar Turkije – net als haar zussen – wordt gearresteerd vanwege haar bij de autoriteiten bekende banden met de Gülenbeweging. Volgens eiseres blijkt ook dat ze vanwege die banden gevaar loopt omdat de Turkse autoriteiten nog steeds Gülenisten arresteren zonder enige grond. Eiseres wijst erop dat de Turkse inlichtingendienst gegevens van Bylock heeft gemanipuleerd en dat het Europees Hof van de Rechten van de Mens heeft vastgesteld dat Turkije daarmee de mensenrechten heeft geschonden. Desondanks gaan de autoriteiten volgens eiseres gewoon door met het onrechtmatig vastzetten van mensen. Verder heeft eiseres verklaard dat haar oom in voorarrest heeft gezeten. De autoriteiten hebben toen gedreigd dat ook zijn gezin zou worden opgepakt. Daarnaast is ook een vriendin van eiseres van de universiteit, [naam] , in Turkije gearresteerd in verband met activiteiten voor de Gülenbeweging. Eiseres was toen al in Nederland. Deze vriendin kwam in Turkije ook bij eiseres thuis en is daarna gearresteerd, mogelijk omdat de autoriteiten denken dat sprake is van hergroepering van de Gülenbeweging.
De besluitvorming
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • betrokkenheid bij de Gülenbeweging.
4.1
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Daarnaast acht de minister ook de betrokkenheid van eiseres bij de Gülenbeweging geloofwaardig, evenals dat de zussen van eiseres in de negatieve belangstelling staan van de Turkse autoriteiten vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Eiseres is volgens de minister evenwel niet erin geslaagd om haar eigen vrees bij terugkeer aannemelijk te maken op basis van individuele omstandigheden. Eiseres komt daarom volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.
4.2
Omdat eiseres niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was en niet is gebleken van een verschoonbare reden voor het niet onverwijld melden, heeft de minister de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het standpunt van eiseres
5. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartegen beroep ingesteld en beroepsgronden geformuleerd. Op deze beroepsgronden wordt hierna ingegaan.
Het oordeel van de rechtbank
De omvang van het geding
6. Eiseres heeft in haar beroepsgronden van 30 januari 2025 aangevoerd dat de beleidswijzigingen van 1 december 2023 (WBV 2023/24) en 1 juli 2024 (WBV 2024/12) ten onrechte op haar zaak zijn toegepast omdat de wettelijke beslistermijn in haar zaak was verstreken op het moment dat het beleid werd gewijzigd. Ter zitting heeft eiseres deze beroepsgrond laten vallen, zodat deze geen nadere bespreking behoeft.
6.1.
Dit betekent dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat op de zaak van eiseres het beleid moet worden toegepast zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Het bestreden besluit dateert van 16 januari 2025 en op dat moment was ten aanzien van Turkije het landgebonden asielbeleid van toepassing zoals neergelegd in paragraaf C7/34.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
Het beleid met ingang van 1 juli 2024
7. De minister heeft in het bestreden besluit gesteld dat eiseres als Gülenaanhanger behoort tot een risicoprofiel onder paragraaf C2/2.4 van de Vc 2000. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat door middel van WBV 2024/12 de Vc 2000 is aangepast en het nieuwe risicoprofielenbeleid in werking getreden. Het gevolg hiervan is dat de minister niet langer beoordeelt of sprake is van geringe of beperkte indicaties die de vrees bij terugkeer aannemelijk zouden maken. Volgens het nieuwe beleid wordt beoordeeld of er feiten en omstandigheden bestaan die op eiseres persoonlijk zien, waardoor een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade kan worden aangenomen. Dit betekent dat ondanks dat eiseres als (toegedicht) Gülenaanhanger valt onder een risicoprofiel het volgens de minister aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij persoonlijk ook daadwerkelijk een risico loopt bij terugkeer. Volgens de minister is eiseres daarin niet geslaagd. In dat kader werpt de minister aan eiseres tegen dat zij zelf geen persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege het zijn van Gülenist en ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij persoonlijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat of zal komen te staan. In zoverre heeft eiseres haar vrees volgens de minister onvoldoende geïndividualiseerd.
7.1.
Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat deze aanwijzing als risicoprofiel een lege huls is en niet meer is dan een uitroepteken voor de beslisambtenaar, aangezien de bewijslast voor eiseres als Gülenaanhanger niet anders is dan voor elke andere asielzoeker uit Turkije. Voor beide categorieën geldt immers het individualiseringsvereiste, dat wil zeggen dat de asielzoeker zijn gestelde vrees aannemelijk moet maken op basis van individuele omstandigheden. Aangenomen moet echter worden dat de minister ten aanzien van Gülenisten eerder tot vluchtelingschap dient te concluderen, gelet op dat wat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 25 maart 2026. [1] Eiseres wijst erop dat in die uitspraak is overwogen dat de minister bij de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten rekening moet houden met de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije, zoals beschreven in de ambtsberichten. [2] De minister moet deze betrekken bij zijn oordeel of dat wat een Gülenist naar voren heeft gebracht, voldoende is om tot vluchtelingschap te concluderen. Eiseres betoogt dat op geen enkele manier uit het bestreden besluit blijkt dat de minister rekening heeft gehouden met deze zorgelijke mensenrechtensituatie. Dit klemt volgens eiseres te meer omdat haar twee zussen, zoals door de minister ook niet is bestreden, allebei worden vervolgd door de Turkse autoriteiten voor lidmaatschap van de FETÖ en ook haar vriendin is opgepakt vanwege lidmaatschap van de FETÖ. Deze associaties leveren volgens eiseres indicaties op op grond waarvan dient te worden aangenomen dat ook zij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees voor vervolging heeft.
7.2.
De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat noch uit het landgebonden asielbeleid voor Turkije zoals neergelegd in paragraaf C7/34.3.2 van de Vc 2000 (gelezen in samenhang met het risicoprofielenbeleid zoals neergelegd in paragraaf C2/2.4 van de Vc 2000), noch uit het bestreden besluit blijkt welke betekenis toekomt aan het aanmerken van (toegedichte) Gülenaanhangers als risicoprofiel en welke gevolgen dit heeft voor de beoordeling van asielaanvragen van (toegedichte) Gülenaanhangers, zoals eiseres.
7.3.
Zo vermeldt het landgebonden asielbeleid voor Turkije uitsluitend dat de minister voor Turkije (toegedichte) Gülenaanhangers aanwijst als risicoprofiel, zonder daarbij toe te lichten welke betekenis toekomt aan deze aanwijzing. Ook het algemene risicoprofielenbeleid zoals neergelegd in paragraaf C2/2.4 van de Vc 2000 maakt dit onvoldoende duidelijk. Weliswaar heeft de minister in de eerste twee alinea’s van dit risicoprofielenbeleid vermeld wanneer hij een groep als risicoprofiel kan aanwijzen en welke elementen daarbij worden betrokken, maar tegelijkertijd leidt de rechtbank uit het beleid af dat de beoordeling van het risico bij terugkeer van iemand die behoort tot een risicoprofiel zich niet onderscheidt van de beoordeling van het risico bij terugkeer van iemand die niet behoort tot een risicoprofiel. In beide gevallen geldt immers het individualiseringsvereiste, geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling en beoordeelt de minister op basis van individuele factoren of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Met het behoren tot een risicoprofiel heeft de vreemdeling dus geen andere uitgangspositie dan een vreemdeling uit hetzelfde land die niet tot dat risicoprofiel behoort.
7.4.
Uit de laatste twee alinea’s van het algemene risicoprofielenbeleid in paragraaf C2/2.4 blijkt evenmin welke betekenis toekomt aan de aanwijzing van een groep als risicoprofiel en wat het bij de beoordeling van het risico bij terugkeer voor verschil maakt of iemand wel of niet behoort tot een groep die is aangemerkt als risicoprofiel. Weliswaar vermeldt de laatste alinea van het beleid dat, als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, de IND de individuele omstandigheden van het geval beoordeelt afgezet tegen de positie van de groep en algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook dit vormt geen duidelijk onderscheidende beoordeling ten opzichte van de beoordeling van iemand die niet binnen een risicoprofiel valt. In beide gevallen geldt immers dat aan de hand van de individuele omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen wordt beoordeeld of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt of heeft gelopen. Het is en blijft daarmee onduidelijk waarin het verschil in de beoordeling zit wanneer iemand wel of niet behoort tot een groep die is aangewezen als risicoprofiel, terwijl de (voorganger van de) minister impliceert dat dat verschil er wel is. In de brief van de (toenmalig) Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 5 maart 2024, over onder meer het herzien van het groepenbeleid, licht deze namelijk toe dat de kwalificatie als risicoprofiel evenwel moet worden gezien als een “uitroepteken” waarmee wordt aangegeven dat een bepaald profiel in algemene zin een bepaalde mate van risico kan lopen in een bepaald land van herkomst. Verder vermeldt de brief van 5 maart 2024 dat de positie van een groep waartoe een vreemdeling behoort en het risico dat leden van deze groep lopen in het land van herkomst dienen te worden betrokken bij de beoordeling van het risico bij terugkeer. Hoe kwetsbaarder de positie van de groep waartoe de vreemdeling behoort, des te eerder heeft de vreemdeling, gelet op zijn individuele feiten en omstandigheden bij terugkeer naar het land van herkomst, een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade. De algemene en individuele omstandigheden werken als communicerende vaten. [3]
7.5.
Het beeld dat de minister daarmee richting de buitenwereld schetst met het begrip “risicoprofiel” en de verwachtingen die hij daarmee wekt als het gaat om zijn beoordeling van asielaanvragen, verdraagt zich niet met de constatering dat het voor de beoordeling van het risico bij terugkeer in feite geen verschil maakt of iemand wel of niet behoort tot een groep die is aangewezen als risicoprofiel. Het is evenwel aan de minister om aan de betekenis en gevolgen hiervan voor de uitvoeringspraktijk verdere duiding en/of invulling te geven in het (landgebonden) asielbeleid, omdat anders sprake is van zinledig beleid dat bovendien kan leiden tot onduidelijkheid in de uitvoeringspraktijk, waarmee ook de rechtszekerheid in het geding komt. De rechtbank wijst in dit kader op de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2022, waarin de Afdeling tot een vergelijkbaar oordeel kwam ten aanzien van het begrip ‘verhoogde aandacht’. [4]
7.6.
Door in het landgebonden asielbeleid te volstaan met het aanmerken van (toegedichte) Gülenaanhangers als risicoprofiel geeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duiding aan de veiligheidssituatie en positie van Gülenisten in Turkije, alleen al omdat de minister daarmee niet duidelijk maakt van welke mate van kwetsbaarheid hij bij de positie van Gülenaanhangers in Turkije uitgaat. Dit terwijl de (voorganger van de) minister in voornoemde brief van 5 maart 2024 zelf benoemt dat (1) met de positie van de groep waartoe de vreemdeling behoort en het risico dat leden van deze groep lopen rekening moet worden gehouden en dat (2) de mate van kwetsbaarheid van invloed is op het bereiken van de lat om vrees voor vervolging of ernstige schade aannemelijk te achten. In zoverre mist in het landgebonden asielbeleid voor Turkije zoals neergelegd in paragraaf C7/34.3.2 van de Vc 2000 gelezen in samenhang met het risicoprofielenbeleid zoals neergelegd in paragraaf C2/2.4 van de Vc 2000 voldoende duiding van de veiligheidssituatie én de positie van (toegedichte) Gülenisten in Turkije.
7.7.
Bij wat is overwogen in rechtsoverweging 7.6 acht de rechtbank tevens van belang dat de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije – ook blijkens het algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 – nog steeds wordt gekenmerkt door een willekeurige aard van vervolging van (toegedichte) Gülenisten en een situatie waarbij mensen relatief makkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Hoewel de Afdeling in eerdergenoemde uitspraak van 25 maart 2026 heeft geoordeeld dat de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet ongericht is en dat niet elke Gülenist in gelijke mate het risico loopt op strafrechtelijke vervolging, lopen bepaalde categorieën personen wel een groter risico om strafrechtelijk te worden vervolgd. Het gaat dan met name om Gülenisten binnen het justitiële en veiligheidsapparaat, maar blijkens het ambtsbericht van 2025 [5] was er in de verslagperiode ook een restcategorie van personen die werden verdacht, zoals burgers die gedetineerde Gülenisten en/of hun familieleden ondersteunden en hierom door de Turkse autoriteiten werden verdacht van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. Omdat eiseres in het nader gehoor heeft verklaard dat haar zussen [naam] en [naam] – waarvan vaststaat dat zij strafrechtelijk zijn vervolgd wegens betrokkenheid met de Gülenbeweging – geld naar haar hebben overgemaakt en eiseres zelf haar zus [naam] financieel heeft ondersteund toen [naam] in de gevangenis zat, kan niet zonder meer worden gezegd dat eiseres niet behoort tot de hiervoor bedoelde (rest)categorie die in de verslagperiode een groter risico liep om strafrechtelijk te worden vervolgd. Dit geldt temeer nu eiseres heeft verklaard dat een vriendin van de universiteit – die eveneens heeft deelgenomen aan activiteiten voor de Gülenbeweging en die bij eiseres thuis kwam – later ook nog is gearresteerd in Turkije op verdenking van betrokkenheid bij de Gülenbeweging.
Wat betekent dit voor de zaak van eiseres?
8. Gelet hierop en op wat eiseres naar voren heeft gebracht over haar achtergrond en banden met de Gülenbeweging en de door haar familieleden ondervonden problemen vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging, waaronder strafvervolging, heeft de minister zijn standpunt over de aannemelijkheid van haar vrees voor vervolging bij terugkeer onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het standpunt van de minister komt er immers in de kern op neer dat hij aan eiseres tegenwerpt dat zij haar persoonlijke vrees niet aannemelijk heeft gemaakt op basis van individuele omstandigheden omdat zij tot op heden zélf niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten heeft gestaan en er onvoldoende aanwijzingen zijn dat dit bij terugkeer wel het geval zal zijn. De door de minister verrichtte beoordeling wijkt niet inzichtelijk en/of wezenlijk af van de beoordeling van verzoeken van asielzoekers die niet behoren tot het risicoprofiel van Gülenisten. Bovendien laat deze beoordeling niet zien dat en op welke wijze daarbij betekenis is toegekend aan de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije.
8.1.
De rechtbank concludeert dan ook dat de minister in het bestreden besluit, door zich te baseren op het landgebonden asielbeleid voor Turkije zoals neergelegd in paragraaf C7/34.3.2 van de Vc 2000 gelezen in samenhang met het risicoprofielenbeleid zoals neergelegd in paragraaf C2/2.4 van de Vc 2000, onvoldoende betekenis heeft toegekend aan het feit dat eiseres als Gülenaanhanger behoort tot een risicoprofiel en zich daarmee ook onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit komt daarom in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding voor finale geschillenbeslechting. Dat betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Wat overigens is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van de samenhangende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1)

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Rechtsoverweging 7.10.
3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 3211, p. 5.
4.ECLI:NL:RVS:2022:985, rechtsoverwegingen 7 tot en met 7.3.
5.Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025.