ECLI:NL:RBDHA:2026:17079

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
09.338140.24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid met taakstraf en deels toegewezen schadevergoeding

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid gepleegd in de periode van 29 januari tot en met 16 februari 2024. De verdachte maakte misbruik van zijn positie als werkgever door de aangeefster tegen haar wil te betasten en te kussen. De rechtbank achtte de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en vond steun in een opgenomen telefoongesprek tussen partijen.

De verdediging voerde niet-ontvankelijkheid aan wegens vormverzuimen en betwistte de betrouwbaarheid van het bewijs, maar deze verweren werden verworpen. De rechtbank sprak verdachte vrij van het onderdeel dat hij zijn tong in de mond van de aangeefster zou hebben geduwd, omdat dit niet bewezen kon worden.

De rechtbank legde een taakstraf van 60 uur op, zonder voorwaardelijk deel, en kende de benadeelde partij een immateriële schadevergoeding toe van €1.500,00 met wettelijke rente vanaf 7 februari 2024. De rest van de schadevordering werd niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij de verdachte aan de Staat het bedrag moet betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 uur taakstraf en gedeeltelijke toewijzing van immateriële schadevergoeding van €1.500,- met rente.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/338140-24
Datum uitspraak: 23 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige kamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van Rookhuizen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.J. van Eenennaam naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 januari 2024 tot en met 16 februari 2024 in Lisse, althans in Nederland, [aangeefster] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds te handelen en/of voorbij te gaan aan (non-)verbale en/of lichamelijke protesten en/of misbruik te maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht (te weten werkgever en werknemer), heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten meermalen, althans eenmaal,
- haar gezicht vast te pakken,
- haar te kussen op haar mond en/of in haar nek,
- zijn tong in haar mond te duwen en/of
- haar billen te betasten en/of in haar billen te knijpen.

3.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging gelet op onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Dit betreffen het nalaten van de politie om camerabeelden op te vragen uit het bedrijfspand van [bedrijfsnaam] B.V. op de in te tenlastelegging voorkomende data en het nalaten van de politie om aan de aangeefster kritische vragen te stellen over het tweede vermeende incident tijdens haar aangifte.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van vormverzuimen en dat daardoor ook geen sprake kan zijn van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Met betrekking tot het nalaten van het opvragen van camerabeelden door de politie overweegt de rechtbank als volgt. In haar aangifte van 26 maart 2024 meldt aangeefster dat zij op kantoor is aangerand door de verdachte en dat hij dat heeft gedaan waar camera’s hangen. Aangeefster weet niet hoe lang die beelden bewaard blijven en of de verdachte deze uit voorzorg heeft gewist. Zij duidt de plek waar de camera’s hangen. Nu de aangifte ziet op een gebeurtenis op 29 januari 2024 kan niet zonder meer worden aangenomen dat deze beelden nog beschikbaar waren ten tijde van de aangifte. Uit de door de verdediging overgelegde stukken blijkt ook niet duidelijk wat de bewaartermijn voor de camerabeelden was, terwijl de reguliere bewaartermijn van camerabeelden vier weken betreft. Ook is niet duidelijk geworden of de camera’s daadwerkelijk beelden opnemen. Onder deze omstandigheden is het achterwege laten van het opvragen van de camerabeelden niet aan te merken als een vormverzuim.
Met betrekking tot het nalaten aan de aangeefster kritische vragen te stellen over het tweede vermeende incident, is de rechtbank eveneens van oordeel dat dit niet is aan te merken als een vormverzuim. Het is aan de politie om een verhoor in te richten en daaraan doet niet af dat de verdediging graag meer of andere vragen gesteld had zien worden. Onherstelbaar is het achterwege blijven van bepaalde vragen sowieso al niet nu de verdediging zelf de kans heeft gehad om vragen te stellen bij het verhoor van aangeefster bij de rechter-commissaris.
Gezien het voorgaande ziet de rechtbank daarom geen reden om te constateren dat er sprake is van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv) en verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging.

4.De bewijsbeslissing

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Verdere standpunten van de verdediging komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
4.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024089758, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 70).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 26 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 7-10):
V: Tegen wie wil je aangifte doen?
A: Tegen mijn werkgever [verdachte] .
A: Hij gaf mij de knuffel en toen pakte hij met zijn handen mijn gezicht vast. Toen pakte hij mij gelijk vol op mijn mond. Toen probeerde hij zijn tong in mijn mond te duwen. Ik hield mijn mond op elkaar. Hij zei van: "Ik mag je niet op je mond kussen he?" Ik zei: "Natuurlijk niet." Ik wilde weglopen en toen pakte hij mij van achter vast, voordat ik ook maar weg kon lopen. Hij gaf mij toen een kus in mijn nek. Ik zei, stop hou op. Hij pakte mij bij mijn billen en kneep hierin. Ik heb heel duidelijk aangegeven dat ik hier niet van gediend was.
V: Wanneer heeft dit plaatsgevonden?
A: Op 29 januari 2024.
A: Ik draaide mij om en zei stop hou op. Hij zei het is toch niet erg, ik zei jawel. Hij pakte toen erna direct mijn billen en bracht zijn handen weer naar mijn gezicht. Toen pakte hij mijn gezicht weer vast en probeerde mij weer te kussen en zijn tong naar binnen te doen. De eerste keer draaide ik mijn hoofd weg en daardoor kwam die kus in mijn nek terecht.
V: U zegt, hij heeft het twee weken later weer gedaan. Wat kunt u hierover vertellen?
A: Het was hetzelfde laken en pak. Ik brak toen en toen zei hij, ik mag je zeker geen knuffel geven. Ik zei nee natuurlijk niet, toen zei hij ook geen knuffel. Hij pakte mij weer vast op mijn gezicht, kuste mij weer en knuffelde mij weer en zoende mij weer op mij nek.
V: Wanneer heeft dit plaatsgevonden?
A: 16 februari 2024.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 april 2024, voor zover inhoudende (p. 23-26):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
De geluidsopname is tussen aangever [aangeefster] en haar werkgeven [verdachte] .
De tekst van [verdachte] is vetgedrukt.
Waar we afspreken geen knuffels meer en geen kusjes meer.
Nee. Ik heb het niet verkeerd bedoeld, maar het is wel verkeerd overgekomen. Dus mijn excuus daarvoor, lieverd.
En ik blijf je gewoon hetzelfde behandelen op een gegeven moment. Alleen geen knuffel.
Hoe moeten we nou verder en het enigste manier dacht ik van is jou even
bellen om te vragen van joh ja hoe zie jij het en nou ja ik wil wel duidelijk zeggen
van dit mag echt niet meer gebeuren.
Nee, gewoon heel duidelijk in en ik denk er dus
het zelfde over. Dus eh, had ook niet mogen gebeuren.
Ik hoop ook niet dat ik de aanleiding heb gegeven. Ik ben geen kwaad, bewust.
Nee, liefheid. Je hebt geen aanleiding gegeven, je hebt niets gedaan, je hebt helemaal niks.
Ja, het is sowieso niet zo helemaal mijn aard eigenlijk, van een knuffel hier of wat.
Nee, maar dat weet ik, dat klopt ook absoluut. Dat weet ik ook. En het is ook mijn fout geweest.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 april 2024, voor zover inhoudende (p. 23-26):
Op 26 maart 2024 had aangever [aangeefster] een informatief gesprek. Zij heeft na het
gesprek het geluidsbestand via bestandenuitwisseling naar de politie verstuurd. Aangever [aangeefster] verklaarde dat haar man bij het gesprek aanwezig was en dat hij met zijn telefoon een video heeft gemaakt van het gesprek.
Ik hoor dat het gesprek wat wij als eerste ontvangen hebben, hetzelfde is als het
gesprek op video.
De video is gemaakt op een Iphone 13 pro en gefilmd op 30-01-2024 om 14.18 uur.
4.4.
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader in zedenzaken
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als belangrijkste bewijsmiddel voorhanden is.
Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv Pro – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de verklaring van één getuige met betrekking tot de feiten en omstandigheden op zichzelf staat en onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad in zedenzaken volgt dat niet vereist is dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de verklaring van een aangever op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Wel is het zodat tussen de verklaring van een aangever en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. Daarnaast geldt dat een voor het bewijs gebruikte verklaring op zichzelf voldoende betrouwbaar moet zijn.
De rechtbank ziet zich dus gesteld voor de vragen of (1) de belastende verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en of (2) deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster
De aangeefster heeft op verschillende momenten een verklaring afgelegd. Op 26 maart 2024 heeft zij, na een informatief gesprek zeden, aangifte gedaan tegen de verdachte. Op 17 juli 2025 is zij, op verzoek van de verdediging, gehoord als getuige bij de rechter-commissaris.
De rechtbank constateert dat de aangeefster uitvoerig heeft verklaard over de aanloop naar het incident, de wijze waarop dat plaatsvond en haar emotionele toestand op dat moment. Zij heeft verklaard dat zij op 15 januari 2024 is begonnen met werken bij [bedrijfsnaam] B.V., waar zij samenwerkte met de verdachte, die haar baas en collega was en haar persoonlijk had aangenomen. De aangeefster heeft verklaard dat zij op 29 januari 2024, na een werkoverleg, door de verdachte is gecomplimenteerd en geknuffeld. Daarop zou de verdachte het gezicht van de aangeefster hebben vastgepakt en haar gekust hebben op de mond. De aangeefster heeft verklaard dat de handelingen van de verdachte ertoe leidden dat zij verstijfde. Desondanks heeft zij aan de verdachte duidelijk kunnen maken dat zij hier niet van gediend was, waarna de verdachte zou hebben gepersisteerd door haar vast te pakken, een kus in de nek te geven en in haar billen te knijpen. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte op 16 februari 2024 hetzelfde opnieuw had gedaan.
Bij de rechter-commissaris heeft de aangeefster op hoofdlijnen gelijkluidend verklaard. De verdediging heeft er terecht op gewezen dat de verklaringen van de aangeefster enkele inconsistenties bevatten, onder meer over de volgorde van de handelingen tijdens het eerste incident. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de gehele verklaring onbetrouwbaar te achten. Naar het oordeel van de rechtbank blijven de verklaringen van de aangeefster in de kern gelijk en betreffen de inconsistenties ondergeschikte punten. Het enkele feit dat verklaringen op ondergeschikte punten van elkaar verschillen, maakt die verklaringen op zichzelf niet onbetrouwbaar ten aanzien van de onderdelen die relevant zijn voor de beoordeling van het aan de verdachte gemaakte verwijt. Verschillen kunnen immers worden veroorzaakt door tijdsverloop of emoties die zijn ontstaan vanwege de omstandigheden waaronder het incident plaatsvond.
De door de verdediging genoemde omstandigheden dat de aangeefster na het tweede vermeende incident is blijven werken bij het bedrijf, dat zij in die periode ook nog WhatsApp contact met de verdachte onderhield en dat zij haar dochter stage heeft laten lopen bij het bedrijf van de verdachte, maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verklaringen van de aangeefster niet betrouwbaar zijn. Zoals ook uit de verklaring van de aangeefster bij de rechter-commissaris blijkt, heeft zij voor een en ander haar eigen beweegredenen gehad, welke de rechtbank niet onbegrijpelijk voorkomen.
De tussenconclusie is dat de rechtbank de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar vindt.
Daartegenover staan de verklaringen van de verdachte. In al zijn verklaringen, zo ook op de terechtzitting, heeft de verdachte verklaard dat er geen enkel fysiek contact geweest is tussen hem en de aangeefster. Deze ontkenning wordt op essentiële onderdelen weersproken door ander in het dossier aanwezig bewijs. De rechtbank zal daar onder het kopje 'Steunbewijs' nader op ingaan.
Alles in aanmerking genomen acht de rechtbank de verklaringen van de aangeefster authentiek, consistent en gedetailleerd. De verklaringen komen op de rechtbank bovendien niet aangedikt over. Daarom zullen die verklaringen als uitgangspunt worden genomen bij de beantwoording van de bewijsvraag.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in een ander bewijsmiddel, in die zin dat deze verklaring niet op zichzelf staat maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.
Steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat het telefoongesprek tussen de aangeefster en de verdachte op 30 januari 2024 ondersteunend is aan de aangifte. Uit dit gesprek valt op te maken dat de aangeefster de verdachte de dag na het voorval confronteert met door hem gegeven knuffels en kusjes en dat zij hem erop wijst dat zij een goede verstandhouding tussen werkgever en werknemer nastreeft maar geen fysiek contact met de verdachte meer wil. Zij vraagt expliciet of zij aanleiding had gegeven voor het voorval en de verdachte geeft aan dat dat niet het geval is. De verdachte heeft in hetzelfde gesprek toegezegd dat hij dergelijke handelingen niet meer zal verrichten. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte knuffels en kusjes heeft gegeven aan de aangeefster, terwijl zij daar niet van gediend was.
De verdediging stelt zich met betrekking tot het telefoongesprek op het standpunt dat er terughoudend dient te worden omgegaan met de interpretatie van transcripties van een in het geheim opgenomen gesprek, zolang die interpretatie niet ondubbelzinnig is. De rechtbank acht het gesprek tussen de aangeefster en de verdachte op bovengenoemde punten echter wél expliciet en ondubbelzinnig, nu daaruit duidelijk blijkt van knuffels en kusjes. Dat het telefoongesprek zou zijn gegaan over een eerdere verbale uitbarsting van de verdachte tegen de aangeefster, zoals de verdachte eerst ter zitting heeft aangevoerd, wordt door niets ondersteund. De in het telefoongesprek door de aangeefster en de verdachte gebruikte bewoordingen geven ook geen enkele steun aan deze verklaring van de verdachte.
Het opgenomen telefoongesprek vormt naar het oordeel van de rechtbank genoeg steun voor de handelingen op 29 januari 2024 waarvan aangifte is gedaan. Dat het betasten van de billen van de aangeefster in dit gesprek niet expliciet is benoemd, maakt dit niet anders. Uitgaande van de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster gaat de rechtbank uit van dezelfde handelingen door de verdachte gepleegd op 16 februari 2024.
Van het onderdeel in de tenlastelegging dat de verdachte zijn tong in de mond van aangeefster heeft geduwd, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken omdat de aangifte inhoudt dat hij dit heeft geprobeerd maar dat dit niet is gelukt omdat zij haar mond op elkaar hield.
Ontuchtige handelingen
De verdediging stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van ontuchtige handelingen omdat de handelingen van seksuele aard, beoordeeld in de concrete context, niet in strijd zijn met de geldende sociaal-ethische norm. Naar het oordeel van de rechtbank is evident dat het tegen de wil vastpakken van het gezicht van een ander, het haar op de mond kussen waarbij getracht wordt de tong in haar mond te duwen en het betasten van haar billen een schending is van een sociaal-ethische norm. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging.
Uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht
De verdediging stelt zich verder op het standpunt dat de enkele omstandigheid dat de verdachte directeur was en de aangeefster een werknemer, nog niet meebrengt dat er sprake is geweest van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.
De rechtbank neemt het volgende in aanmerking. Vaststaat dat tussen de verdachte en de aangeefster een werkgever-werknemer relatie bestond. Uit het dossier volgt voorts dat de aangeefster zich in een financieel kwetsbare positie bevond ten tijde van de tenlastegelegde handelingen. Zij kon het zich niet permitteren om haar recent gekregen baan weer kwijt te raken. In eerder genoemd telefoongesprek verwoordt aangeefster goed dat zij graag haar baan wil houden maar zonder fysiek contact met de verdachte. De rechtbank weegt verder mee dat beide voorvallen op zeer korte termijn na indiensttreding hebben plaatsgevonden, waardoor de angst van de aangeefster om haar baan kwijt te raken reëel was. Die angst is in zoverre ook bewaarheid doordat zij, nadat de verdachte op de hoogte is geraakt van haar aangifte tegen hem en zij hem geen bevredigende uitleg daarover heeft gegeven, op staande voet is ontslagen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de rechtbank dat er sprake was een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging.
Conclusie
De rechtbank komt, gezien het voorgaande, tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegd, zoals hierna onder 4.5 omschreven.
4.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 29 januari 2024 tot en met 16 februari 2024 in Lisse, [aangeefster] , door een andere feitelijkheid, te weten door onverhoeds te handelen en voorbij te gaan aan (non-)verbale en lichamelijke protesten en misbruik te maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht (te weten werkgever en werknemer), heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten meermalen, althans eenmaal,
- haar gezicht vast te pakken,
- haar te kussen op haar mond en in haar nek,
- haar billen te betasten en in haar billen te knijpen.

5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanrandingen van de aangeefster. Hij heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en persoonlijke integriteit van de aangeefster. Daarnaast heeft de verdachte misbruik gemaakt van zijn positie als werkgever en heeft hij het vertrouwen dat de aangeefster in haar werkgever zou moeten kunnen hebben op ernstige wijze geschaad. Het feit dat de verdachte zijn ongewenste gedrag heeft herhaald ook nadat hij er door de aangeefster op is gewezen dat zij zijn handelen heel onprettig vond en de belofte wilde dat hij het niet opnieuw zou doen, rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De op te leggen straf
De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, een taakstraf voor de tijd van 60 uren passend en geboden.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.

8.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Mr. P.W. de Water heeft zich namens [aangeefster] als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan verzoekt de verdediging om de hoogte van het schadebedrag aanzienlijk te matigen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank stelt vast dat de aangeefster psychisch letsel heeft ondervonden in de vorm van post-traumatische stressstoornis. Uit de aangeleverde medische stukken blijkt dat de diagnose een causaal verband heeft met de tenlastegelegde aanrandingen. Dat de aangeefster langere tijd last zou hebben gehad van mentale problematiek doet daar niet aan af. De pre-existentie problematiek van de aangeefster kan, volgens vaste jurisprudentie, immers niet aan haar worden toegerekend. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd en met inachtneming van de Rotterdamse schaal, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.500,00. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente
Namens de benadeelde partij is de wettelijke rente gevorderd vanaf de pleegdatum. Nu de pleegdatum een periode betreft, gaat de rechtbank uit van het midden van die periode. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 februari 2024.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 22c, 22d, 36f, 57, 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
60 (ZESTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
30 (DERTIG) DAGEN;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.500,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2024, tot de dag waarop deze vordering is betaalde, te betalen aan [aangeefster] ;
bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Schaaf, voorzitter,
mr. H.M. Braam, rechter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A. Dorrani en L.E. Kramer griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juni 2026.