ECLI:NL:RBDHA:2026:17088

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19487 en NL26.19488
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, met de Nigeriaanse nationaliteit, heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Litouwen verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser betwist niet dat Litouwen de verantwoordelijke lidstaat is, maar stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet is toegepast om de aanvraag toch in Nederland te behandelen.

Eiser voert aan dat hij zich in Litouwen niet veilig voelt vanwege bedreigingen en zijn seksuele geaardheid, en dat deze omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen. De rechtbank oordeelt dat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die toepassing van artikel 17 rechtvaardigen Pro. De minister heeft de discretionaire bevoegdheid om terughoudend te zijn en heeft dit naar redelijkheid gedaan.

De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bevestigd dat de omstandigheden die in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zijn betrokken, niet opnieuw hoeven te worden beoordeeld bij artikel 17. De bedreigingen die eiser via WhatsApp ontving, zijn onvoldoende om aan te nemen dat Litouwen hem niet kan of wil beschermen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter D. Biever.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.19487 en NL26.19488
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Litouwen verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1984 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Litouwen verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Allereerst verzoekt eiser om hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser betwist niet dat Litouwen als verantwoordelijke lidstaat is aan te merken. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd om welke redenen verweerder geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser heeft aangegeven zich in Litouwen niet veilig te voelen en hij vreest daarom voor een overdracht. Eiser onderbouwt deze stelling met screenshots van de bedreigingen die eiser heeft ontvangen. Daarnaast heeft verweerder de aangevoerde omstandigheden ten aanzien van eisers seksuele geaardheid niet betrokken bij de beoordeling. Tot slot stelt eiser dat verweerder de aangedragen omstandigheden onvoldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin handhaven van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat ten aanzien van Litouwen kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling [2] van 1 mei 2024, van dit beginsel ten aanzien van Litouwen nog steeds mag worden uitgegaan. [3]
7. De rechtbank stelt voorop dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening een bevoegdheid geeft om onverplicht een asielverzoek in behandeling te nemen. Verweerder heeft met betrekking tot deze bevoegdheid beleid gemaakt. In paragraaf C2/5 van de Vc 2000 [4] staat dat verweerder hiervan terughoudend gebruik maakt als Nederland daartoe, op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, niet verplicht is. Verweerder gebruikt de bevoegdheid in ieder geval als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Vanwege de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om deze hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing terughoudend.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die ertoe kunnen leiden dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder heeft in dit geval in redelijkheid mogen beslissen dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Litouwen. Voor zover eisers stelling dat de omstandigheid met betrekking tot zijn seksuele geaardheid ook moet worden meegenomen in de motivering ten aanzien van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025. [5] Daarin is geoordeeld dat verweerder de omstandigheden die hij in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in de besluitvorming heeft betrokken niet nogmaals hoeft te betrekken in het kader van een beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verder heeft verweerder in de verklaring van eiser, namelijk dat hij vreest voor overdracht aan Litouwen vanwege de ontvangen bedreigingen van een familielid dat daar verblijft, ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken. Het uitgangspunt is dat eiser zich bij voorkomende problemen zal moeten wenden tot de autoriteiten in Litouwen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Litouwen hem niet kan of wil helpen. De screenshots van bedreigende teksten die hij via Whatsapp heeft ontvangen en in beroep heeft overgelegd, doen hier niet aan af. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [6] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.