Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17124

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL25.22372
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 8:57 AwbVreemdelingenwet 2000Richtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep asielaanvraag wegens ontbreken procesbelang na vertrek uit Schengengebied

Eiser diende op 21 oktober 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, die op 20 augustus 2024 werd afgewezen. Na een eerdere vernietiging van het besluit en een nieuw besluit van 8 mei 2025, dat wederom afwijzend was, stelde eiser beroep in. De rechtbank behandelde het beroep op 23 maart 2026, waarbij eiser niet verscheen en zich afmeldde vanwege angst voor politie.

Eiser gaf aan de Soedanese nationaliteit te betwisten en vreest vervolging bij terugkeer naar Soedan, maar de minister achtte zijn Soedanese nationaliteit geloofwaardig en vond geen reëel risico op ernstige schade. Op 13 mei 2026 meldde de minister dat eiser het Schengengebied had verlaten, wat de rechtbank deed twijfelen aan het procesbelang.

De rechtbank overwoog dat zolang eiser contact houdt met zijn gemachtigde, hij doorgaans procesbelang heeft, tenzij concrete aanwijzingen anders suggereren. Gezien het vertrek van eiser uit het Schengengebied, het ontbreken van duidelijke informatie over zijn verblijfplaats en het feit dat hij zelf de opvang in Nederland verliet, concludeerde de rechtbank dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en deed geen inhoudelijke beoordeling. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 23 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na vertrek uit het Schengengebied.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.22372
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. van Dam).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep en verklaart het beroep dan ook niet-ontvankelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 21 oktober 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.1.
Deze aanvraag is bij besluit van 20 augustus 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond, waarbij aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar zijn uitgevaardigd. Eiser is tegen dit besluit in beroep gegaan.
2.2.
Op 26 november 2024 is dit beroep van eiser op zitting behandeld bij deze rechtbank en zittingsplaats. Eiser is toen zonder bericht van verhindering niet verschenen. In de uitspraak van 13 december 2024 is het beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 augustus 2024 vernietigd en is de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser. [2] In die uitspraak is – kort gezegd – geoordeeld dat de minister van de Soedanese nationaliteit van eiser mocht uitgaan. Het beroep is echter gegrond verklaard, omdat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser in Soedan geen risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [3] .
2.3.
De minister heeft met een nieuw besluit van 8 mei 2025 eisers aanvraag wederom afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is het niet eens met dit besluit en heeft onderhavig beroep ingesteld. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft, na verwijzing van de zaak op 25 november 2025 naar de meervoudige kamer, het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Eiser is wederom niet verschenen. Hij heeft zich vlak voor de zitting afgemeld bij zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
2.5.
Op 1 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eiser in de gelegenheid gesteld om nadere vragen van de rechtbank te beantwoorden over de verkrijging van het Soedanese paspoort. Eiser heeft op 22 april 2026 gereageerd op de nadere vragen van de rechtbank. De minister heeft op 13 mei 2026 een reactie gegeven. Desgevraagd heeft eiser op 1 juni 2026 gereageerd op het ingenomen standpunt van de minister ten aanzien van het procesbelang.
2.6.
Partijen hebben toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft op 22 juni 2026 het onderzoek gesloten. [4]

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas en de besluitvorming
3. Eiser voert aan dat hij enkel de Eritrese nationaliteit heeft en dat zijn Soedanese paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Om die reden vreest hij voor vervolging door de Soedanese autoriteiten als hij naar Soedan wordt gestuurd. Ook vreest eiser voor uitzetting naar Eritrea door de Soedanese autoriteiten
.
4. De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar eiser is geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag [5] . Hij heeft de Soedanese nationaliteit, die echt is bevonden en het is niet gebleken dat het Soedanese paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. Eisers vrees om de militaire dienstplicht te vervullen in Eritrea is daarom niet aannemelijk geacht. De minister stelt zich ook nog steeds op het standpunt dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt als hij zal worden teruggestuurd naar Soedan.
Het beroep
5. Op 13 mei 2026 heeft de minister de rechtbank laten weten dat eiser het Schengengebied (en de EU [6] ) heeft verlaten. De rechtbank ziet zich daarom eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep.
Het procesbelang
6. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling [7] volgt dat het uitgangspunt is dat zolang de vreemdeling nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde, hij belang houdt bij zijn procedure om een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen. Dit kan alleen anders zijn als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit verblijf in het buitenland. Echter, dat betekent niet dat onder alle omstandigheden hiermee het procesbelang is komen te vervallen. Een vreemdeling kan daarvoor namelijk een goede reden hebben, bijvoorbeeld in de situatie dat hij geen recht meer heeft op opvangvoorzieningen in Nederland en dat hij om die reden bij familie of bekenden elders in de EU verblijft zonder dat hij in die andere lidstaat om bescherming heeft gevraagd. Uit de omstandigheden omtrent het verblijf in het buitenland moet duidelijk kunnen worden afgeleid dat de vreemdeling geen verblijf in Nederland meer nastreeft en dus geen actueel en reëel belang bij de uitkomst van zijn beroepsprocedure meer heeft.
6.1.
De rechtbank stelt de volgende relevante feiten vast. Op 23 maart 2026 om 11:15 uur is eisers beroep in de meervoudige kamer behandeld. De gemachtigde van eiser heeft daar meegedeeld dat eiser zich die ochtend om 10:30 uur bij haar had afgemeld voor de zitting, omdat hij erg bang is voor de politie. In de reactie van eiser van 22 april 2026 op de heropeningsbeslissing van de rechtbank van 1 april 2026, schrijft eisers gemachtigde dat hij recent naar Londen is gereisd om daar bij de ambassade navraag te doen over zijn paspoort/officiële registratie als Soedanees onderdaan. De minister heeft op 13 mei 2026 in het digitale dossier een hit-melding van Sirene Duitsland geplaatst, opgemaakt op 23 maart 2026. Uit de melding blijkt dat eiser op 20 maart 2026 is aangetroffen op de luchthaven van Keulen en probeerde om daar het grondgebied van de Europese lidstaten binnen te komen. Aan eiser is de toegang geweigerd. Met het verlaten van de EU is het aan eiser uitgevaardigde terugkeerbesluit uitgewerkt.
6.2
De rechtbank heeft ter beantwoording van de vraag of eiser nog procesbelang heeft, op 18 mei 2026 aan eiser gevraagd om een reactie te geven op het standpunt van de minister ten aanzien van het ontbreken van procesbelang. In een reactie van 1 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser laten weten nog altijd contact te onderhouden met eiser. Eiser geeft aan uit eigen beweging stappen te hebben ondernomen om zijn zaak te onderbouwen en dat hij daarom de Soedanese ambassade in London heeft bezocht. Ook heeft hij via zijn gemachtigde de ambassades in Nederland, Brussel, Londen en Stockholm aangeschreven. Dit getuigt van een ondubbelzinnige en aanhoudende wil om zijn rechtspositie in Nederland te doen vaststellen. Eiser geeft ook aan een goede reden te hebben om niet meer in de opvang bij het COA [8] te verblijven vanwege de omstandigheden daar, de lange duur van zijn procedure, stress en het feit dat hij op verschillende momenten bij de Soedanese ambassade in Nederland geen reactie heeft gekregen. Hij zag zich daarom genoodzaakt om persoonlijk andere ambassades te consulteren over zijn paspoort/verblijfsrecht. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat onverminderd sprake is van procesbelang.
6.3.
De rechtbank gaat ervan uit dat eiser contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Het uitgangspunt is dan ook dat eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in dit geval echter concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.
6.4.
De rechtbank acht daarvoor van belang dat eiser geen duidelijkheid heeft gegeven over zijn vertrek naar en verblijf in het buitenland. Uit de melding van de minister dat eiser op 20 maart 2026 de toegang is geweigerd aan de buitengrenzen van de Europese lidstaten volgt dat eiser op enig moment, voorafgaand aan de zitting, niet alleen Nederland maar ook het Schengengebied heeft verlaten. Ter zitting noch daarna is gebleken dat en wanneer eiser uit Nederland en uit het Schengengebied is vertrokken of waar hij op dat moment verbleef of waar hij nu verblijft en waarom. Dat hij naar Londen zou zijn gegaan om daar de ambassade te bezoeken om navraag te doen naar zijn paspoort kan op zichzelf een goede reden zijn om uit Nederland te vertrekken. Echter dat hij de ambassade in Londen heeft bezocht en wanneer wordt niet onderbouwd. Ook heeft eiser met de overgelegde stukken onvoldoende inzicht gegeven over zijn gestelde inspanningen richting Sudanese ambassades. Wanneer, welke ambassades per een (officieel) e-mailadres zijn aangeschreven, kan de rechtbank nauwelijks verifiëren. Daar komt bij dat de nadere vragen over de verkrijging van zijn Soedanese paspoort pas bij de heropeningsbeslissing van 1 april 2026 door de rechtbank aan eiser zijn gesteld, terwijl hij kennelijk al voor die datum het Schengengebied had verlaten en mogelijk toen al in Londen of elders buiten het Schengengebied verbleef. Wanneer, waar en waarom hij voor 20 maart 2026 Nederland en het Schengengebied heeft verlaten blijft echter ook onduidelijk. Ook uit de WhatsAppberichten die door de gemachtigde zijn overgelegd kan de rechtbank niet opmaken dat eiser bij de ambassade in London is geweest en wanneer dat zou zijn gebeurd. Het bevreemdt de rechtbank, tegen de achtergrond van de reacties van 22 april 2026 en 1 juni 2026, daarnaast dat de gemachtigde gevraagd naar de afwezigheid van eiser ter zitting slechts naar voren heeft gebracht dat eiser te bang was om op zitting te verschijnen. Terwijl gelet op de relevante feiten en omstandigheden niet valt in te zien waarom eiser niet toen al via zijn gemachtigde heeft laten weten dat en waarom hij (in elk geval voor 20 maart 2026) Nederland en het Schengengebied had verlaten en om die reden afwezig was op de zitting. Eiser heeft in zijn reactie van 1 juni 2026 op de vraag naar het procesbelang daarover ook geen duidelijkheid gegeven. Evenzo heeft hij in die reactie niet toegelicht waarom hij getracht heeft Duitsland in te reizen en niet Nederland en ook niet waar hij nu verblijft. [9]
6.5.
Tot slot betrekt de rechtbank bij de beoordeling van het procesbelang de verklaring van eiser dat hij ondanks dat hij nog recht had op opvang in Nederland zelf heeft gekozen om niet langer in de opvanglocatie te blijven. De lange duur van de procedure en de stress die hij daardoor heeft ervaren waren, zo stelt hij, redenen om uit Nederland te vertrekken. Ook deze, door eiser in antwoord op de vraag naar het procesbelang genoemde omstandigheden, getuigen er naar het oordeel van de rechtbank niet van dat eiser een goede reden had voor zijn vertrek naar het buitenland en staan haaks op een beschermingsbehoefte in Nederland.
6.6.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser vanwege concrete aanwijzingen dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland, geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzitter, en mr. V.F.J. Bernt en mr. J.G. Vegter, leden, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaaknummers NL24.33573 en NL24.33574.
3.Richtlijn 2011/95/EU.
4.Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
6.Europese Unie.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662 en van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4049.
8.Centraal orgaan opvang asielzoekers.
9.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van ECLI:NL:RVS:2024:2662.