ECLI:NL:RBDHA:2026:17144

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33337
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vw 2000Art. 94 lid 1 Vw 2000Art. 94 lid 5 Vw 2000Art. 94 lid 6 Vw 2000Art. 5.5 lid 2 Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000

Eiser is op 13 juni 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De ambtenaar heeft de rechtbank onverwijld van deze maatregel in kennis gesteld, wat gelijkstaat aan het instellen van beroep. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 behandeld via een beeldverbinding.

Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder de ongeldigheid van de machtiging van zijn vertegenwoordiger, het ontbreken van een digitale handtekening op het besluit, het niet onverwijld informeren van de rechtbank, en de stelling dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat de machtiging rechtsgeldig was, het besluit rechtsgeldig digitaal was ondertekend, en de kennisgeving ondanks een technische storing binnen twee dagen onverwijld was gedaan.

De rechtbank stelde vast dat het grensbewakingsbelang in beginsel het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de maatregel onevenredig bezwarend was. De fobie van eiser werd meegewogen, maar vormde geen reden om af te zien van de maatregel. De ambtshalve toetsing leverde geen andere conclusie op.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33337

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en

de ambtenaar belast met de grensbewaking, de ambtenaar

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser en mr. R.M. Seth Paul, laatstgenoemde als waarnemer van zijn gemachtigde, zijn via een beeldverbinding verschenen. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Machtiging
3. Eiser voert aan dat geen sprake is van een rechtsgeldige machtiging, op grond waarvan mr. Westendorp op de zitting de ambtenaar mag vertegenwoordigen. Aan het rechtbankdossier is een proces-verbaal van bevindingen opgesteld op 18 juni 2026 toegevoegd, waarin is opgenomen dat de ambtenaar machtiging verleent aan de medewerkers van de directie Juridische Zaken van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), waartoe mr. Westendorp behoort, om hem in rechte te vertegenwoordigen, indien beroep wordt ingesteld tegen de vrijheidsontnemende maatregel die aan eiser is opgelegd. Eiser stelt dat door hem geen beroep is ingesteld, maar dat is sprake van een kennisgeving.
3.1.
In artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 is (onder meer) opgenomen dat, zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. In dit geding dient de rechtbank het beroep van eiser tegen de vrijheidsontnemende maatregel te beoordelen en in dat kader ter zitting met partijen te bespreken. Naar het oordeel van de rechtbank is de machtiging dan ook rechtsgeldig. De beroepsgrond slaagt niet.
Ondertekening maatregel
4. Eiser voert aan dat sprake is van een onrechtmatig besluit, nu de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 (het bestreden besluit) niet is voorzien van een (digitale) handtekening.
4.1.
Met het proces-verbaal van bevindingen gedateerd 18 juni 2026 heeft de ambtenaar toegelicht dat het proces digitaal is ondertekend, waarvan het bestreden besluit (de M19-B) onderdeel uitmaakt. Dit is ook te herleiden naar het besluit tot het uitstellen van de toegangsweigering (M18-A) uit ditzelfde proces, dat wel digitaal is ondertekend. Met de inwerkingtreding van het Europese Asiel- en Migratiepact heeft een verandering plaatsgevonden in de processen, waardoor de laatste pagina van het bestreden besluit ontbreekt, waarop de handtekening staat.
De rechtbank kan deze toelichting van de ambtenaar volgen. Nu de M18-A is voorzien van een digitale handtekening, is zij van oordeel dat het bestreden besluit (de M19-B), aangezien deze deel uitmaakt van hetzelfde digitale proces, ook rechtsgeldig is ondertekend. De beroepsgrond slaagt niet.
Onverwijlde kennisgeving
5. Eiser voert aan dat de rechtbank niet onverwijld in kennis is gesteld van de vrijheidsontnemende maatregel. [1] De vrijheidsontnemende maatregel is namelijk op 13 juni 2026 aan eiser opgelegd. De kennisgeving is pas op 15 juni 2026 naar het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken (CIV) verzonden. Daarnaast ontbreekt in de maatregel het tijdstip waarop deze zou zijn opgelegd. Hierdoor is niet te verifiëren of sprake is van een onverwijlde kennisgeving.
5.1.
De ambtenaar heeft tijdens de zitting toegelicht dat sprake was van een technische storing, waardoor de kennisgeving niet direct automatisch aan het CIV is doorgezet (zoals gebruikelijk is), maar deze handmatig, per e-mail, naar het CIV is verstuurd op 15 juni 2026.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat sprake was van een technische storing, waardoor de kennisgeving niet op de gebruikelijke wijze is doorgezet aan het CIV. Wat daar ook van zij – de rechtbank is van oordeel dat zij onverwijld na bekendmaking van de vrijheidsontnemende maatregel hiervan in kennis is gesteld. Zoals onder 3.1 overwogen, maken de M19-B en de M18-A onderdeel uit van hetzelfde (digitale) proces. De M19-B – en hiermee dus ook de M18-A – is ondertekend op 13 juni 2026, om 13:47 uur. Uit het rechtbankdossier volgt dat de kennisgeving op 15 juni 2026 om 13:37 uur, en daarmee binnen twee dagen, naar het CIV is gemaild. Dit acht de rechtbank onder deze omstandigheden onverwijld. Volledigheidshalve merkt de rechtbank hierbij nog op dat de ratio achter deze bepaling in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 is dat de rechtbank zo snel mogelijk in staat wordt gesteld een oordeel te geven over een opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. Met het binnen twee dagen in kennis stellen van het CIV is daaraan eveneens voldaan. Immers, uit het vijfde lid van artikel 94 van Pro de Vw 2000 volgt dat de rechtbank uitspraak moet doen ten hoogste vijftien dagen, dan wel ten hoogste eenentwintig dagen in uitzonderlijke omstandigheden, na de dag van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Dat is hier onmiskenbaar gedaan.
Had de ambtenaar moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat de ambtenaar had moeten volstaan met een lichter middel, of geheel had moeten afzien van het opleggen van een maatregel. Niet wordt ontkend dat het grensbewakingsbelang een groot belang is maar hier is sprake van een goed gedocumenteerde vreemdeling uit Gaza, die een uitnodiging had ontvangen voor een training bij Clingendael waarvoor hij een visum heeft ontvangen. De ambtenaar is niet verplicht om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en had daar dus ook van kunnen afzien. Niet wordt ingezien waarom de asielaanvraag van eiser niet had kunnen worden beoordeeld in de reguliere asielprocedure. De vrijheidsontnemende maatregel is in zijn geval bovendien onevenredig bezwarend, nu hij een fobie heeft om met meerdere mensen in een ruimte te slapen; hij wordt dan herinnerd aan zijn tijd in Gaza.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. [2]
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. [3] Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
6.2.
Voorafgaande aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord en is hem gevraagd of er feiten en/of omstandigheden zijn die maken dat in zijn geval had moeten worden afgezien van grensdetentie. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat eiser verklaard heeft een fobie te hebben om met meerdere mensen in een ruimte te slapen. [4] Uit het bestreden besluit blijkt dat de ambtenaar dit bij het opleggen van de maatregel heeft betrokken in zijn beoordeling of een lichter middel moet worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de ambtenaar, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. De rechtbank betrekt daarbij dat de ambtenaar in het bestreden besluit heeft gewezen op het feit dat in het detentiecentrum medische voorzieningen aanwezig zijn waar eiser zich toe kon wenden als dat nodig zou zijn. Niet is gebleken dat deze voorzieningen voor eiser niet toegankelijk waren of dat er geen adequate zorg aan eiser kon worden verstrekt. Dat de door eiser gestelde fobie leidt tot de conclusie dat hij detentieongeschikt is, is tot slot niet gebleken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de maatregel onevenredig bezwarend te achten. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest. [5]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Eiser heeft hierbij verwezen naar artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
2.ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
3.ABRvS 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
4.Pagina 5.
5.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (