Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17163

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL25.27692 NL25.27693
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.119 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen wegens ongeloofwaardigheid bedreiging en afpersing door bende Pandilla 18

Eisers, een Salvadoraans gezin, vroegen asiel aan in Nederland na bedreiging en afpersing door de bende Pandilla 18, die hun (schoon)vader had vermoord. De minister wees hun aanvragen af wegens ongeloofwaardigheid van de afpersing.

De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde eerdere besluiten en beval nieuwe beoordeling waarbij getuigenverklaringen en landeninformatie beter moesten worden betrokken. De minister nam nieuwe besluiten die opnieuw afwijzend waren.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht geen nieuw voornemen hoefde uit te brengen en dat de getuigenverklaringen onvoldoende bewijs vormen omdat ze gebaseerd zijn op horen zeggen. De overgelegde landeninformatie betreft algemene situaties en niet de persoonlijke situatie van eisers.

De rechtbank vindt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de bedreiging en afpersing ongeloofwaardig zijn en dat de terugkeerbesluiten terecht zijn opgelegd. De beroepen worden ongegrond verklaard en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvragen wegens ongeloofwaardigheid van de bedreiging en afpersing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.27692 en NL25.27693
V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaken tussen

[eiser 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1983, eiser I,

en
[eiseres] ,geboren op [geboortedatum 2] 1982, eiseres,
mede namens hun kinderen
[eiser 2], geboren op [geboortedatum 3] 2008, eiser II,
en
[eiser 3], geboren op [geboortedatum 4] 2015, eiser III,
allen met de Salvadoraanse nationaliteit
hierna tezamen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. K. Benchaïb),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. L. Hartog).

Procesverloop

1.1
Eisers hebben op 9 november 2021 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
1.2
Bij afzonderlijke besluiten van 30 juni 2022 heeft de minister de aanvragen van eisers afgewezen als ongegrond. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft in de uitspraak van 20 juni 2023 de tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. [1] Tegen deze uitspraak hebben eisers hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Op 31 maart 2025 heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 20 juni 2023 vernietigd, de besluiten van 30 juni 2022 vernietigd en de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling. [2]
1.3
Op 26 juni 2025 heeft de minister nieuwe besluiten genomen (de bestreden besluiten) en de aanvragen opnieuw afgewezen als ongegrond. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
De rechtbank heeft de beroepen op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van de minister en R.A. Caicedo la Rrea als tolk.

Overwegingen

Het asielrelaas
2. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Op 19 maart 2017 is de vader van eiseres in El Salvador door bendeleden van Pandilla 18 doodgeschoten in zijn huis omdat hij had geweigerd hen geld te betalen. Op de dag van de begrafenisceremonie zijn eiser I, eiseres en haar broer en schoonzus bedreigd door deze bende. Zij eisten van hen dat zij de $ 3000,- die de vader van eiseres aan de bende verschuldigd was, binnen 24 uur zouden betalen. Eisers konden dit niet en besloten te vluchten. Zij vluchtten eerst naar [plaats 1] . Op 24 april 2017 heeft eiseres aangifte van de bedreiging gedaan. Op 30 mei 2017 zijn eisers vervolgens naar Costa Rica vertrokken om van daaruit te proberen asiel aan te vragen in Canada. Dit lukte echter niet en omdat het leven in Costa Rica heel duur bleek te zijn en eiser I er geen werk kon krijgen, lukte het evenmin om in Costa Rica een nieuw bestaan op te bouwen. Toen zij ontdekten dat de bende ook in Costa Rica aanwezig was, zijn zij teruggekeerd naar El Salvador en weer ondergedoken in [plaats 1] . Na een verontrustend telefoontje van een vroegere buurvrouw van eiseres dat de bende hun verblijfplaats had ontdekt, zijn ze bij de ouders van eiser I thuis in [plaats 2] ondergedoken. Omdat ze zich daar niet veilig voelden, besloten eisers naar Nederland te vluchten.
De bestreden besluiten
3.1
Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. moord op (schoon)vader;
3. afpersing door bende Pandilla 18 na moord op (schoon)vader.
3.2
De eerste twee asielmotieven acht de minister geloofwaardig, het derde asielmotief acht de minister ongeloofwaardig. De minister wijst de aanvragen daarom af en legt aan eisers terugkeerbesluiten op.
Beroepsgronden
4.1
Eisers voeren in beroep het volgende aan. De minister heeft, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2025, niet kunnen volstaan met enkel nieuwe besluiten aangezien er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. De minister had met toepassing van artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 een nieuw voornemen moeten uitbrengen waarop eisers hadden kunnen reageren. Bovendien is er inmiddels weer zoveel tijd verstreken dat de minister zich ervan had moeten vergewissen of eisers nadien nog nadere informatie en bewijsstukken met betrekking tot hun aanvraag tot hun beschikking hadden. Eisers stellen dat alle bewijsstukken die zij hebben overgelegd in zijn totaliteit moet worden beoordeeld. Als daarover bij de minister onduidelijkheden waren, hadden eisers ofwel in de gelegenheid moeten worden gesteld een reactie te geven middels een zienswijze of aanvullend moeten worden gehoord.
4.2.1
Eisers stellen zich verder op het standpunt dat de minister ten onrechte de afpersing en de gebeurtenissen nadien ongeloofwaardig heeft geacht.
4.2.2
De door eisers overgelegde getuigenverklaringen ondersteunen het relaas van eisers. Ook als deze niet objectief verifieerbaar zijn, dienen deze in de beoordeling te worden betrokken. Eisers leggen een nieuwe verklaring over, van politieagent [naam] . Deze verklaring bevestigt opnieuw dat eisers nog steeds worden gezocht en te vrezen hebben voor vervolging.
4.2.3
Ten aanzien van de landeninformatie wijzen eisers erop dat de Afdeling heeft geoordeeld dat de minister deze onvoldoende heeft betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De door eisers overgelegde landeninformatie ziet op de situatie in het land en de gebeurtenissen die eisers hebben ondervonden. Eisers waren zelf geen ondernemer, maar hun (schoon)vader wel en hij werd bedreigd, afgeperst en vermoord. Na zijn dood ging dit over op de kinderen en werden zij bedreigd en afgeperst. Middels de landeninformatie laten eisers zien dat deze praktijken veelvuldig plaatsvinden en de algemene informatie ondersteunt daarmee het relaas van eisers. Dat deze informatie niet ziet op eisers persoonlijk doet daaraan niet af.
4.3
Eisers komen ook op tegen de aan hen opgelegde terugkeerbesluiten. Eisers stellen dat gelet op hun persoonlijke omstandigheden niet kan worden verwacht dat zij terugkeren naar El Salvador . Eisers zijn ingeburgerd en geworteld in Nederland. Bij eiseres en eiser III spelen medische aspecten. Eisers II en III zijn kinderen en hun terugkeer naar El Salvador druist in tegen hun belangen als kind.
Uitspraak van de Afdeling
5. In de uitspraak van 31 maart 2025 op het hoger beroep van eisers heeft de Afdeling, samengevat weergegeven, als volgt geoordeeld. Over de door eisers overgelegde getuigenverklaringen oordeelt de Afdeling dat deze in onderlinge samenhang dienen te worden betrokken in de beoordeling en dat de minister dit in de besluiten van 30 juni 2022 onvoldoende heeft gedaan. De Afdeling volgt de minister echter in het standpunt dat de getuigenverklaringen er in dit geval niet toe leiden dat de gestelde afpersing door Pandilla 18 geloofwaardig is aangezien het enkel verklaringen van horen zeggen betreft van personen die de bedreiging en afpersing zelf niet hebben gezien. Verder oordeelde de Afdeling dat de minister ten onrechte de door eisers aangehaalde algemene landeninformatie niet heeft betrokken bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling en dat het hoger beroep om die reden gegrond is.
Beoordeling door de rechtbank
Voornemen
6.1
De rechtbank volgt eisers niet in het standpunt dat de minister in hun zaak naast een nieuw besluit ook een nieuw voornemen had moeten uitbrengen. De Afdeling heeft de zaak terug verwezen naar de minister en in de uitspraak van 31 maart 2025 geoordeeld dat de minister nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van die uitspraak. De rechtbank ziet in de uitspraak van de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat er ook nieuwe voornemens uitgebracht dienden te worden door de minister.
6.2
De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat, anders dan eisers stellen, de betrokken landeninformatie geen nieuw feit en/of omstandigheid in de zin van artikel 3.119 van het Vb 2000 betreft of een andere beoordeling of weging van reeds bekende feiten of omstandigheden op grond waarvan eisers in de gelegenheid moesten worden gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Immers, deze informatie was reeds bekend bij de minister en bij de eerdere beoordeling betrokken, maar in onvoldoende mate. De minister mocht gelet hierop naar het oordeel van de rechtbank afzien van het uitbrengen van een nieuw voornemen. [3]
6.3
De minister hoefde eisers ook niet in de gelegenheid te stellen om een zienswijze te geven op de nadere standpunten van de minister op de door eisers overgelegde getuigenverklaringen. Dit nadere standpunt is door de minister immers reeds ingenomen in een brief aan de Afdeling van 9 december 2024 hangende de hoger beroepsprocedure en eisers hebben destijds de gelegenheid gehad op dit standpunt te reageren. Het door de minister ingenomen standpunt is ook al beoordeeld door de Afdeling in de uitspraak van 31 maart 2025. [4] Niet valt daarom in te zien dat eisers opnieuw in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld op dit standpunt te reageren. De beroepsgrond slaagt niet.
De getuigenverklaringen
7.1
In de uitspraak van 31 maart 2025 oordeelde de Afdeling dat de minister getuigenverklaringen bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet betrekken, ook als deze verklaringen niet objectief verifieerbaar zijn en dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de minister de overgelegde getuigenverklaringen onvoldoende heeft betrokken bij zijn beoordeling. De Afdeling volgt echter het standpunt van de minister dat de getuigenverklaringen er niet toe leiden dat de gestelde afpersing door Pandilla 18 geloofwaardig is. De personen die de getuigenverklaringen hebben afgelegd, waren niet bij de gestelde bedreiging aanwezig. De minister heeft er volgens de Afdeling niet ten onrechte op gewezen dat de personen de bedreiging en afpersing zelf niet hebben gezien en dat hun verklaringen zijn gebaseerd op ‘horen zeggen’.
7.2
De door eisers in dit beroep overgelegde verklaring van politieagent [naam] kan naar het oordeel van de rechtbank geen ander licht werpen op de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eisers. Ook voor [naam] geldt dat hij niet bij de gestelde afpersing en bedreiging in 2017 aanwezig was. In de verklaring staat dat [naam] op 10 september 2024 in de buurt was van het huis van de ouders van eiser I en dat hij een auto voor het huis geparkeerd zag staan, dat hij zag dat het leden waren van een criminele bende en dat ze hem vroegen naar eiser I. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich over deze verklaring op het standpunt mocht stellen dat er niet de waarde aan het stuk kan worden gehecht die eisers eraan gehecht wensen te zien nu het geen officieel stuk, bijvoorbeeld een proces-verbaal, betreft en daarmee niet objectief verifieerbaar is. Verder heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank mogen tegenwerpen dat het niet aannemelijk is dat bendeleden aan een politieagent vragen naar (de verblijfplaats van) eisers, aangezien de bendeleden zouden weten dat de politieagent hen zou herkennen als bendeleden, en dat de opmerking van [naam] dat en waarom hij zou hebben besloten om niet in te grijpen opmerkelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
Landeninformatie
8.1
In de uitspraak van 31 maart 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister ten onrechte de algemene landeninformatie niet heeft betrokken bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling en dat de minister nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van dit oordeel.
8.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister in de bestreden besluiten afdoende aan de opdracht van de Afdeling heeft voldaan. In de bestreden besluiten is de minister uitgebreid ingegaan op de door eisers overgelegde/aangehaalde landeninformatie/artikelen. Per artikel heeft de minister besproken waarom er niet de waarde aan wordt gehecht die eisers eraan gehecht wensen te zien en waarom eisers de gestelde persoonlijke problemen daarmee niet geloofwaardig maken.
8.3
De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat de overgelegde/aangehaalde artikelen zien op de algemene situatie in El Salvador omtrent het geweld en de afpersingen van bendes en dat geen van deze artikelen ziet op de persoonlijke situatie van eisers. Dit is door eisers ook niet weersproken. Eisers noch de familieleden van eisers worden in de artikelen genoemd en evenmin wordt de moord op de (schoon)vader hierin genoemd. Verder heeft de minister aan eisers mogen tegenwerpen dat uit deze artikelen blijkt dat de bendes het voornamelijk op (succesvolle) ondernemers hadden gemunt. Niet is gebleken dat eisers daaronder vallen en dat de inhoud van de artikelen gelet daarop op hen van toepassing kan worden geacht. De beoordeling van de algemene landeninformatie leidt daarom niet tot een andere conclusie over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eisers.
8.4
Gelet op het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig mogen vinden dat eisers worden bedreigd en afgeperst door Pandilla 18 na de moord op hun (schoon)vader. De beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluiten
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de door eisers genoemde omstandigheden niet ten onrechte geen aanleiding heeft gevonden om af te zien van het opleggen van terugkeerbesluiten aan eisers. De minister merkt in het verweerschrift terecht op dat eisers niet hebben onderbouwd om welke redenen en in het kader van welke medische aspecten van eiseres en eiser III niet kan worden verlangd dat zij terugkeren naar El Salvador . Eisers hebben dit op de zitting ook niet onderbouwd. Verder wijst de minister er in het kader van het beroep op de belangen van de kinderen terecht op dat de terugkeerbesluiten zijn opgelegd aan eisers gezamenlijk als gezin en heeft de minister ook in de duur van het verblijf in Nederland geen aanleiding hoeven zien om (aan eisers II en III) geen terugkeerbesluiten op te leggen. Wat eisers verder nog hebben aangevoerd over hun verblijf en activiteiten in Nederland houdt ook geen bijzondere omstandigheden in op grond waarvan de minister zou moeten af zien van het opleggen van terugkeerbesluiten aan eisers. De beroepen slagen niet.

Conclusie en gevolgen

10.1
De minister heeft de aanvragen terecht afgewezen als ongegrond en terecht terugkeerbesluiten opgelegd aan eisers.
10.2
De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 juni 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL22.14282 en NL22.14284.
3.Zie ook de in het verweerschrift aangehaalde uitspraak van de Afdeling van12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:978, r.o. 7.1.
4.Rechtsoverweging 4.1.