ECLI:NL:RVS:2021:978
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.J. van Eck
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onvoldoende motivering bij afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ongeloofwaardigheid bekering
De vreemdeling, geboren in 1988 en met de Iraanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van haar bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende problemen in Iran. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de bekering. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering, met name dat de verklaringen van de vreemdeling over haar bekering niet in onderlinge samenhang waren beoordeeld.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat hij de verklaringen over de bekering en kennis van het geloof wel degelijk had betrokken, maar de Afdeling oordeelde dat dit onvoldoende was gemotiveerd, vooral ten aanzien van de kennis van het christendom. De Afdeling benadrukte dat alle drie elementen van de bekering (motieven en proces, kennis van het geloof en activiteiten) in samenhang moeten worden beoordeeld en gemotiveerd.
Het besluit van 22 mei 2019, waarin de aanvraag wederom werd afgewezen, werd eveneens vernietigd omdat de staatssecretaris niet deugdelijk had gemotiveerd waarom de verklaringen over de kennis van het geloof niet overtuigend waren. De Afdeling veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en beval een nieuw besluit met inachtneming van de motiveringsvereisten.
Uitkomst: Het besluit van 22 mei 2019 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.