Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17170

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL25.7239
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning op grond van niet-beschermenswaardig familieleven tussen jongvolwassene en moeder

Eiser, een jongvolwassene met de Surinaamse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning om bij zijn moeder in Nederland te mogen verblijven. De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet voldeed aan het mvv-vereiste en geen beschermenswaardig familieleven kon worden vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat de gezinsband tussen eiser en zijn moeder verbroken is en niet hersteld kon worden, ondanks dat verweerder dit aanvankelijk niet goed had beoordeeld.

De rechtbank weegt mee dat eiser lange tijd zelfstandig in Suriname heeft gewoond en gewerkt, en dat de moeder vrijwillig naar Nederland vertrok. Hoewel eiser en zijn moeder sinds zijn ziekte weer samenwonen en er sprake is van een emotionele band, is dit onvoldoende om te spreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid die het beschermenswaardig familieleven rechtvaardigen. De medische situatie en de emotionele band zijn erkend, maar er is geen zorgafhankelijkheid aangetoond.

De belangenafweging tussen het privéleven van eiser en het Nederlandse algemeen belang is volgens de rechtbank zorgvuldig gemaakt. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.7239 en AWB 24/7120
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1997, van Surinaamse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. C.H.M. Koster),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bij zijn moeder in Nederland te mogen verblijven. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft dat er tussen eiser en zijn moeder geen sprake is van beschermingswaardig familieleven. Verweerder heeft echter niet goed beoordeeld of de gezinsband tussen eiser en zijn moeder hersteld kon worden. De rechtbank passeert dit gebrek, omdat verweerder in het verweerschrift en op de zitting voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat de gezinsband ten tijde van de besluitvorming was hersteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor het doel: Verblijf als familie- of gezinslid bij mevrouw [persoon] (de moeder van eiser en referente in deze procedure). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, referente, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond en procesverloop
3. Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit. Referente heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser woonde tot aan het vertrek van zijn moeder in 2011 naar Nederland, samen met zijn moeder, broertje en zus in Suriname. Na het vertrek van zijn moeder verbleef eiser naar eigen zeggen deels bij zijn oma en deels in zijn ouderlijk huis. Zijn broertje en zus zijn rond 2019 ook naar Nederland vertrokken. In mei 2023, nadat eiser ernstig ziek was geworden, is eiser samen met zijn moeder naar Nederland gereisd op grond van een visum kort verblijf. In Nederland is een zeldzame vorm van darmkanker bij eiser geconstateerd en eiser is hiervoor geopereerd. Eiser verblijft naar eigen zeggen momenteel in Nederland bij zijn moeder, maar verbleef in de afgelopen jaren afwisselend bij zijn moeder in Amsterdam en zijn zus in Den Haag.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet beschikt over de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Het geschil gaat voornamelijk over de vraag of eiser had moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat zijn uitzetting in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Volgens verweerder is geen sprake van beschermenswaardig familie- of gezinsleven. Eiser voldoet immers niet aan het jongvolwassenenbeleid en er is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn in Nederland verblijvende gezinsleden.
Vrijstelling mvv-vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVMR familieleven
Jongvolwassenenbeleid
5. Partijen zijn allereerst verdeeld over de vraag of verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de criteria van het jongvolwassenenbeleid. Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Dit beleid bevat vier inhoudelijke cumulatieve vereisten: het meerderjarige kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. Verweerder moet aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden een op het geval toegespitste beoordeling maken of een meerderjarig kind aan die vereisten voldoet.
5.1.
Eiser heeft primair naar voren gebracht dat de gezinsband nooit is verbroken, omdat referente jaarlijks een aantal maanden in Suriname verbleef en eiser altijd financieel afhankelijk is gebleven, dan wel dat de gezinsband is hersteld vanaf het moment dat eiser ziek is geworden. Vanaf dat moment woonde eiser namelijk weer onafgebroken samen met zijn moeder, verzorgden zij elkaar en waren zij afhankelijk van elkaar.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in de besluitvorming en op de zitting primair het standpunt heeft ingenomen dat een verbroken gezinsband niet kan worden hersteld. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024 [2] , kan een eenmaal verbroken gezinsband onder omstandigheden wel worden hersteld. De rechtbank is van oordeel dat de besluitvorming op dit punt daarom een gebrek bevat. De beroepsgrond slaagt.
5.3.
De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 is het peilmoment voor herstel van een verbroken gezinsband het primaire besluit of het besluit op bezwaar. Verweerder moet bij de beoordeling alle relevante feiten en omstandigheden betrekken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in dit geval de gezinsband verbroken is en niet hersteld. Hierbij acht de rechtbank met name de duur van de scheiding van belang. Referente is vrijwillig vertrokken naar Nederland, in die periode heeft eiser voor het grootste gedeelte zelfstandig in Suriname gewoond en vanaf een bepaalde leeftijd ook gewerkt en voor zijn broertje gezorgd. De stelling van eiser dat zijn moeder jaarlijks een aantal maanden in Suriname bij hem verbleef is niet onderbouwd, maar zou ook niet voldoende zijn voor het aannemen van samenleven in gezinsverband. Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat de gezinsband is hersteld vanaf het moment dat hij ziek is geworden. Hoewel eiser en zijn moeder vanaf dat moment weer samen zijn gaan wonen en er begrijpelijk weer sprake was van een sterke band en afhankelijkheid, is dit onvoldoende afgewogen tegen de lange duur van de scheiding en het feit dat eiser langdurig zelfstandig heeft gewoond. Dat betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6. De rechtbank overweegt dat als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, verweerder beoordeelt of sprake is van beschermenswaardig familieleven op grond van het vereiste van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. [3]
7. Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin alle individuele omstandigheden van het geval worden betrokken en in onderlinge samenhang worden beoordeeld. De beoordeling van de vraag of er daadwerkelijk elementen van afhankelijkheid bestaan is een vraag van feitelijke aard. Verweerder moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen bestaan. Bijkomende elementen die hierbij kunnen worden betrokken zijn onder andere: de mate waarin de vreemdeling, al dan niet vanwege gezondheidsproblemen, (exclusief) afhankelijk is van de referent (of omgekeerd) en de feitelijke zorg die de referent (of de vreemdeling) gegeven heeft, samenwoning, financiële afhankelijkheid, de band met het land van herkomst en overige aangevoerde feiten en omstandigheden. Het is aan de referent en de vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Bij het vaststellen of familieleven bestaat in deze gevallen, gaat het erom dat een geïndividualiseerde beoordeling is gemaakt van de desbetreffende (zorg)relatie en de overige relevante omstandigheden.
8. De rechtbank toetst de vraag of sprake is van meer dan gebruikelijke emotionele band – evenals het EHRM [4] – vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025 [5] en maakt deze overwegingen de hare.
9. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en wijst op zijn jonge leeftijd, de samenwoning en de heftige gebeurtenissen die hij en zijn moeder samen hebben meegemaakt. Hieruit is psychische, praktische en emotionele afhankelijkheid ontstaan voor beiden. Eiser wijst op zijn psychische klachten, zwakbegaafdheid en de restklachten door zijn tumor. Zijn moeder begeleidt hem naar zorgafspraken en doet de communicatie met de instanties. Op zijn beurt ondersteunt eiser zijn moeder emotioneel, maar ook met haar fysieke en psychische klachten. Verder is eiser financieel afhankelijk van zijn moeder. Ten aanzien van zijn leeftijd voert eiser aan dat, ondanks dat hij niet onder het jongvolwassenebeleid valt volgens verweerder, zijn jonge leeftijd in dit kader wel kenbaar moet worden meegenomen. Te meer nu hij jaren van zijn leven heel ziek is geweest.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit op juiste gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat tussen eiser en referente geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft in dit verband alle relevante omstandigheden meegewogen. Zo heeft verweerder de huidige samenwoning van eiser en zijn moeder betrokken, maar ook dat eiser geruime tijd – van 2011 tot 2022 – gescheiden van haar heeft geleefd en zelfstandig woonde en werkte. Dat sprake is geweest van periodes van samenwoning en eiser nu weer bij zijn moeder woont – op de zitting is gebleken dat hij afwisselend bij zijn zus heeft gewoond – heeft verweerder op zichzelf onvoldoende kunnen achten om aan te tonen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ook van structurele financiële afhankelijkheid is niet gebleken. Eiser heeft in de periode dat hij zelfstandig woonde zelf gewerkt en kreeg af en toe financiële steun. Ten aanzien van de medische situatie overweegt de rechtbank dat, hoewel de medische klachten van zowel eiser als referente niet in geschil zijn, niet is onderbouwd dat eiser dan wel referente zorgbehoevend zijn en afhankelijk zijn van elkaar voor zorg. Hiermee ontkent de rechtbank niet de invoelbaar sterke emotionele band tussen eiser en referente. Gezien de omstandigheden waaronder eiser naar Nederland is gekomen is deze sterke band ook niet in geschil. Hiermee is echter nog geen sprake van (zorg)afhankelijkheid. Tot slot heeft verweerder terecht betrokken dat eiser geboren en getogen is in Suriname en evident sterke banden heeft met het land van herkomst.
11. De rechtbank concludeert dat verweerder op basis van de ingebrachte informatie voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft dus geen belangenafweging hoeven te verrichten.
Vrijstelling mvv-vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM privéleven
12. Eiser heeft aangevoerd dat de belangenafweging in het kader van privéleven gebrekkig is. Er wordt nauwelijks gewicht toegekend aan de banden met de familieleden (moeder, zusje en nichtjes) en de niet ter discussie staande medische klachten. De medische situatie van eiser en de mate van afhankelijkheid die hij daardoor van zijn moeder heeft, dienen zwaar in het voordeel van eiser te wegen.
13. Volgens vaste rechtspraak [6] van het EHRM en de Afdeling moet bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM een ‘fair balance’ worden gemaakt tussen enerzijds het belang van eiser bij een gecontinueerd verblijf en anderzijds het belang van de Nederlandse staat. Alle feiten en omstandigheden die voor de belangenafweging van betekenis zijn, moeten daarbij kenbaar worden betrokken. De rechtbank moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitkomst van die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen de belangen van eiser en het Nederlands algemeen belang. Deze maatstaf impliceert een enigszins terughoudende toets.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser in Nederland zijn privéleven heeft opgebouwd zonder dat hij in het bezit was van een verblijfsvergunning en dat het blijven uitoefenen van het privéleven tijdens illegaal verblijf van eiser in overwegende mate voor zijn rekening en risico komt. Dit standpunt van verweerder is in overeenstemming met vaste rechtspraak van het EHRM, waaronder het arrest in de zaak Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014. [7] Uit deze rechtspraak volgt dat als het privéleven is ontstaan en geïntensiveerd in een gastland waar de vreemdeling geen dan wel een precair verblijfsrecht had, uitzetting van die vreemdeling slechts in ‘uitzonderlijke omstandigheden’ (exceptional circumstances) in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen ten aanzien van het niet bestaan van beschermenswaardig familieleven heeft verweerder hier geen groter belang aan hoeven hechten. Ten aanzien van eisers medische situatie merkt de rechtbank op dat eiser niet heeft willen meewerken aan een nieuw BMA [8] -advies. Tot slot is niet gebleken van zorgafhankelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en zich niet onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het Nederlands algemeen belang in dit geval zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiser.

Conclusie en gevolgen

15. De conclusie is dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de gezinsband tussen eiser en referente is verbroken. Weliswaar bevat het besluit een motiveringsgebrek ten aanzien van de mogelijkheid om de gezinsband te herstellen, maar de rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het verweerschrift en op de zitting voldoende gemotiveerd dat de gezinsband ten tijde van het nemen van het primaire en bestreden besluit niet was hersteld en is eiser daarmee niet in zijn belangen geschaad. Het beroep is dus ongegrond.
16. Omdat op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
17. Omdat het besluit wel een motiveringsgebrek bevat, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL25.7239:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter, in de zaak AWB 24/7120:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr.J.L. van Egmond, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145 en ECLI:NL:RVS:2024:2146 en de uitspraak van 15 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3306.
4.Het Europese Hof van de Rechten voor de Mens.
5.ECLI:NL:RBDHA:2025:22362, r.o. 9 tot en met 9.5.
6.Zie bijvoorbeeld het arrest Rodriques da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, en de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2047.
7.ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810.
8.Bureau Medische Advisering.