ECLI:NL:RBDHA:2026:17197

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
09.133303.23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 46 SrArt. 47 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen in- en uitvoer, handel cocaïne, voorbereiding wapenhandel en witwassen

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van de in- en uitvoer van 448 kilo cocaïne, handel in cocaïne, voorbereidingshandelingen van deze feiten, medeplegen van de voorbereiding van wapenhandel en medeplegen van witwassen van grote geldbedragen. Het bewijs bestond onder meer uit SkyECC-berichten, chatgesprekken, metadata en andere objectieve gegevens. De verdediging voerde bewijsuitsluiting van de SkyECC-data aan, maar dit werd verworpen op grond van rechtmatige interceptie en verwerking.

De rechtbank stelde vast dat verdachte de gebruiker was van twee SkyECC-accounts in de relevante periode, ondanks betwisting van de verdediging. Uit de chatberichten bleek betrokkenheid bij grootschalige cocaïnehandel, waaronder transporten, prijsafspraken en transacties, alsmede voorbereiding van wapenhandel met automatische vuurwapens. Daarnaast werd witwassen van meer dan drie miljoen euro bewezen verklaard.

De rechtbank oordeelde dat de feiten wettig en overtuigend bewezen waren en dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. De strafoplegging resulteerde in een gevangenisstraf van zes jaar, met aftrek van voorarrest. De gevorderde geldboete werd niet opgelegd wegens onvoldoende bewijs van financieel voordeel. Tevens werden inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard. De voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor medeplegen van drugshandel, voorbereiding wapenhandel en witwassen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/133303-23
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 14 juni 2024, 28 juni 2024, 28 augustus 2024, 21 november 2024, 18 februari 2025, 16 mei 2025, 4 juli 2025, 23 september 2025 (pro forma), 20 januari 2026 (regie) en 11 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. V.H. Hammerstein naar voren is gebracht.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 11 juni 2026 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 11 juni 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.

3.Heropening onderzoek ter terechtzitting?

Na de sluiting van het onderzoek op 11 juni 2026 heeft de raadsvrouw op 12 juni 2026, per e-mail een schriftelijke weergave van haar dupliek aan de rechtbank overgelegd.
De officier van justitie heeft naar aanleiding van deze e-mail verzocht om - indien de e-mail niet buiten beschouwing wordt gelaten - het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde in de gelegenheid te worden gesteld te reageren op de schriftelijke weergave van de dupliek van de raadsvrouw. Daartoe is aangevoerd dat het onder de aandacht brengen van het standpunt van de raadsvrouw, na sluiting van het onderzoek, in strijd is met het beginsel van equality of arms.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. De rechtbank acht zich op basis van het voorliggende dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende voorgelicht om tot een beslissing te komen. Aangezien het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2026 is gesloten, zijn de nadien door de raadsvrouw en de officier van justitie verzonden e-mailberichten geen onderdeel gaan uitmaken van het strafdossier. Deze berichten blijven dus buiten beschouwing.

4.Bewijsuitsluiting

4.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft - overeenkomstig haar op schrift gestelde pleitnota en kort samengevat - ter terechtzitting betoogd dat de SkyECC-data op grond van artikel 359a lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van het bewijs dient te worden uitgesloten, omdat dit bewijs onrechtmatig verkregen en verwerkt zou zijn.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van rechtmatige interceptie en rechtmatige verwerking van de verkregen informatie en dat de SkyECC-data gebruikt kan worden voor het bewijs.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Algemene overwegingen
De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet om uit te gaan van een wezenlijk andere vaststelling van de gang van zaken rondom de vergaring en verwerking van de SkyECC-data in dit onderzoek, dan zoals weergegeven in de beslissing van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913). In die beslissing heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord in verband met het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken en het toetsingskader geformuleerd voor het gebruik van dergelijke berichten voor de bewijsbeslissing.
In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in het onlangs gewezen arrest van 14 april 2026 (ECLI:HR:NL:2026:650) uiteengezet wat de gevolgen zijn van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak C-670/22 (M.N. (EncroChat)) voor het genoemde toetsingskader. De Hoge Raad heeft in de beslissing van het HvJEU aanleiding gezien het toetsingskader als volgt bij te stellen:
“dat de regeling van artikel 31 Richtlijn Pro 2014/41/EU niet uitsluitend verband houdt met, kort gezegd, de soevereiniteit van de betrokken landen en het daaraan verbonden uitgangspunt dat het aan de autoriteiten van een land is om te bepalen welke opsporingsactiviteiten op het eigen grondgebied plaatsvinden. Deze regeling beoogt mede de rechten van gebruikers op wie een interceptiemaatregel is gericht, te beschermen. Het gaat daarbij om het recht op eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft. Dit betekent dat als sprake is van interceptie van telecommunicatie zonder dat daarbij de voorschriften van artikel 31 Richtlijn Pro 2014/41/EU worden nageleefd, de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, wordt aangetast in zijn rechten, en dat dit een relevant gezichtspunt kan vormen bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de niet-naleving van die voorschriften. In dit verband kan van belang zijn of het – in het licht van de feiten en omstandigheden van het concrete geval – te verwachten zou zijn geweest dat, als de intercepterende lidstaat wel tijdig de autoriteit van de andere lidstaat in kennis
had gesteld van de interceptie, door die autoriteit tegen die interceptie bezwaar zou zijn gemaakt.” (r.o. 4.13).
Vooropgesteld wordt dat de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2026 het toetsingskader dat in de prejudiciële beslissing van 13 juni 2023 omtrent - onder andere - het interstatelijke vertrouwensbeginsel is geformuleerd in stand laat, met inachtneming van de bovengenoemde bijstelling.
4.3.2.
Beoordeling van de verweren
Onrechtmatig verkregen bewijs
De rechtbank stelt vast dat bij de interceptie van zowel EncroChat- als SkyECC-gegevens sprake is geweest van opsporing in Frankrijk, onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612, overwogen dat bij het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (Joint Investigation Team, hierna: JIT), waar hier ook sprake van was, het nationale recht van de lidstaat waar de opsporingsbevoegdheid ten behoeve van een JIT wordt uitgeoefend leidend is en dat - kort gezegd - het verlenen van (technische) bijstand vanuit de Nederlandse politie bij de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een andere deelnemende lidstaat niet meebrengt dat de verantwoordelijkheid voor het opsporingsonderzoek alsnog op Nederland is komen te rusten. Van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geen sprake geweest.
Door de verdediging zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor doorbreking van het hiervoor genoemde vertrouwensbeginsel. Wat de verdediging heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de uitvoering van het onderzoek heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt in dat geval met zich dat van de rechtmatigheid van die interceptie (en de daarop volgende verstrekking) moet worden uitgegaan.
Het behoort dan ook niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit Franse onderzoek is uitgevoerd strookt met de daarvoor in Frankrijk geldende rechtsregels noch of de Franse rechter hiervoor een machtiging heeft kunnen verlenen. De taak van de Nederlandse strafrechter is in dit geval ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Voor zover de verdediging een beroep heeft willen doen op de schending van artikel 6 EVRM Pro, heeft zij niet onderbouwd waarin het concrete nadeel voor verdachte heeft bestaan, bijvoorbeeld wat betreft de mogelijkheid van verdachte om de inhoud of betrouwbaarheid van de SkyECC-berichten te betwisten.
Schending evenredigheidsbeginsel
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de bulkinterceptie tot een ernstige inbreuk op de privacy van gebruikers heeft geleid, zonder dat vooraf een concrete relatie tussen individuele accounts en strafbare feiten was vastgesteld. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dat niet alleen het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan toetsing van de rechtmatigheid van de interceptie, maar ook overigens het verweer geen doel treft. Het verkrijgen van de SkyECC-gegevens richt zich immers tot een afgebakende groep gebruikers, van één specifieke telecomdienst, terwijl er een concrete verdenking bestond dat deze dienst gebruikt zou worden door criminelen die zich (in georganiseerd verband) met zeer ernstige strafbare feiten hebben beziggehouden.
Artikel 31 Richtlijn Pro 2014/41/EU
Door de verdediging is gesteld dat artikel 31 Richtlijn Pro 2014/41/EU van toepassing is in het onderhavige geval en de bevoegde autoriteit in Nederland - de rechter-commissaris - dus had moeten worden genotificeerd door de Franse autoriteiten over de hack.
In artikel 30 en Pro 31 Richtlijn 2014/41/EU staan regels geformuleerd voor Europese onderzoeksbevelen (EOB’s) voor de interceptie van telecommunicatie in een andere lidstaat. Artikel 30 bepaalt Pro dat een EOB kan worden uitgevaardigd voor de interceptie van telecommunicatie in de lidstaat van waaruit technische bijstand nodig is. Indien de intercepterende lidstaat telecommunicatie wenst te intercepteren van een persoon van wie het communicatieadres in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, moet de intercepterende lidstaat op grond van artikel 31 de Pro bevoegde autoriteiten van die lidstaat in kennis stellen van de interceptie door middel van een formulier dat als bijlage C bij de richtlijn is gevoegd.
De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 3 Richtlijn Pro 2014/41/EU en het daarmee samenhangende artikel 5.4.1 lid 3 Sv volgt dat onderzoeksactiviteiten van een joint investigation team (JIT) (zoals hier aan de orde) nadrukkelijk niet onder het bereik van Richtlijn 2014/41/EU vallen, waardoor er geen sprake is van een notificatieverplichting aan de rechter-commissaris.
Conclusie
Gelet op het voorgaande worden alle verweren van de raadsvrouw die zien op de verkrijging en verwerking van gegevens van SkyECC verworpen. De rechtbank acht de SkyECC-berichten bruikbaar voor het bewijs en ziet geen aanleiding om de SkyECC-data van het bewijs uit te sluiten.

5.De bewijsbeslissing

5.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.
5.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in
bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
5.4.
Bewijsoverwegingen
5.4.1
Identificatie verdachte als gebruiker van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2]
De rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden of de verdachte kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] . De verdediging heeft betwist dat de verdachte de (enige) gebruiker is geweest van de verschillende accounts. De rechtbank overweegt het volgende.
Het account [SkyECC-account 1] was in gebruik vanaf 13 september 2020 tot en met 30 november 2020 en was gekoppeld aan één IMEI-nummer. De politie heeft geconcludeerd dat dit account tot en met 3 november 2020 in gebruik was bij iemand anders dan de verdachte. Het account [SkyECC-account 2] was in gebruik vanaf 9 augustus 2020 tot en met 6 maart 2021 en is in die periode gekoppeld geweest aan drie verschillende IMEI-nummers. Het account is door de politie aan de verdachte gelinkt vanaf 1 december 2020.
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat de gebruiker van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] in de periode vanaf 4 november 2020 tot en met 28 februari 2021 dezelfde persoon is geweest.
Voor de vaststelling dat de verdachte gebruiker was van de betreffende SkyECC-accounts, is niet vereist dat een SkyECC-toestel onder hem in beslag is genomen. De identiteit van een gebruiker kan in dit geval worden vastgesteld op basis van de inhoud van de communicatie, metadata-onderzoek en overige objectieve gegevens in het dossier.
De rechtbank overweegt daartoe dat onder deze accounts aan elkaar verwante nicknames werden gebruikt en dat ze via overeenkomende unieke wachtwoorden toegankelijk waren. Daarnaast maakten de accounts gebruik van twee basisstations in de voor de nachtrust bestemde uren die beide de woonplaats van de verdachte binnen hun theoretisch bereik hadden. Ook volgden de SkyECC-accounts elkaar op in gebruik. Uit al deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat de accounts aan elkaar gelinkt kunnen worden en in de voornoemde periode door dezelfde persoon zijn gebruikt.
De rechtbank overweegt voorts dat uit de bewijsmiddelen meerdere feiten en omstandigheden volgen die - in onderlinge samenhang bezien – de conclusie rechtvaardigen dat de SkyECC-accounts gedurende de periode van belang (achtereenvolgens) in gebruik waren bij de verdachte. De rechtbank acht onder andere van belang dat uit chatberichten van de accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] blijkt dat de gebruiker in die periode meerdere keren aan zijn tegencontacten heeft bericht dat zij naar zijn huis moesten komen. Hij sprak voornamelijk af in de [straatnaam 1] , [straatnaam 2] en de [straatnaam 3] in Maassluis en een keer aan de [straatnaam 4] . De verdachte woonde vanaf 2014 tot en met 23 oktober 2022 aan de [straatnaam 1] in Maassluis . De [straatnaam 2] is zoals blijkt uit het dossier om de hoek van de [straatnaam 1] . Verder blijkt dat de ouders van de verdachte woonachtig zijn aan de [straatnaam 4] in Maassluis . De [straatnaam 3] ligt daar om de hoek. Ook komt uit het dossier naar voren dat het langst gebruikte IMEI-nummer gekoppeld aan het SkyECC-account [SkyECC-account 2] in de voor nachtrust bestemde uren het meest gebruikt maakte van het basisstation [basisstation 1] te Maassluis . Dit basisstation heeft de woning waar de verdachte tijdens de pleegperiode ingeschreven stond binnen zijn theoretisch bereik. Voorts maakte het IMEI-nummer gekoppeld aan SkyECC-account [SkyECC-account 1] in de voor nachtrust bestemde uren het meest gebruik van het basisstation [basisstation 2] te Maassluis . Dit basisstation heeft de woning waar de ouders van de verdachte staan ingeschreven, binnen zijn theoretisch bereik.
Daarnaast zijn de SkyECC-accounts onderdeel van chatgesprekken waarin een transport van 1.2 miljoen euro is afgestemd en begeleid. Dit transport werd op 30 november 2020 onderschept door de politie. Uit de gesprekken blijkt dat de gebruiker van de accounts met zijn eigen auto aanwezig was bij dit transport. De politie zag tijdens de onderschepping dat een zilverkleurige Volkswagen Jetta aanwezig was, waarbij de bestuurder van deze auto wist te ontsnappen. Dit komt overeen met de chatberichten van het account [SkyECC-account 2] waarin de gebruiker schreef dat hij wegrende. Uit verder onderzoek is gebleken dat de verdachte ten tijde van dit incident een grijze Volkswagen Jetta op zijn naam had staan en deze tien dagen later op een andere naam heeft gezet.
Andere gebruiker
De verdediging heeft betoogd dat, wanneer zou worden aangenomen dat de verdachte de SkyECC-accounts heeft gebruikt, de verdachte niet de uitsluitende gebruiker van deze accounts is geweest. Dit zou onder meer blijken uit verstuurde voiceberichten waarop een andere stem dan die van de verdachte te horen is. Bovendien zou de verdachte zich in Nederland bevinden op momenten dat het SkyECC-account [SkyECC-account 2] in Spanje en België uitstraalde. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Uit de chatberichten blijkt dat de voiceberichten zijn verzonden door ‘ [naam] ’. Daarbij wordt expliciet vermeld dat ‘ [naam] ’ op dat moment naast de gebruiker zit en met het tegencontact spreekt. Ook geeft de gebruiker aan dat ‘ [naam] ’ het tegencontact op de hoogte houdt. Hieruit leidt de rechtbank af dat de voiceberichten door een ander zijn verzonden, maar dat de verdachte de gebruiker van het account bleef.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet (uitsluitend) als gebruiker van het account [SkyECC-account 2] kan worden aangemerkt, omdat het daaraan gekoppelde IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] tussen 5 december 2020 en 8 maart 2021 in België heeft uitgestraald terwijl de verdachte zich toen (aantoonbaar) in Nederland bevond. De rechtbank volgt dit niet. De rechtbank overweegt dat het betreffende account gebruik maakte van drie verschillende IMEI-nummers. Uit de metadata blijkt dat op 28 november 2020 de eerste koppeling van het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] plaatsvond en op 30 november 2020 de laatste koppeling. Het bewuste toestel is dus slechts twee dagen aan het account gekoppeld geweest. Het IMEI-nummer had zijn laatste koppeling met het account [SkyECC-account 2] al vóórdat het in België uitstraalde. De rechtbank overweegt dat het voor de koppeling van het account [SkyECC-account 2] aan de verdachte daarom niet van belang is dat de verdachte in de periode waarin IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] in België uitstraalde, zelf in Nederland was. Het account was op dat moment immers al aan een ander IMEI-nummer gekoppeld.
Voorts heeft de verdediging ook gesteld dat IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] in Spanje heeft uitgestraald. De periode waarin dit gebeurde, 1 augustus 2020 tot en met 7 september 2020, ligt ruim vóór de hiervoor genoemde periode vanaf 4 november 2020 tot en met 28 februari 2021 en valt buiten de tenlastelegging. Gelet op het bovenstaande doet het standpunt van de verdediging niet af aan de vaststelling dat de verdachte gebruiker was van het account ten tijde hier van belang.
De enkele, niet nader onderbouwde stelling van de verdediging dat ook de broer van de verdachte mogelijk gebruik heeft gemaakt van deze accounts wordt tegengesproken door voormelde bewijsmiddelen. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de identificerende chatberichten waaruit blijkt dat de verdachte de gebruiker was van het account [SkyECC-account 1] van na 4 november 2020 zijn. De rechtbank kan wat betreft de periode hieraan voorafgaand niet met zekerheid vaststellen dat de verdachte de enige gebruiker was van het account [SkyECC-account 1] . De identificerende berichten waaruit blijkt dat de verdachte de gebruiker was van het account [SkyECC-account 2] hebben als vroegste datum 1 december 2020. Blijkens de chatberichten heeft de verdachte tijdens het incident op 30 november 2020 zijn telefoon met het account [SkyECC-account 1] in het water gegooid en heeft hij vervolgens het account [SkyECC-account 2] in gebruik genomen.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat de gebruiker van (achtereenvolgens) de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] in de periode van 4 november 2020 tot en met 28 februari 2021 de verdachte is geweest.
5.4.2.
Bewijsminimum
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de SkyECC-gesprekken in het dossier geen steun vinden in ander bewijsmateriaal. Volgens de raadsvrouw is dan ook niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum.
De rechtbank volgt dit verweer niet. Allereerst bestaat het dossier uit meerdere SkyECC-gesprekken, tussen verschillende accounts, op een significant aantal data binnen de tenlastegelegde periode. Bovendien zijn binnen de SkyECC-gesprekken afbeeldingen verstuurd, die de inhoud van de gesprekken ondersteunen. Verder overweegt de rechtbank dat de bewijsregel van artikel 342, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) betrekking heeft op getuigenverklaringen. Het bewijs van een strafbaar feit mag niet uitsluitend worden gevonden in de verklaring van één getuige. Ontsleutelde berichten zijn evenwel schriftelijke bescheiden, meer in het bijzonder ‘andere geschriften’ als bedoeld in artikel 344, lid 1, onder 5, Sv en kunnen voor het bewijs worden gebruikt ‘in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen’. Een ander bewijsmiddel kan tevens een ‘ander geschrift’ zijn (ECLI:NL:HR:2004:AO9131). In dit geval betreft dat meerdere SkyECC-berichten.
Wel neemt de rechtbank de nodige behoedzaamheid in acht bij het beoordelen van de SkyECC-gesprekken, omdat zij niet de beschikking heeft over alle uitgewisselde SkyECC-berichten. Bij die beoordeling komt onder meer betekenis toe aan de aard en inhoud van die gesprekken en de betekenis van gebruikte bewoordingen.
5.4.3.
Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3: In- en uitvoer van cocaïne, handel in cocaïne en de voorbereidingshandelingen
In- en uitvoer van cocaïne
De rechtbank leidt uit de gesprekken tussen de verdachte en de tegencontacten af dat in de periode van 14 november 2020 tot en met 8 februari 2021 in totaal 448 kilogram aan cocaïne over de grens van Nederland en België is gebracht.
Op 14 november 2020 deelt de verdachte mee dat hij ‘50’ meegeeft en tot de grens meerijdt. In diezelfde chat wordt vervolgens een foto van een wit blok met een stempel gedeeld. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte betrokken is bij het over de grens vervoeren van cocaïne. Dit wordt verder ondersteund door verschillende chatberichten waarin gesproken wordt over verschillende hoeveelheden cocaïne die worden vervoerd. Zo wordt er bijvoorbeeld gesproken over ’61 stuks afgegeven’, ’43 stuks colo’, ‘15 stuks ophalen’. Dat de verschillende transporten daadwerkelijk uitgevoerd zijn, blijkt onder andere uit berichten als ‘af gegeven bro’, ‘heb 61 stuks af gegeven’ en ‘mission complete’.
De politie heeft duiding gegeven aan de verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. De rechtbank volgt de uitleg van de politie, ook omdat deze duiding past bij de context van de gevoerde gesprekken en de samenhang tussen chatberichten en afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn verstuurd.
De rechtbank merkt op dat geen twijfel kan bestaan dat gehandeld wordt in cocaïne. Door de verdachte zijn verschillende keren foto’s van witte blokken met een stempel erop verstuurd. Voorts wordt gesproken over prijzen die passen bij de prijs van een kilo cocaïne. Tevens wordt gesproken over ‘colo’ en ‘boli’, termen die volgens de politie worden gebruikt om cocaïne uit Colombia dan wel Bolivia aan te duiden. Mede gelet daarop en op de andere gebruikte begrippen en de context waarbinnen de gesprekken hebben plaatsgevonden, concludeert de rechtbank dat het hier gaat om cocaïne. Op grond hiervan kan de rechtbank concluderen dat er in totaal 448 kilo cocaïne is in- en uitgevoerd. Bovendien blijkt uit de chatgesprekken dat de blokken cocaïne worden verhandeld in zowel Nederland als België.
Handel in cocaïne
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gedurende een periode van ongeveer drie maanden heeft gehandeld in cocaïne. De rechtbank overweegt hiertoe dat er meerdere chats zijn waaruit blijkt dat sprake is van voltooide transacties. Zo wordt in deze gesprekken informatie uitgewisseld over hoeveel stuks er afgegeven zijn of moeten worden, de prijzen van blokken cocaïne en hoe veel geld het heeft opgeleverd. Ook blijkt uit de chats dat de verdachte zelf over blokken cocaïne heeft beschikt en deze heeft afgegeven. Daarnaast treedt hij op als tussenpersoon voor de ontvangende en de betalende partij. Verder stuurt de verdachte onder meer foto’s van zogenoemde ‘tokens’. Een geldbriefje met daarop een uniek nummer, waarmee kan worden gecontroleerd of de overdracht is met de juiste persoon. De verdachte doet navraag bij zijn tegencontacten of een transactie goed is gegaan, of bevestigt dit zelf aan zijn tegencontacten.
Voorbereidingshandelingen
In het verlengde van het voorgaande stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte in vereniging voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de handel in cocaïne. Uit een aantal SkyECC-gesprekken blijkt bijvoorbeeld dat de verdachte met de gebruikers van onder andere SkyECC-accounts [SkyECC-account 3] en [SkyECC-account 4] praat over transporten richting België. Er zijn concrete gesprekken gevoerd waarbij informatie is uitgewisseld over de beschikbaarheid, hoeveelheden, prijzen en de manier van transporteren. Uit de chats blijkt ook dat de verdachte vooruit reed om de grens te controleren, tevens gaf hij anderen de instructie om hetzelfde te doen. De verdachte was actief betrokken bij deze communicatie. Dergelijke handelingen zijn naar hun aard gericht op het mogelijk maken van het in- en uitvoeren en het verhandelen van partijen cocaïne als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit de chats blijkt dat de verdachte met meerdere personen drugsgerelateerde gesprekken heeft gevoerd waarin concrete informatie is uitgewisseld over onder meer beschikbaarheid, hoeveelheden, prijzen van verdovende middelen. De hierboven genoemde gedragingen vonden plaats in structurele afstemming met andere betrokkenen binnen hetzelfde samenwerkingsverband. De verdachte stond in de chats in nauw contact met zijn tegencontacten en had zowel een faciliterende als uitvoerende rol. De verdachte leverde daarmee een bijdrage van voldoende gewicht aan de voorbereiding van de voorgenomen Opiumwetfeiten. Onder deze omstandigheden is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders.
Partiële vrijspraak t.a.v. een deel van de pleegperiode
Zoals hiervoor is overwogen, kunnen de SkyECC-accounts pas vanaf 4 november 2020 (achtereenvolgens) aan de verdachte worden gelinkt. Blijkens berichten van een tegencontact van 7 november 2020 is er op die datum contact met de verdachte over de handel in cocaïne. Daarom zal de rechtbank ten aanzien van feiten 2 en 3 tot een partiële vrijspraak komen met betrekking tot de tenlastegelegde periode vóór 7 november 2020.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel van de verdachte zich, tezamen en in vereniging met anderen, in de periode van 14 november 2020 tot en met 25 december 2020 schuldig heeft gemaakt aan de in- en uitvoer van cocaïne van in totaal 448 kilo. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 14 november 2020 tot en met 8 februari 2021 zich ook schuldig heeft gemaakt aan de handel van cocaïne en samen met anderen tevens in die periode voorbereidende handelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet heeft verricht. De rechtbank acht de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen.
5.4.4.
Ten aanzien van feit 4: Voorbereiding van wapenhandel
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 chatgesprekken heeft gevoerd over – kortgezegd – de handel in vuurwapens. De verdachte heeft foto’s van vuurwapens gedeeld en gesprekken gevoerd over verschillende soorten (automatische) vuurwapens, waaronder Walters, Glocks en AK’s. Ook laat de verdachte zijn tegencontact weten dat hij vuurwapens kan laten ombouwen en wat de prijzen zijn. Gezien de prijzen die zijn genoemd, in combinatie met de verstuurde afbeeldingen van de wapens, bestaat er geen twijfel dat het hier om echte vuurwapens gaat. Uit de chats is af te leiden dat de verdachte enerzijds beschikt over contacten die vuurwapens hebben en anderzijds over contacten die geïnteresseerd zijn in vuurwapens. Gezien de hoeveelheden en de inhoud van de gesprekken concludeert de rechtbank dat de verdachte de wapens gedurende een periode met winst wilde verkopen, hetgeen met zich brengt dat sprake is van ‘een beroep’. Tot slot had de verdachte geen erkenning om wapens te verhandelen.
Medeplegen
Zoals reeds hiervoor is overwogen met betrekking tot het medeplegen, volgt ook hieruit de chatberichten dat de verdachte nauw en bewust samen heeft gewerkt met zijn tegencontacten en dat ook hier sprake is van medeplegen.
Partiële vrijspraak munitie
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde voor zover dit ziet op munitie. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aangetroffen om dit bewezen te achten.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gedurende de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de voorbereiding van wapenhandel zoals onder 4 tenlastegelegd.
5.4.5.
Ten aanzien van feit 5: Witwassen
De rechtbank leidt uit de inhoud van de in het dossier opgenomen chatberichten af dat binnen het samenwerkingsverband meermalen aanzienlijke contante geldbedragen zijn opgehaald, vervoerd en afgeleverd. Uit de context van deze chatgesprekken blijkt dat deze geldstromen verband hielden met de handel in cocaïne. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verdachte in een chatbericht van 24 november 2020 expliciet heeft vermeld dat hij een bedrag van één miljoen euro had ontvangen dat niet van hem was.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de afzonderlijke chatberichten niet los van elkaar worden bezien, maar dienen deze in onderlinge samenhang te worden gewaardeerd. Uit die samenhang volgt dat de besproken en verplaatste geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten de handel in cocaïne. Gelet op de eigen betrokkenheid bij de handel in cocaïne, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van de criminele herkomst van dit geld.
Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte is een contant geldbedrag van € 4.000,- gevonden. Opvallend is dat het geld bestond uit coupures die niet afkomstig zijn uit Nederlandse geldautomaten. Daarnaast was het geld samengebonden op een wijze die kenmerkend is voor crimineel geld. Voorts blijkt op basis van de verstrekte gegevens van iCOV (Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen) dat de verdachte minimale inkomsten had ten tijde van de pleegperiode. Daarbij weegt de rechtbank mee dat tijdens de doorzoeking van zijn woning is gebleken dat de verdachte een levensstijl had die niet past bij zijn inkomen. De verdachte heeft niet aannemelijk kunnen maken waarmee hij dit heeft bekostigd. De rechtbank komt om die reden tot de slotsom dat het niet anders kan dan dat het volledige geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het witwassen van in totaal een geldbedrag van € 3.224.250,-.
5.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op meer tijdstip(pen) in de periode van 14 november 2020 tot en met 25 december 2020 te Maassluis , in elk geval in Nederland, en/of te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilo en 150 kilo en 61 kilo en 100 kilo en 9 kiloen 20 kilo en 43 kilo en 15 kilo, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van
7 november2020 tot en met 8 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, en/of te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op meer tijdstippen in de periode van
7 november2020 tot en met 8 februari 2021 te Maassluis , in ieder geval in Nederland, en/of te België tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en
- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en
- het opzettelijk vervaardigen van een groot aantal, althans meerdere, in ieder geval een, blok(ken) en/of (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
en- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- meerdere PGP-telefoons, althans encryptie-telefoons, voorhanden te hebben gehad en daarvan gebruik te hebben gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededader(s) en/of leverancier(s) en/of afnemer(s) en/of andere derde(n) en/of
- een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en/of een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en/of een of meer bespreking(en) en/of onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en/of een of meer inlichting(en) en/of aanwijzing(en) en/of opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om voornoemde verdovende middelen te kopen en/of verkopen en/of in ontvangst te nemen en/of vervoeren en/of betreffende de wijze waarop die verdovende middelen, zou(den) worden gekocht en/of geleverd en/of afgenomen en/of verder vervoerd en
- (aan/bij) de kopende en/of verkopende partij(en) en/of derde(n) informatie te hebben (op)gevraagd en/of te hebben verstrekt over de prijzen, omvang en/of samenstelling van (de partij (en)) verdovende middelen en
- meer foto’s van meer partijen verdovende middelen te hebben gemaakt en/of te hebben laten maken en/of (vervolgens) te hebben verzonden/doorgestuurd aan de kopende partij(en) en/of mededader(s) en/of derde(n);
4
hij op meer tijdstippen in de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van het voorhanden hebben en/of het (zonder erkenning) overdragen en/of het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren of anderszins ter beschikking stellen of verhandelen van vuurwapens van categorie II en III, en daarvan een beroep of een gewoonte te maken, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, opzettelijk
- informatiedragers, te weten mobiele telefoons met daarop een applicatie SkyECC voor encrypte/versleutelde communicatie, en
- meer (vuur)wapens van categorie II en categorie III (merk Heckler en Koch)van de Wet wapens en munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad,
door telkens
- gebruik te maken van SkyECC-accounts/-ID’s, te weten “ [SkyECC-account 1] ” en/of “ [SkyECC-account 2] ”, en - aan encrypted SkyECC-chats deel te nemen die betrekking hebben op de handel in vuurwapens, en
- (chat)berichten te sturen naar en/of te ontvangen van een of meerdere (mogelijke) leverancier(s), koper(s), tussenperso(o)n(en) en/of anderen, en
- in meerdere (chat)berichten wapens aan te bieden en/of aangeboden te krijgen, althans in die (chat)berichten aan te sturen op de verkoop en/of aankoop van wapens, door aan en/of van een of meer anderen afbeeldingen en/of specificaties van de betreffende wapens (o.a. “Walters”, “glocks”, “aks”, “glocks 17”, “Glock 19 En 6.35 met demp”, “cz 30”, “hockler& Koch”) te sturen en/of te ontvangen en/of het verkoopbedrag en/of aankoopbedrag van de betreffende wapens door te geven en/of te vragen en/of over de verkoopprijs en/of aankoopprijs te onderhandelen;
5
hij op meer tijdstippen in de periode van 13 november 2020 tot en met 1 maart 2024, te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) meer voorwerpen, te weten
- één of meer (grote) geldbedragen 700.000 euro en 1.000.000 euro en 1.200.000 euro en 314.750(K) en 5000 euro en 500 euro (van in totaal
3.220.250euro
)en 4.000 euro),
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit eigen misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

6.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

7.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

8.De strafoplegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie een geldboete van € 80.000,- gevorderd.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in de strafmaat en heeft verwezen naar soortgelijke zaken waar gevangenisstraffen tussen de 2,5 en 4 jaren zijn opgelegd.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van een aantal maanden schuldig gemaakt aan de in- en uitvoer van cocaïne, de handel van cocaïne en voorbereidingshandelingen ten aanzien van deze feiten. Met zijn handelen draagt de verdachte bij aan de (internationale) cocaïnehandel en hij is dan ook deels verantwoordelijk voor de gevolgen van deze handel. De grootschalige handel in cocaïne heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Zo zijn harddrugs zeer schadelijk voor de volksgezondheid en veroorzaakt het gebruik daarvan overlast en criminaliteit. Daarnaast gaan in de georganiseerde handel van harddrugs grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt dikwijls geweld gebruikt. Van de drugshandel gaat bovendien een ondermijnend effect uit. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer dan terecht dat er voor de georganiseerde handel in cocaïne lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting van de maatschappij waar de dader indirect aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het opleggen van vrijheidsstraffen tot doel anderen ervan te weerhouden zich met deze vorm van georganiseerde criminaliteit in te laten.
Niet alleen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan cocaïnehandel. Tegelijkertijd heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen die afkomstig waren uit deze handel. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en faciliteert de onderliggende (drugs)criminaliteit. Ook levert witwassen een aantasting op van de legale economie.
Ook heeft de verdachte zich gedurende een periode van ruim twee maanden schuldig gemaakt aan de voorbereiding van wapenhandel, in de hoedanigheid van wapenmakelaar. De verdachte beschikte over de mogelijkheid om verschillende soorten (automatische) vuurwapens te leveren en was in staat om deze te laten ombouwen. De verdachte had verschillende wapens voorhanden en bood deze te koop aan. Het ongecontroleerde bezit van wapens in zijn algemeenheid brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De illegale handel in wapens dient dan ook streng te worden bestraft.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 september 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook de proceshouding van de verdachte; hij heeft bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn strafbaar handelen en evenmin inzicht daarin gegeven.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden die tijdens de terechtzitting door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht. Voorts is gebleken dat de verdachte zich aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en er geen sprake is van recidive.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. In essentie kent de rechtbank grotere betekenis dan de officier van justitie toe aan de omstandigheid dat sprake is van een samenhangend feitencomplex en dat een deel van de feiten ziet op voorbereidingshandelingen, reden waarom zij tot een lagere straf komt dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, geen reden om aan de verdachte een geldboete op te leggen. De officier van justitie heeft de geldboete bedoeld als afroomboete, gericht op het ontnemen van het voordeel dat de verdachte met de strafbare feiten zou hebben genoten. De rechtbank ziet echter onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen welk financieel voordeel de verdachte daadwerkelijk heeft behaald. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om de gevorderde geldboete op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
In deze strafzaak is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst totdat door de rechtbank einduitspraak is gedaan.
Aan het bevel tot voorlopige hechtenis in deze zaak ligt gevaar voor herhaling ten grondslag. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte vanaf 24 september 2025 geschorst onder bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft geen signalen die wijzen op overtreding van één van de voorwaarden. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat er geen sprake meer is van de recidivegrond, waardoor er geen gronden meer bestaan om de voorlopige hechtenis te laten voortduren. De voorlopige hechtenis van de verdachte wordt opgeheven.

9.De inbeslaggenomen voorwerpen

9.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als
bijlage IIIaan dit vonnis is gehecht) zullen worden verbeurdverklaard.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen gevorderd.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten een geldbedrag van
€ 4.000,- en een telefoon, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien het geldbedrag door middel van de bewezenverklaarde strafbare feiten is verkregen en met behulp van de telefoon de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en is gegrond op de artikelen:
- 33, 33 a, 46, 47, 55, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10, 10 a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;
- 9, 26, 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feiten 1, 2 en 3:
de eendaadse samenloop van:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, om een ander trachten te bewegen daartoe gelegenheid en inlichtingen te verschaffen, zich en/of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 4:
medeplegen van voorbereiding van handelen in strijd met artikel 9, eerste lid en artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of een vuurwapen van categorie III, terwijl het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 5:
medeplegen van witwassen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten:
  • 4.000,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1500-DHRAA22108_807021);
  • 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DHRAA22108_823463, Grijs, merk: Apple iPhone 15 PRO).
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. de Griend, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en C.W.I. Ostendorf, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 november 2020 tot en met 25 december 2020 te Maassluis , in elk geval in Nederland, en/of te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilo en/of 150 kilo en/of 61 kilo en/of 100 kilo en/of 9 kiloen/of 20 kilo en/of 43 kilo en/of 15 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 september 2020 tot en met 8 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, en/of te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 september 2020 tot en met 8 februari 2021 te Maassluis , in ieder geval in Nederland, en/of te België tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van een groot aantal, althans meerdere, in ieder geval een, blok(ken) en/of (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- één of meerdere PGP-telefoon(s), althans encryptie-telefoon(s), voorhanden te hebben gehad en/of daarvan gebruik te hebben gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededader(s) en/of leverancier(s) en/of afnemer(s) en/of andere derde(n) en/of
- een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en/of een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en/of een of meer bespreking(en) en/of onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en/of een of meer inlichting(en) en/of aanwijzing(en) en/of opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, om voornoemde verdovende middelen te kopen en/of verkopen en/of te bewerken en/of in ontvangst te nemen en/of vervoeren en/of betreffende de wijze waarop die verdovende middelen, zou(den) worden gekocht en/of bewerkt en/of geleverd en/of afgenomen en/of verder vervoerd en/of
- (aan/bij) de kopende en/of verkopende partij(en) en/of derde(n) informatie te hebben (op)gevraagd en/of te hebben verstrekt over de prijzen, omvang en/of samenstelling van (de partij (en)) verdovende middelen en/of
- een of meer foto’s van een of meer partij(en) verdovende middelen te hebben gemaakt en/of te hebben laten maken en/of (vervolgens) te hebben verzonden/doorgestuurd aan de kopende partij(en) en/of mededader(s) en/of derde(n);
4
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van het voorhanden hebben en/of het (zonder erkenning) overdragen en/of het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren of anderszins ter beschikking stellen of verhandelen van vuurwapens en munitie van categorie II en III, en daarvan een beroep of een gewoonte te maken, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, opzettelijk
- informatiedragers, te weten (een) mobiele telefoon(s) met daarop een applicatie Sky ECC voor encrypte/versleutelde communicatie, en/of
- één of meer (vuur)wapens van categorie II en/of categorie III (merk Heckler en Koch)van de Wet wapens en munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad,
door telkens
- gebruik te maken van Sky ECC-accounts/-ID’s, te weten “ [SkyECC-account 1] ” en/of “ [SkyECC-account 2] ”, en - aan encrypted Sky-ECCchats deel te nemen die betrekking hebben op de handel in vuurwapens en/of munitie, en
- (chat)berichten te sturen naar en/of te ontvangen van een of meerdere (mogelijke) leverancier(s), koper(s), tussenperso(o)n(en) en/of anderen, en
- in een of meerdere (chat)berichten wapens en/of munitie aan te bieden en/of aangeboden te krijgen, althans in die (chat)berichten aan te sturen op de verkoop en/of aankoop van wapens en/of munitie, door aan en/of van een of meer anderen afbeeldingen en/of specificaties van de betreffende wapens (o.a. “Walters”, “glocks”, “aks”, “glocks 17”, “Glock 19 En 6.35 met demp”, “cz 30”, “hockler& Koch”) te sturen en/of te ontvangen en/of het verkoopbedrag en/of aankoopbedrag van de betreffende wapens en/of munitie door te geven en/of te vragen en/of over de verkoopprijs en/of aankoopprijs te onderhandelen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) één of meer (vuur)wapen(s) van categorie II en/of categorie III (merk Heckler en Koch) van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad;
5
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 november 2020 tot en met 1 maart 2024, te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten
- één of meer (grote) geldbedragen 700.000 euro en/of 1.000.000 euro en/of 1.200.000 euro en/of 314.750(K) en/of 5000 euro en/of 500 euro (van in totaal 4.000.000 euro en/of 4.000 euro),
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.