ECLI:NL:RBDHA:2026:17203

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
AWB 26/2184 en AWB 25/14754
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:84 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wedertoelating oud-Nederlander

Eiser, met de Surinaamse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk als wedertoelating oud-Nederlander. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat de aanvraag onvolledig was en eiser niet reageerde op het verzoek om aanvullende stukken.

Eiser stelde dat verweerder onterecht beperkingen hanteerde, het evenredigheidsbeginsel schond en de hoorplicht niet naleefde. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen bij onvolledigheid en dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat hij een bijzondere band met Nederland heeft.

De rechtbank verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel en concludeerde dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom de aanvraag niet in behandeling werd genomen. Omdat de aanvraag niet inhoudelijk hoefde te worden behandeld, ging de rechtbank niet in op de inhoudelijke gronden van eiser.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 26/2184 en AWB 25/14754
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: drs. F.W. King),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 15 juli 2025 de aanvraag van eiser om wedertoelating als oud-Nederlander niet in behandeling genomen. Met het bestreden besluit van 30 januari 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het niet in behandeling nemen van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Namens verweerder is met voorafgaand bericht geen gemachtigde verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1976. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk. Hij verzoekt wedertoelating als oud-Nederlander.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat eiser onvoldoende stukken en informatie heeft overgelegd om de aanvraag te beoordelen. [1] Omdat eisers aanvraag niet compleet was, heeft verweerder hem op 12 juni 2025 gevraagd om meer stukken en informatie. Eiser heeft niet gereageerd op dat verzoek.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder hanteert beperkingen die eisers toelating in de weg staan en niet verenigbaar zijn met het verblijfsdoel als oud-Nederlander. Verweerder heeft miskend dat eiser is geboren als Nederland en die nationaliteit van rechtswege heeft verloren en heeft daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel gehandeld. Daarnaast heeft verweerder niet goed gemotiveerd waarom hij in dit specifieke geval de aanvraag niet heeft ingewilligd. Van eiser mag ook niet worden verwacht dat hij naar Suriname gaat om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan te vragen. Tot slot heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
6. Verweerder heeft de bevoegdheid om een aanvraag buiten behandeling te stellen als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het besluit. [2] Verweerder moet de aanvrager dan wel eerst de gelegenheid geven om de aanvraag binnen een door hem gestelde termijn aan te vullen. Het is aan verweerder om te beoordelen of hij over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om een besluit op de aanvraag te nemen. De omvang van het geding bij de rechter beperkt zich dan tot de rechtsvraag of het bestuursorgaan terecht heeft geconcludeerd dat de aanvraag onvolledig was en vervolgens om die reden buiten behandeling heeft mogen laten. [3]
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn brief van 12 juni 2025 heeft aangegeven dat de aanvraag niet compleet is. Verweerder heeft eiser verzocht om de ontbrekende informatie en stukken alsnog aan te leveren. Specifiek heeft verweerder aan eiser gevraagd om te onderbouwen dat hij een bijzondere band heeft met Nederland, bijvoorbeeld vanwege zijn opleidingsachtergrond, opvoeding, maatschappelijke positie of dienstbetrekking. Verweerder heeft eiser ook gevraagd aan te geven wanneer hij Nederland binnen is gekomen en of er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat niet van eiser verwacht mag worden dat hij vanuit Suriname een mvv aanvraagt. In de brief is aangegeven dat verweerder kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen als eiser de aanvraag niet compleet maakt.
8. Eiser heeft bij zijn aanvraag kopieën van zijn paspoort, stukken omtrent het overlijden van zijn moeder, en toelichtingen bij de nationaliteit van eisers ouders en zijn kinderen overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder dit onvoldoende vinden om vast te stellen of een bijzondere band heeft met Nederland zoals vereist voor dit type verblijfsvergunning. Anders dan eiser heeft betoogd, mocht verweerder wel van eiser verwachten dat hij zelf zijn band met Nederland nader zou onderbouwen. Het is immers in eerste instantie aan de aanvrager om zijn aanvraag compleet te maken. Hiervoor is onvoldoende dat eisers ouders Nederlands waren en dat eiser op latere leeftijd bij de ambassade heeft verzocht om de Nederlandse nationaliteit. Ook eisers betoog dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom in dit specifieke geval de aanvraag niet in behandeling is genomen, slaagt niet. Verweerder heeft in de brief van 12 juni 2025 en de beide besluiten duidelijk aangegeven welke informatie nodig is om op de aanvraag te beslissen en welke informatie ontbreekt. Dat eiser ter zitting heeft aangegeven over meer relevante stukken te beschikken, bijvoorbeeld over zijn opleiding, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Van belang is namelijk dat deze stukken bij de aanvraag en in bezwaar niet zijn overgelegd.
9. Gemachtigde heeft ter zitting een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel in het kader van de hoorplicht. Een rechtbank van een andere zittingsplaats zou in een gelijk geval het beroep gegrond hebben verklaard vanwege schending van de hoorplicht, mede omdat verweerder niet ter zitting bij de rechtbank was verschenen. Zoals besproken ter zitting, zou gemachtigde de uitspraak overleggen waar hij naar heeft verwezen in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat verweerder niet ter zitting is verschenen. Gemachtigde heeft de uitspraak [4] , voorzien van een begeleidend schrijven overgelegd. De rechtbank zal echter alleen de uitspraak betrekken bij het beroep, zoals afgesproken. Ten aanzien van die overgelegde uitspraak, merkt de rechtbank op dat dit geen gelijk geval betreft als dat van eiser. In die zaak ging het om een aanvraag ‘afwachting beslissing artikel 17 RWN Pro’ én die aanvraag inhoudelijk is afgewezen. Nu het in onderhavige zaak gaat om een aanvraag ‘wedertoelating van een oud- Nederlander’ en de aanvraag buiten behandeling is gesteld, is het geen gelijk geval en slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. Bovendien is in de aangehaalde zaak het beroep gegrond verklaard vanwege een motiveringsgebrek en schending van de hoorplicht omdat er in de bestuurlijke fase sprake is geweest van een grondslagwijziging in het bestreden besluit.
10. In het besluit op bezwaar moest verweerder eerst en vooral beoordelen of het niet in behandeling nemen van de aanvraag rechtmatig was. Omdat er geen (verschoonbare) reden is gegeven voor het niet overleggen van de aanvullende informatie en die informatie ook in bezwaar niet alsnog beschikbaar is gekomen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel over bestond dat het bezwaar van eiser niet zou leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder hoefde eiser daarom niet te horen in bezwaar.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook voldoende gemotiveerd dat er niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van enig beleid op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb.
12. Omdat verweerder de aanvraag niet inhoudelijk hoefde te behandelen, komt de rechtbank niet toe aan eisers inhoudelijke gronden over een belangenafweging en het mvv-vereiste.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Verweerder hoefde eisers aanvraag niet in behandeling te nemen.
13.1.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] .
13.2.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 4:5, eerste lid, onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2060, r.o. 4.2.
4.Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4177.
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.