ECLI:NL:RBDHA:2026:17206
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER na beëindiging relatie en beroep ongegrond verklaard
Eiser, een Azerbeidzjaanse nationaliteit dragende persoon, diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn partner, een burger van de Unie, in Nederland te verblijven. Na beëindiging van deze relatie werd de aanvraag door de minister van Asiel en Migratie afgewezen. Eiser stelde in bezwaar dat hij alsnog in Nederland mocht blijven als zelfstandige zonder personeel (ZZP’er) in de bouw, onderbouwd met certificaten en bewijs van integratie.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag primair was gebaseerd op de relatie met de EU-burger en dat na beëindiging daarvan geen afgeleid EU-verblijfsrecht meer bestond. De rechtbank stelde dat verweerder niet ambtshalve hoefde te beoordelen of eiser als ZZP’er in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning, omdat dit niet het aangevraagde verblijfsdoel was. Tevens werd het beroep op privéleven op grond van artikel 8 EVRM Pro beoordeeld, waarbij werd vastgesteld dat de opgebouwde binding met Nederland niet uitzonderlijk genoeg was om verblijf te rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de aanvraag. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter A.M. de Wit op 8 juni 2026.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER.