ECLI:NL:RBDHA:2026:17206

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
VK 25/17747
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER na beëindiging relatie en beroep ongegrond verklaard

Eiser, een Azerbeidzjaanse nationaliteit dragende persoon, diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn partner, een burger van de Unie, in Nederland te verblijven. Na beëindiging van deze relatie werd de aanvraag door de minister van Asiel en Migratie afgewezen. Eiser stelde in bezwaar dat hij alsnog in Nederland mocht blijven als zelfstandige zonder personeel (ZZP’er) in de bouw, onderbouwd met certificaten en bewijs van integratie.

De rechtbank oordeelde dat de aanvraag primair was gebaseerd op de relatie met de EU-burger en dat na beëindiging daarvan geen afgeleid EU-verblijfsrecht meer bestond. De rechtbank stelde dat verweerder niet ambtshalve hoefde te beoordelen of eiser als ZZP’er in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning, omdat dit niet het aangevraagde verblijfsdoel was. Tevens werd het beroep op privéleven op grond van artikel 8 EVRM Pro beoordeeld, waarbij werd vastgesteld dat de opgebouwde binding met Nederland niet uitzonderlijk genoeg was om verblijf te rechtvaardigen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de aanvraag. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter A.M. de Wit op 8 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/17747

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER, met als doel verblijf bij een burger van de Unie.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en G. Günes als tolk.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsdocument EU/EER, omdat hij in Nederland wilde verblijven bij zijn partner [referente] (referente). In bezwaar heeft eiser aangegeven dat de relatie inmiddels is geëindigd. Eiser heeft verweerder verzocht toch in Nederland te mogen blijven om als zelfstandige zonder personeel (ZZP’er) in de bouw te werken.
3. Verweerder is in het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft daarbij benoemd dat nu eisers relatie voorbij is, eiser ook geen afgeleid EU-verblijfsrecht kan hebben vanwege die relatie. Dat eiser in Nederland wil werken, maakt dat voor deze aanvraag niet anders. Volgens verweerder is ook het privéleven van eiser in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] geen reden is om eiser toe te staan in Nederland te blijven.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Hij heeft werkervaring in de bouw en wil als ZZP’er in Nederland werken. Hij zal belasting betalen en geen gebruik maken van overheidssteun. Zijn werkervaring heeft eiser onderbouwd met certificaten, Whatsappgesprekken met klanten en foto’s. Eiser heeft daarnaast in Nederland zijn leven opgebouwd. Hij is de Nederlandse taal aan het leren en aan het integreren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
6. Eiser heeft zijn aanvraag in eerste instantie gedaan op basis van zijn relatie met referente. Nu eiser zelf heeft aangegeven dat hij en referente uit elkaar zijn gegaan, heeft hij geen afgeleid EU-verblijfsrecht vanwege de relatie. Hier zijn partijen het ook over eens.
7. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde verweerder eiser ook geen verblijfsvergunning te verlenen omdat hij als ZZP’er wil werken in de bouw. Eiser heeft zijn aanvraag namelijk niet voor dat doel gedaan. Verweerder hoefde daarom in deze procedure niet uit zichzelf (ook wel: ambtshalve) te beoordelen of eiser wel als ZZP’er in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat eiser werkervaring en certificaten heeft is dus in deze aanvraagprocedure niet relevant. Eiser kan een aanvraag indienen op basis van zijn werk en werkervaring. Verweerder kan dan in die procedure beoordelen of eiser daarom in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.
8. Ook eisers betoog dat hij in Nederland zijn leven heeft opgebouwd en zijn toekomst hier ziet, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder aan hem een verblijfsvergunning moest verlenen. De rechtbank begrijpt eisers betoog als een beroep op privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Daar is verweerder in de besluiten van 25 juli 2025 en 26 augustus 2025 op ingegaan. Partijen zijn het erover eens dat eiser in Nederland enig privéleven heeft opgebouwd in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Dat betekent dat verweerder de belangen van Nederland moest afwegen tegen de belangen van eiser, zoals hij heeft gedaan in het bestreden besluit. Partijen zijn het er niet over eens of verweerder eisers aanvraag moest inwilligen omdat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat binding die met Nederland ontstaat door langdurig illegaal verblijf niet genoeg is om een schending van privéleven aan te nemen. [2] Dit ligt anders als de band die de vreemdeling met Nederland heeft, de gebruikelijke banden overstijgt. Daar is in eisers geval geen sprake van.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1429).