ECLI:NL:RBDHA:2026:17212

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.21113
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens te late omzetting maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser verbleef sinds 22 mei 2025 aaneengesloten in bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Op 30 januari 2026 werd de maatregel van bewaring opnieuw opgelegd. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek rechtmatig was, maar dat de omzetting van de maatregel na de afwijzing van het asielberoep op 16 april 2026 niet tijdig had plaatsgevonden. De omzetting had binnen twee dagen moeten gebeuren, maar vond pas op 20 april 2026 plaats.

Hierdoor was sprake van vier dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €480,- en veroordeelde de Staat in de proceskosten van €1.868,-. Er is geen rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank kent schadevergoeding toe wegens te late omzetting van de maatregel van bewaring en veroordeelt de Staat in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21113

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 20 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 maart 2026 (in de zaak bekend onder nummer NL26.9827) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. De gemachtigde van eiser voert aan dat eiser al sinds 22 mei 2025 aaneengesloten in bewaring verblijft. De duur maakt dat de belangen van eiser zwaarder dienen te wegen dan de belangen van verweerder. Op 16 april 2026 heeft de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielberoep ongegrond verklaard. Verweerder heeft vervolgens pas op 20 april 2026 de maatregel opgeheven en de omzetting heeft dan ook niet tijdig plaatsgevonden.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
5. Ten aanzien van de lange duur van de bewaring merkt de rechtbank op dat zij in de uitspraak van 12 maart 2026 al heeft overwogen dat deze mede aan eiser zelf is te wijten omdat hij eerst vlak voor het geplande vertrek een asielaanvraag heeft gedaan terwijl hij al sinds 22 mei 2025 in bewaring verbleef. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu tot een ander oordeel te komen.
6. Op 30 januari 2026 is aan eiser de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw 2000 opgelegd. Bij besluit van 12 februari 2026 heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag bij uitspraak van 16 april 2026 ongegrond verklaard. Vervolgens moet de grondslag van de bewaringsmaatregel voortvarend worden omgezet, om te voorkomen dat de vreemdeling in detentie wordt gehouden op basis van een wettelijke grondslag die niet op hem van toepassing is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling [1] dient de omzetting van de bewaringsmaatregel binnen twee dagen plaats te vinden. In dit geval is de maatregel niet uiterlijk 18 april 2026, maar pas op 20 april 2026 opgeheven en omgezet naar een nieuwe maatregel. Dat is dus niet binnen de termijn van twee dagen. Het beroep is dan ook gegrond.
7. De rechtbank kent eiser daarom een schadevergoeding toe vanaf 16 april 2026 tot aan 20 april 2026. Het bedrag aan schadevergoeding komt dus neer op 4 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 4 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 480,-.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het (in plaats van een fysieke zitting) voeren van een schriftelijke procedure, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6279.