ECLI:NL:RBDHA:2026:17224

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33779
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 VbArt. 5.5 VbArt. 6 lid 3 VwVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring bij grensdetentie

Eiser is op 16 juni 2026 op Schiphol aangekomen en kreeg een aanwijzing om zich een nacht in de internationale lounge te bevinden. De volgende dag diende hij een asielaanvraag in, waarna verweerder een vrijheidsontnemende maatregel oplegde op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet.

De rechtbank oordeelt dat de maatregel rechtsgeldig is genomen en ondertekend, ondanks het ontbreken van een handtekening op het digitale document, omdat een fysiek ondertekend document aan eiser is uitgereikt. De rechtbank stelt vast dat eiser terecht in vreemdelingenbewaring is gesteld vanwege het risico op onderduiken en het niet voldoen aan toegangsvoorwaarden.

Eiser voerde aan dat hij slechts in transit was en rechtmatig verblijf had op basis van een Schengenvisum, maar de rechtbank acht deze gronden onvoldoende om de maatregel te weerleggen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33779

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw [1] een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is op 16 juni 2026 aangekomen op Schiphol, waar hij vervolgens op grond van artikel 4.6 van het Vb [2] een aanwijzing heeft gekregen om zich voor een nacht op te houden in de internationale lounge. De volgende dag heeft hij een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Verblijf in internationale lounge

3. Eiser voert aan dat uit de stukken niet blijkt hoe lang hij is opgehouden in de
internationale lounge.
4. Anders dan eiser meent, volgt uit de stukken wel degelijk hoe lang eiser in
de internationale lounge heeft verbleven. Uit de stukken blijkt namelijk dat eiser op 16 juni
2026 om 21:00 uur een aanwijzing heeft gekregen om zich op te houden in de internationale
lounge tot 17 juni 2026 om 7:00 uur en dat hij op 17 juni 2026 om 12:15 uur is overgebracht
naar AC Schiphol. Nu de aanwijzing als bedoeld in artikel 4.6 van het Vb niet langer dan
een nacht heeft voortgeduurd, is de rechtbank niet bevoegd om in deze procedure te
oordelen over de vrijheidsbeperking in de lounge. [3]
Grondslag van de maatregel
5. Eiser voert aan dat hij door verweerder is tegengehouden op Schiphol toen hij een
overstap wilde maken naar een vlucht naar Duitsland. Hij was op doorreis en het was niet
zijn intentie om asiel aan te vragen in Nederland. Verder wijst eiser erop dat hij rechtmatig
verblijf heeft, gelet op zijn geldige Schengenvisum.
6. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat eiser op de luchthaven niet naar de
transitzone is gegaan, maar dat hij naar het Schengengebied is gelopen en daar om asiel
heeft verzocht. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan deze toelichting van
verweerder. Dat eiser in het bezit is van een Schengenvisum maakt voorts niet dat eisers
poging tot inreis rechtmatig was. Door het uiten van de asielwens heeft eiser immers
kenbaar gemaakt verblijf voor onbepaalde tijd te beogen, terwijl hij niet in het bezit was van
een visum voor lang verblijf. Nu eiser een asielaanvraag aan de grens heeft gedaan terwijl
hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, wordt volgens vaste rechtspraak
voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de maatregel op grond
van artikel 6, derde lid, van de Vw. [4]
Gronden van de opgelegde maatregel
7. Verweerder behandelt de asielaanvraag van eiser in de grensprocedure. In de maatregel staat dat aanleiding bestaat om te veronderstellen dat eiser binnen de reikwijdte van de Asiel- en Migratiebeheerverordening valt, omdat hij in het bezit is van een door Duitsland afgegeven Schengenvisum. Verweerder heeft op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, omdat er volgens verweerder een risico bestaat dat eiser zal onderduiken.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. Eiser betwist de juistheid van de gronden onder a en s. Verder voert hij aan dat hij op Schiphol was in verband met een transit en dat het om die reden logisch is dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is de grond onder a op eiser van toepassing. Daarbij verwijst de rechtbank naar wat zij onder 6. heeft overwogen. Ook grond onder r is feitelijk juist en voldoende nader toegelicht. Deze gronden kunnen tezamen de maatregel dragen. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de grond onder s behoeft daarom geen bespreking meer.
Ambtshalve toets
10. De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat de vrijheidsontnemende maatregel (M19-A) niet is voorzien van een handtekening en dat hierop ook geen tijdstip staat vermeld.
11. Met het proces-verbaal van bevindingen, gedateerd 24 juni 2026, heeft de verbalisant toegelicht dat het proces digitaal is ondertekend, waarvan de M19-B onderdeel uitmaakt. Dit is ook te herleiden naar het besluit tot het uitstellen van de toegangsweigering (M18-A) uit ditzelfde proces, dat wel digitaal is ondertekend. Met de inwerkingtreding van het Europese Asiel- en Migratiepact heeft een verandering plaatsgevonden in de processen, waardoor de laatste pagina van het bestreden besluit ontbreekt, waarop de handtekening staat. De verbalisant heeft verder toegelicht dat hij op 17 juni 2026 wel een M19-B aan eiser heeft uitgereikt die voorzien was van een fysieke handtekening.
12. De rechtbank kan deze toelichting van de verbalisant volgen. Nu aan eiser wel een maatregel is uitgereikt met een fysieke handtekening en de M18-A, dat deel uitmaakt van hetzelfde digitale proces als de maatregel, voorzien is van een digitale handtekening, is de maatregel rechtsgeldig ondertekend. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook dat zij onverwijld na bekendmaking van de vrijheidsontnemende maatregel hiervan in kennis is gesteld. De M18-A is namelijk op 17 juni 2026 om 12:01 uur ondertekend en de rechtbank heeft op 17 juni 2026 om 13:02 een kennisgeving ontvangen van verweerder.
13. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.