In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 8 december 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank heeft de zaak op 30 december 2025 behandeld, waarbij eiser aanwezig was met een tolk en de minister vertegenwoordigd was door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser ernstige psychische klachten heeft en dat hij op 23 december 2025 is overgeplaatst naar een andere locatie. Eiser heeft aangevoerd dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat er slechts vier minuten zaten tussen de opheffing van de vorige maatregel en de ondertekening van de huidige maatregel. De rechtbank oordeelt dat dit tijdsverschil niet leidt tot onrechtmatigheid, aangezien het digitaal ondertekenen van de vorige maatregel een administratieve handeling betreft. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de minister voldoende gronden heeft om de maatregel van bewaring op te leggen, gezien het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.
Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de omzetting van de maatregel van 15 november 2025 te laat heeft plaatsgevonden, maar dat dit niet leidt tot onrechtmatigheid van de huidige maatregel. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.