ECLI:NL:RBDHA:2026:173

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
NL25.62068
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling en de gevolgen van te late omzetting

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 8 december 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank heeft de zaak op 30 december 2025 behandeld, waarbij eiser aanwezig was met een tolk en de minister vertegenwoordigd was door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser ernstige psychische klachten heeft en dat hij op 23 december 2025 is overgeplaatst naar een andere locatie. Eiser heeft aangevoerd dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat er slechts vier minuten zaten tussen de opheffing van de vorige maatregel en de ondertekening van de huidige maatregel. De rechtbank oordeelt dat dit tijdsverschil niet leidt tot onrechtmatigheid, aangezien het digitaal ondertekenen van de vorige maatregel een administratieve handeling betreft. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de minister voldoende gronden heeft om de maatregel van bewaring op te leggen, gezien het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de omzetting van de maatregel van 15 november 2025 te laat heeft plaatsgevonden, maar dat dit niet leidt tot onrechtmatigheid van de huidige maatregel. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.62068
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007.
Omzetting van de maatregel van bewaring
2. Eiser voert aan dat er vier minuten zitten tussen de opheffing van de vorige maatregel en de ondertekening van de huidige maatregel van bewaring. Dit maakt de maatregel van bewaring onrechtmatig.
3. De rechtbank constateert dat de opheffing van de voorafgaande maatregel van bewaring (M113) digitaal is ondertekend om 13:56 uur. De onderhavige maatregel van bewaring is digitaal ondertekend om 14:00 uur en opgelegd om 14:05 uur. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat het digitaal ondertekenen van de M113 een administratieve, interne handeling betreft. Het tijdstip van de ondertekening van de M113 is niet noodzakelijkerwijs het exacte moment van opheffing van die maatregel. Dat onderhavige
maatregel van bewaring is ondertekend voordat deze daadwerkelijk is opgelegd, doet daar niet aan af. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat het hier bovendien om een zeer kort tijdsbestek van enkele minuten gaat en gesteld noch gebleken is dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
De gronden van de maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3d en 3i heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de niet betwiste zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn en ook voldoende zijn om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel
van bewaring daarom al dragen. Om die reden behoeft hetgeen eiser heeft aangevoerd over de zware grond onder 3d en 3i geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Ongeschikte locatie en lichter middel
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ernstige psychische klachten heeft. Vanwege deze klachten is eiser op 23 december 2025overgeplaatst naar het [locatie] in [plaats 1] . Eiser voert aan dat hij dus van 8 december tot 23 december 2025 in een niet-passende locatie heeft moeten verblijven, hetgeen onvoldoende zorgvuldig is geweest. Daarnaast stelt eiser dat de minister – gelet op zijn psychische klachten – had moeten volstaan met een lichter middel.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank overweegt dat eiser niet inhoudelijk is ingegaan op de belangenafweging die de minister in het bestreden besluit maakt. Hierin betrekt de minister onder andere dat de kans groot wordt geacht dat eiser niet voldoende zal meewerken aan zijn vertrek en dat hij meerdere keren heeft verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Algerije. Dat eiser op dit moment behandeling nodig heeft, is op zichzelf geen reden om een lichter middel toe te passen. In het [locatie] in [plaats 1] ontvangt eiser deze psychische hulp.
Niet is gesteld of gebleken dat eiser detentieongeschikt is. Verder overweegt de rechtbank dat de minister voldoende zorgvuldig heeft gehandeld door eiser eerst in het detentiecentrum in [plaats 2] te plaatsen en hem vervolgens, toen de aard en ernst van zijn psychische klachten duidelijk werden, na een intakegesprek over te plaatsen naar [plaats 1] . De beroepsgrond slaagt niet.
Te late omzetting
8. Eiser voert aan dat de omzetting van de aan de huidige maatregel voorafgaande maatregel van bewaring (de maatregel van 15 november 2025) te laat heeft plaatsgevonden. Eiser stelt dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel betekent dat ook de tweede maatregel onrechtmatig is. Het opleggen van het bestreden besluit is daarom onrechtmatig.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de omzetting van de maatregel van 15 november 2025 te laat heeft plaatsgevonden. Op 6 december 2025 had de maatregel uiterlijk omgezet moeten worden, dit is echter op 8 december 2025 pas gebeurd. Uit het beroepschrift kan niet worden opgemaakt dat het zich richt tegen de maatregel van 15 november 2025. De rechtbank toetst in dit beroep dan ook uitsluitend de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring van 8 december 2025. Alleen al nu er geen rechterlijk oordeel ligt dat inhoudt dat de maatregel van 15 november 2025 onrechtmatig heeft voortgeduurd, kan niet worden geoordeeld dat de opvolgende huidige maatregel onrechtmatig is in verband met het voortduren van die eerdere maatregel. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als sprake is van een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld.1 Naar het oordeel van de rechtbank is van
een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld geen sprake, nu eiser een korte termijn op een onjuiste grondslag in bewaring heeft gezeten. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
10. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan de uitzetting van eiser. Eiser zit al sinds 15 november 2025 in bewaring en er is sindsdien geen voortgang geboekt.
11. De rechtbank overweegt dat eiser eerst op grond van artikel 59b in bewaring is gesteld op 15 november, omdat eiser asiel heeft aangevraagd. Zijn asielaanvraag is op 27 november 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond en op 5 december 2025 is de beroepstermijn tegen deze afwijzing ongebruikt verstreken. De minister heeft op 5 december 2025 een vertrekgesprek met eiser gehouden en een LP-aanvraag verzonden naar de LP-kamer. De LP-aanvraag is op 8 december 2025 doorgezonden aan de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat gedurende de lopende asielaanvraag en de beroepstermijn, de minister geen vertrekacties kon uitvoeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet onvoldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
1. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1206.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.