Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17356

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL24.21532
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 13 Besluit Nr. 1/80
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing driejarenbeleid bij berekening rechtmatig verblijf in vreemdelingenprocedure

Eiser, een Turkse kennismigrant, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen vanwege een niet marktconform salaris. Eiser stelde dat het salaris wel marktconform was en voerde beroep aan tegen de afwijzing. Tijdens de procedure werd een voorlopige voorziening toegewezen die het besluit schorst en uitzetting voorkwam.

De kern van het geschil betrof de toepassing van het driejarenbeleid, waarbij eiser stelde dat de periode van de bezwaarprocedure moet worden meegerekend als rechtmatig verblijf. De minister betwistte dit, stellende dat de bezwaarprocedure geen schorsende werking heeft en die periode niet meetelt.

De rechtbank overwoog dat het verzoek om voorlopige voorziening tijdens bezwaar van rechtswege wordt gelijkgesteld met een verzoek tijdens beroep, waardoor de gehele periode vanaf het indienen van de voorlopige voorziening meetelt. Dit betekent dat de bezwaarperiode in het geval van eiser wel degelijk meetelt voor het driejarenbeleid.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het driejarenbeleid betreft en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van de minister voor zover het driejarenbeleid betreft, met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.21532
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister

(gemachtigden: mr. Ö. Sari en mr. T. Stelpstra).

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond en procesverloop
1. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en heeft een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als kennismigrant in dienst van het bedrijf ‘ [bedrijf] ’ in [plaats] . De minister heeft die aanvraag in het primaire besluit afgewezen, omdat – kort gezegd – volgens het deskundigenadvies van het UWV [1] het geboden salaris niet marktconform is. Er is daardoor niet voldaan aan de voorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel.
1.1.
In bezwaar heeft eiser een contra-expertise rapport van een deskundige overgelegd, waaruit volgens eiser blijkt dat het salaris wel marktconform is. Eiser heeft ook op 14 augustus 2023 aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt niet te worden uitgezet totdat op zijn bezwaar is beslist.
1.2.
De minister is in het bestreden besluit, na een aanvullend advies van het UWV, bij de afwijzing van de aanvraag van eiser gebleven.
1.3
Eiser is tegen dat besluit op 20 mei 2024 in beroep gegaan. Beide partijen hebben in de beroepsfase nog meerdere deskundigenrapporten overgelegd met betrekking tot de vraag of het geboden salaris marktconform is.
1.4.
Op 15 oktober 2025 is het beroep op zitting behandeld bij de enkelvoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, M. Erbek als tolk in de taal Turks, [persoon 1] als arbeidsdeskundige, [persoon 2] namens [bedrijf] (werkgever), Ö. Sari namens de minister en mr. S. Kruijthof namens het UWV. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
1.5.
De rechtbank heeft besloten om het onderzoek te heropenen en op zoek te gaan naar een onafhankelijke deskundige die de rechtbank kan adviseren over de overgelegde deskundigenrapporten en de vraag of het salaris dat aan eiser is geboden marktconform is. De rechtbank heeft partijen op 28 oktober 2025 meegedeeld dat het onderzoek wordt heropend en dat, vanwege de inhoud van de zaak en de daarbij spelende deskundigenrapporten, de zaak wordt verwezen naar een meervoudige kamer
die het beroep verder zal behandelen.
1.6.
Het verzoek om een voorlopige voorziening in bezwaar wordt, gelet op artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelijkgesteld met een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Op 14 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats de gevraagde voorlopige voorziening toegewezen. [2] De voorzieningenrechter heeft daarbij bepaald dat het bestreden besluit wordt geschorst tot vier weken nadat op het beroep is beslist en dat verzoeker niet mag worden uitgezet.
1.7.
Op 14 november 2025 heeft eiser aan de minister gevraagd om toepassing te geven aan het driejarenbeleid en hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder beperkingen te verlenen.
1.8.
De minister heeft op 19 maart 2026 aan de rechtbank laten weten het beroep op het driejarenbeleid op te vatten als aanvulling op het beroepschrift. [3] De minister meent dat het beroep op het driejarenbeleid niet slaagt. Eiser heeft daar nog op gereageerd op 9 april 2026.
1.9.
Op 13 mei 2026 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat de zaak terug is verwezen van de meervoudige kamer naar de enkelvoudige kamer die het beroep verder zal behandelen.
1.10.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben aangegeven daarmee akkoord te gaan. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 13 mei 2026. [4]
Het driejarenbeleid
2. Eiser voert aan dat er drie jaar na ontvangst van de aanvraag niet onherroepelijk is beslist op zijn aanvraag en dat eiser gedurende die periode rechtmatig verblijf heeft gehad [5] . Eiser komt op grond van het driejarenbeleid dan ook in aanmerking voor een verblijfsvergunning.
3. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het driejarenbeleid. Eiser heeft namelijk niet voor ten minste drie jaar rechtmatig verblijf gehad. Het ingediende bezwaar heeft geen schorsende werking en die periode, anders dan eiser aanvoert, telt dan ook niet mee als relevant tijdsverloop.
Juridisch kader
4. Het driejarenbeleid is al in 2003 afgeschaft [6] . Dit beleid werd in een reguliere procedure uitgewerkt als een beperking van de afwijzingsgronden. De Afdeling [7] heeft, in haar uitspraken van 16 september 2010 [8] en van 1 november 2011 [9] , geoordeeld dat het met ingang van 1 januari 2003 niet meer toepassen van de bevoegdheid op grond van het driejarenbeleid een verblijfsvergunning te verlenen, een verboden [10] nieuwe beperking vormt.
4.1.
Het driejarenbeleid [11] luidde als volgt:
Het enkele tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure is in het algemeen geen reden om tot verblijfsaanvaarding over te gaan. Een vreemdeling verkrijgt in asielzaken een vergunning tot verblijf zonder beperking en in reguliere zaken een vergunning onder beperking op grond van het driejarenbeleid, indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
er zijn tenminste drie jaren verstreken na de datum van aanvraag om toelating en de vreemdeling heeft nog geen beslissing of nog geen onherroepelijk beslissing op zijn aanvraag ontvangen, terwijl het oorspronkelijk verblijfsdoel nog steeds van toepassing is; en
de uitzetting om beleidsmatige redenen achterwege is gebleven; dat wil zeggen om een reden die verband houdt met het verblijfsdoel; en
er geen sprake is van contra-indicaties.
Uit de toelichting op de eerste voorwaarde van het driejarenbeleid volgt dat de driejarentermijn gaat lopen vanaf het moment van de aanvraag om toelating voor het oorspronkelijke verblijfsdoel voor zover dat nog is gehandhaafd [12] . Bij de vaststelling van die termijn wordt ook betrokken de duur van de procedure bij de rechtbank of de Afdeling.
Indien het driejarenbeleid van toepassing is, wordt een vergunning tot verblijf onder de beperking verleend waarvoor de vreemdeling ten tijde van zijn oorspronkelijke aanvraag opteerde.
Drie jaar rechtmatig verblijf
5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in geschil is of de periode van de bezwaarprocedure telt als periode van rechtmatig verblijf zoals bedoeld in het driejarenbeleid.
5.1.
De rechtbank overweegt dat het verzoek om een voorlopige voorziening dat eiser heeft ingediend tijdens de bezwaarfase van rechtswege gelijk wordt gesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. [13] Er wordt ook wel gezegd dat de voorlopige voorziening ‘omklapt’ van bezwaar naar beroep. De rechtbank stelt vast dat in de Werkinstructie Turks Associatierecht deze situatie niet omschreven is. Daar staat enkel dat als het bezwaar geen schorsende werking heeft en er geen verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend, of deze is afgewezen, de tijd van de beslissing op het bezwaar niet meetelt. In het oorspronkelijke driejarenbeleid, de TBV [14] , staat bij de eerste voorwaarde dat de driejarentermijn gaat tellen vanaf het moment van de aanvraag om toelating voor het oorspronkelijke verblijfsdoel. De rechtbank leest in die tekst geen beperking over of er in de bezwaarfase al dan niet een voorlopige voorziening is toegewezen. Uit de TBV blijkt [15] dat als een voorlopige voorziening is toegewezen hangende de bezwaarprocedure, de gehele periode vanaf de indiening van de voorlopige voorziening meetelt. Als een voorlopige voorziening hangende het beroep is ingesteld, geldt hetzelfde. Een redelijke uitleg van het beleid brengt met zich mee dat als een voorlopige voorziening is ingediend hangende het bezwaar, vervolgens van rechtswege omklapt door het instellen van beroep, en dan in beroep wordt toegewezen, dat de gehele periode moet tellen voor een beroep op het driejarenbeleid. Dus vanaf het moment van indienen van de voorlopige voorziening. De periode van de bezwaarprocedure kan dus in het geval van eiser, buiten eventueel in mindering te brengen tijdvakken, worden meegerekend. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank verklaart het beroep tegen de weigering van de minister om toepassing te geven aan het driejarenbeleid gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het ziet op het driejarenbeleid.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet er bij een nieuw te nemen besluit dus vanuit gaan dat in beginsel de periode van bezwaar en beroep dient mee te tellen voor het beroep op het driejarenbeleid, behoudens eventueel nog vast te stellen tijdvakken die daarop in mindering zouden moeten worden gebracht. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
8. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht van €187,- aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.335,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het deelnemen aan de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke inlichtingen op verzoek van de rechtbank, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). [16] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover dat ziet op het driejarenbeleid, gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 april 2024 voor zover dat ziet op het driejarenbeleid;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
2.In de uitspraak van 14 november 2025, in de zaak met nummer NL23.23245 (niet gepubliceerd).
3.Op grond van de Werkinstructie Turks Associatierecht, WI 2023/1 (Werkinstructie). Daaruit volgt dat een beroep op het driejarenbeleid enkel kan worden gedaan en gehonoreerd binnen de lopende aanvraagprocedure.
4.Artikel 8:57 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
5.Op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
6.Het driejarenbeleid is bekendgemaakt bij Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1996/15 van 3 december 1996 (Stcrt. 1996, 242) en afgeschaft bij TBV 2002/62 met ingang van 1 januari 2003 (Stcrt. 2002, 245).
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.2010001759/1/V2.
10.Volgens artikel 13 van Pro het Besluit Nr. 1/80 betreffende de ontwikkeling van de Associatie.
11.Zoals vastgelegd in paragraaf A4/6.22 van de vreemdelingencirculaire 1994.
12.Zie in dat verband ook de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2297, rechtsoverweging 6.2.
13.Zoals volgt uit artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.
14.Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire, 1996/15 van 3 december 1996, Staatscourant 1996, nr. 242.
15.Op pagina 2, tweede alinea, onder 2.B.
16.Zoals vastgesteld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.