ECLI:NL:RBDHA:2026:17539
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.A. van der Straaten
- W.P.C.G. Derksen
- B. Koopman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsrecht wegens onvoldoende motivering, rechtsgevolgen blijven in stand
De rechtbank Den Haag behandelt het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsrecht met terugwerkende kracht per 28 november 2020. Het bestreden besluit van 7 januari 2025 werd vernietigd omdat eiser niet was gehoord, wat in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht. De minister heeft in beroep alsnog een hoorzitting gehouden en een aanvullende motivering gegeven.
De rechtbank beoordeelt vervolgens of de minister het verblijfsrecht terecht met terugwerkende kracht mocht intrekken. De minister heeft aannemelijk gemaakt dat eiser langer dan zes maanden, namelijk van mei 2020 tot maart 2023, buiten Nederland verbleef, onder meer door inschrijving als niet-ingezetene en verblijf in Turkije met gezin. Eiser kon dit niet voldoende weerleggen met bewijsstukken.
Verder oordeelt de rechtbank dat de intrekking met terugwerkende kracht niet in strijd is met Besluit 1/80, omdat eiser langer dan twee jaar buiten Nederland verbleef en daarmee zijn rechten op grond van dat besluit zijn verloren. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt, omdat de minister een juiste belangenafweging heeft gemaakt en eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom zijn privéleven zwaarder zou moeten wegen.
Het beroep op het arrest Chavez-Vilchez wordt verworpen omdat eiser geen bewijs leverde van zorg- en opvoedingstaken voor zijn Nederlandse kinderen. Ten slotte is het evenredigheidsbeginsel voldoende toegepast door de minister. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten van €1.868.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van het verblijfsrecht wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.