ECLI:NL:RBDHA:2026:17562

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.48950
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a AwbArt. 31, zesde lid, Vw 2000Art. 4, zesde lid, Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over geloofwaardigheidsbeoordeling en onderzoek echtheid documenten in asielprocedure

In deze bestuursrechtelijke asielzaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. Eiser voert aan dat hij vanwege zijn homoseksualiteit in Nigeria vervolgd wordt en vreest een gevangenisstraf bij terugkeer. De minister heeft het asielmotief over zijn seksuele gerichtheid niet geloofwaardig geacht vanwege onvoldoende onderbouwing en inconsistenties in het verhaal.

De rechtbank beoordeelt in deze tussenuitspraak of de gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming is met het Unierecht en of de minister aanleiding had om de authenticiteit van door eiser overgelegde documenten te laten onderzoeken. De rechtbank oordeelt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling volgens werkinstructie WI 2024/6 niet in strijd is met het Unierecht en wijst de prejudiciële vragen af.

Ten aanzien van de documenten, waaronder een affidavit, een politierapport en een verklaring van de zus van eiser, stelt de rechtbank vast dat de minister onvoldoende aanleiding had om deze niet op echtheid te laten onderzoeken. De rechtbank beveelt de minister aan om binnen acht weken nader onderzoek te laten verrichten naar de echtheid van deze documenten en daarna een nieuw standpunt in te nemen. De procedure wordt aangehouden totdat dit onderzoek is afgerond en een einduitspraak volgt.

Uitkomst: De rechtbank beveelt nader onderzoek naar de echtheid van documenten en houdt verdere beslissing aan tot einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48950

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. A. Gecer).

Samenvatting

1. In deze tussenuitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling die volgt uit werkinstructie (WI) 2024/6 niet in strijd is met het Unierecht. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister aanleiding had moeten zien om door eiser overgelegde documenten te laten onderzoeken op echtheid. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 november 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is er op zijn negentiende achter gekomen dat hij homoseksueel is. Hij heeft meerdere relaties gehad. Een van de relaties is ontdekt toen eiser zich nog in Nigeria bevond. Hierdoor is eiser bekritiseerd en tweemaal mishandeld. Daarna heeft eiser Nigeria verlaten. Bij terugkeer vreest eiser voor een gevangenisstraf van veertien jaar. Eiser kan zijn homoseksualiteit niet op dezelfde manier uiten in Nigeria als dat hij in Nederland doet. In Nederland heeft eiser contact met andere LHBTI’ers en gaat hij naar het COC.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de seksuele gerichtheid van eiser en de daardoor ondervonden problemen.
4.1.
De minister heeft het eerste asielmotief, de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief, de seksuele gerichtheid van eiser en de daardoor ondervonden problemen in Nigeria, zijn niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief onderbouwen. Het asielmotief is niet alsnog geloofwaardig, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden daarvoor. [1] Eiser heeft geen oprechte inspanning geleverd om zijn asielaanvraag te staven. Ook vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De verklaringen van eiser over de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie daarvan zijn oppervlakkig en summier. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van eiser over zijn gestelde relaties. De verklaringen van eiser over het uiten van zijn seksuele gerichtheid zijn onlogisch. De verklaringen over zijn problemen, de gestelde aanvallen en de gevolgen daarvan zijn inconsistent en vaag. Bovendien is het persoonlijke verhaal van eiser onduidelijk en mist het verhaal authenticiteit. Ook heeft eiser beperkte kennis en geen netwerk in LHBTI in Nigeria. Tenslotte heeft eiser weinig tot geen kennis van de situatie voor LHBTI in Nederland.
4.2.
De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting laten vallen dat eiser geen onrechte inspanning zou hebben geleverd om zijn asielaanvraag te staven. De conclusie dat eiser zijn seksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet aannemelijk heeft gemaakt, blijft wel gehandhaafd. Volgens de minister blijft namelijk staan dat de verklaringen van eiser onvoldoende persoonlijk en authentiek zijn. Daarnaast zijn de in beroep overgelegde documenten (een affidavit van de oom van eiser, een politierapport en een verklaring van de zus van eiser) onvoldoende om het asielmotief geloofwaardig te achten.
Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?
5. Eiser betoogt dat de door de minister gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling die volgt uit WI 2024/6 in strijd is met onder andere artikel 4, zesde lid, van de Kwalificatierichtlijn. De voorwaarden zoals neergelegd in dit artikel kunnen namelijk niet worden gezien als een cumulatieve checklist. Hierbij verwijst eiser naar een EUAA-rapport [2] en naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie. [3] Ook verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld over WI 2024/6.
5.1.
Voor zover eiser aanvoert dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister in strijd is met het Unierecht omdat de voorwaarden in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 als cumulatieve checklist behandeld worden, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank ziet, overeenkomstig de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025, geen aanleiding voor het oordeel dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. [4] De rechtbank ziet in de gestelde prejudiciële vragen ook geen aanleiding om de zaak aan te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister aanleiding moeten zien om de overgelegde documenten op echtheid te laten onderzoeken?
6. Eiser heeft in beroep een viertal documenten in kopie overgelegd:
- een affidavit of facts van 14 november 2025;
- een politierapport van 14 november 2025;
- een geboorteakte;
- een verklaring van de zus van eiser van 24 november 2025.
Eiser heeft verder aangegeven over de originelen te beschikken en deze voor onderzoek aangeboden.
6.1.
Eiser betoogt dat de minister zijn problemen door zijn seksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daarbij voert eiser, onder andere, aan dat hij met de in beroep overgelegde documenten het asielmotief heeft onderbouwd. Verder maken de documenten in ieder geval aannemelijk dat de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn (gestelde) geaardheid, waarmee eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister heeft deze documenten niet op echtheid onderzocht, terwijl eiser wel heeft aangeboden de originele documenten op te sturen om te laten onderzoeken.
6.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser ook met de in beroep overgelegde documenten zijn seksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij stelt de minister dat onvoldoende waarde kan worden gehecht aan de documenten omdat deze niet objectief zijn. De affidavit is namelijk opgemaakt aan de hand van verklaringen van de oom van eiser en het politierapport is opgemaakt naar aanleiding van de affidavit. Onder beide documenten liggen daarom de verklaringen van een familielid ten grondslag, waarmee deze documenten niet objectief zijn volgens de minister. Datzelfde geldt voor de verklaring van de zus van eiser. Daar komt bij dat de inhoud van de documenten afwijkt van de verklaringen van eiser. Volgens de correcties en aanvullingen op het nader gehoor vond het incident plaats in het huis van zijn moeder met betrokkenheid van zijn oom. In het politierapport wordt daarentegen gesproken van een neef waarbij de aanval plaatsvond in het huis van eiser zelf. Verder wordt in het politierapport gesteld dat eiser gezocht wordt wat niet eerder naar voren is gekomen in het nader gehoor. De minister stelt verder geen aanleiding te zien om onderzoek te laten doen naar de echtheid van de documenten. In Nigeria is namelijk sprake van veel corruptie met betrekking tot documenten, waardoor de documenten waarschijnlijk niet echt bevonden zullen worden.
6.3.
De rechtbank stelt allereerst vast dat aan de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet getwijfeld wordt. Dit betekent dat de geboorteakte in zoverre geen rol van betekenis speelt in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Deze zal de rechtbank dan ook buiten beschouwing laten. Over de overige documenten overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan het standpunt van de minister volgen dat in beginsel weinig bewijswaarde kan toekomen aan deze documenten in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling omdat deze zijn opgemaakt aan de hand van verklaringen van een familielid van eiser. Verklaringen van niet objectieven derden kunnen, met name wanneer deze verklaringen zien op het waarnemen van feitelijke gedragingen, dienen als ondersteunend bewijs. [5] Dat is in dit geval niet aan de orde, waardoor de minister weinig bewijswaarde heeft hoeven toekennen aan de verklaringen van de oom en zus van eiser. Ook heeft de minister, zoals ter zitting opgemerkt, het vreemd mogen vinden dat de oom van eiser pas in november 2025 naar de politie is gegaan, terwijl de gebeurtenissen waarover de oom verklaart al veel eerder zijn voorgevallen, namelijk in 2008 en 2014.
De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt dat de inhoud van de affidavit en het politierapport afwijken van de verklaringen van eiser. Dat eiser gezocht zou worden heeft de minister gelezen in het politierapport, waarin staat vermeld dat in de wet een doodstraf of 14 jaar gevangenisstraf staat op illegale homoseksuele activiteiten. Daarin leest de rechtbank enkel de vaststelling van de strafbaarheid van de gedragingen van eiser waarover zijn oom heeft verklaard. Dat eiser daar ook daadwerkelijk voor gezocht wordt, leest de rechtbank hier niet in. De minister kan daarom niet tegenwerpen dat de verklaringen van eiser op dit punt niet stroken met de inhoud van de documenten. De tegenwerping dat de documenten tegenstrijdig zouden zijn omdat gesproken wordt over een neef in plaats van een oom heeft de minister op zitting laten vallen. Dat in de affidavit wordt gesproken over het huis van eiser en eiser heeft verklaard dat de aanval bij zijn moeder heeft plaatsgevonden is niet tegenstrijdig met de verklaringen van eiser. Hij heeft immers verklaard dat hij ten tijde van de aanval in 2008 bij zijn moeder inwoonde. [6]
Verder acht de rechtbank relevant dat de verklaringen van de oom van eiser zijn afgelegd bij de autoriteiten, namelijk bij de rechtbank en bij de politie. Daarmee kunnen, zoals eiser ook aanvoert, de autoriteiten wel op de hoogte zijn van de (gestelde) geaardheid van eiser mits de overgelegde documenten authentiek zijn. Het standpunt van de minister dat de documenten naar alle waarschijnlijkheid niet echt bevonden zullen worden, volgt de rechtbank niet. De expertise voor het onderzoek aan de echtheid van documenten ligt namelijk bij Bureau Documenten waardoor de minister hierover geen conclusie kan trekken. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister dan ook aanleiding moeten zien om de affidavit en het politierapport, op echtheid te laten onderzoeken.
6.4.
De rechtbank zal in deze tussenuitspraak nog geen oordeel geven over de overige beroepsgronden van eiser die zien op de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister. De beoordeling van de documenten hebben hier mogelijk invloed op.

Conclusie en gevolgen

7. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank ziet, gelet op wat onder 6.3 is overwogen, aanleiding om dat in dit geval te doen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. Om het gebrek te herstellen zal de minister nader onderzoek moeten laten doen naar de echtheid van de affidavit en het politierapport om hier vervolgens een nader standpunt over in te nemen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
7.1.
De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb de rechtbank binnen twee weken meedelen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. Deze termijn is korter dan de termijn voor de minister, omdat de minister eerst het onderzoek aan de documenten zal moeten afwachten. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak doen op het beroep.
7.2.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals deze tot op heden naar voren zijn gebracht, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
7.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- draagt de minister op om de rechtbank binnen twee weken mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid het gebrek te herstellen binnen acht weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken na ontvangst van de aanvullende motivering daarop te reageren;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Zoals blijkt uit artikel 31, zesde lid, aanhef onder a en c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).
2.Judicial analysis on evidence and credibility in the context of the Common European Asylum System | European Union Agency for Asylum.
3.EHRM, 19 januari 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0119JUD005868912 en HvJEU, 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478.
4.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149 en 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.
6.Zie p. 30 van het rapport nader gehoor.