ECLI:NL:RBDHA:2026:17580
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf grootmoeder wegens belangenafweging gezinsleven
De zaak betreft het beroep van een referent tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn grootmoeder. De minister had de aanvraag afgewezen met een belangenafweging waarin het Nederlandse belang zwaarder woog dan het gezinsleven van de referent en zijn grootmoeder.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de sterke banden van de grootmoeder met Syrië en mogelijk Turkije in het nadeel van de referent zijn meegewogen, terwijl vaststaat dat het gezinsleven in die landen niet kan worden voortgezet. Dit is in strijd met het motiveringsbeginsel, waardoor het beroep gegrond is en het besluit wordt vernietigd.
Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de minister ook zonder deze motivering de belangenafweging in het nadeel van de referent mocht laten uitvallen. De minister heeft terecht meegewogen dat de moeder de primaire verzorger is, het gezinsleven op afstand kan worden uitgeoefend, en dat de grootmoeder waarschijnlijk een beroep zal doen op publieke voorzieningen. De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan de referent.
Uitkomst: Het beroep is gegrond wegens onvoldoende motivering, maar de afwijzing van de aanvraag mvv blijft in stand vanwege een juiste belangenafweging.