ECLI:NL:RBDHA:2026:17609

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.42967
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 VwVreemdelingenwet 2000Nederlands-Amerikaans VriendschapsverdragVreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing en intrekking verblijfsvergunning regulier voor zelfstandige op grond van Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag

Eiseres, een Amerikaanse onderneemster met een verblijfsvergunning regulier voor arbeid als zelfstandige, heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van haar vergunning. De minister heeft deze aanvraag afgewezen en de vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken, omdat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag.

De kern van het geschil betreft de vraag of eiseres de bedrijfsuitoefening van haar onderneming daadwerkelijk ontwikkelt en leidt. Hoewel eiseres diverse activiteiten heeft ondernomen, zoals het volgen van een taalcursus, correspondentie met potentiële klanten en het openen van een zakelijke bankrekening, heeft zij onvoldoende bewijs geleverd van daadwerkelijke bedrijfsvoering en omzet.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de onderneming niet voldoende is ontwikkeld en geleid. De stukken die eiseres overlegt dateren deels van na het bestreden besluit en kunnen niet worden meegewogen. Ook is het ontbreken van omzet en bedrijfsactiviteiten zoals acquisitie en gebruik van sociale media doorslaggevend.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing en intrekking van de verblijfsvergunning in stand blijven. Eiseres behoudt echter procesbelang vanwege de gevolgen van het verblijfstekort voor naturalisatie. Zij krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing en intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor arbeid als zelfstandige wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42967

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. F. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: J.A.A. Willems).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor verlenging van haar verblijfsvergunning regulier voor arbeid als zelfstandige, en over de intrekking van die verblijfsvergunning. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing en de intrekking in stand kunnen blijven. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en procesverloop

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1973 en heeft de Amerikaanse nationaliteit. Zij is met ingang van 15 februari 2023 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’, met een geldigheidsduur tot 15 februari 2025. Eiseres heeft een eenmanszaak,
[bedrijf], waarmee zij online Engelse lessen wil verzorgen.
2.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van haar verblijfsvergunning regulier voor arbeid als zelfstandige. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 maart 2025 afgewezen en de verblijfsvergunning regulier van eiseres ingetrokken. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag en de intrekking gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [1] op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft de verblijfsvergunning regulier van eiseres met terugwerkende kracht, met ingang van 15 februari 2023, ingetrokken. Ook heeft de minister de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van eiseres afgewezen. Eiseres voldoet namelijk niet aan de beperking waaronder haar verblijfsvergunning is verleend. Eiseres heeft een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag. [2] Op grond van dit verdrag heeft eiseres verblijfsrecht voor het ontwikkelen en leiden van de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin zij aanzienlijk kapitaal heeft belegd. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de bedrijfsuitoefening van haar onderneming daadwerkelijk heeft ontwikkeld en geleid.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar onderneming heeft ontwikkeld en geleid?
4. Eiseres voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij haar onderneming niet heeft ontwikkeld en geleid. Uit het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag volgt niet wat onder het ontwikkelen en leiden van de bedrijfsuitoefening moet worden verstaan. Niet vereist is dat een bepaalde omzet of winst wordt gegenereerd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiseres haar onderneming heeft ontwikkeld en geleid. Eiseres heeft een taalcursus gevolgd om haar klanten beter te kunnen benaderen. Zij heeft gecorrespondeerd met potentiële afnemers van haar diensten en met enkele onderwijsinstellingen. Verder heeft zij zich ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, een zakelijke bankrekening geopend, een conceptfactuur opgesteld, en via haar gemachtigde en boekhouder verzocht om verlenging van haar verblijfsvergunning.
4.1.
De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of eiseres procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Eiseres heeft namelijk met ingang van 16 oktober 2025 een verblijfsvergunning regulier gekregen. De rechtbank is van oordeel dat eiseres desondanks procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Door de intrekking van de voorliggende verblijfsvergunning heeft eiseres namelijk twee jaar geen rechtmatig verblijf gehad, wat van invloed is op een eventueel verzoek tot naturalisatie.
4.2.
De minister verleent op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag (hierna: het Vriendschapsverdrag) een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ aan een vreemdeling die onderdaan is van de Verenigde Staten als wordt voldaan aan de algemene verblijfsvoorwaarden van artikel 16 Vw Pro [3] én de vreemdeling de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin de vreemdeling aanzienlijk kapitaal heeft geïnvesteerd of waarin deze daadwerkelijk bezig is dat te doen, ontwikkelt en leidt. [4]
4.3.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat eiseres, om met haar onderneming aanspraak te kunnen maken op een verblijfsvergunning regulier voor arbeid als zelfstandige op grond van het Vriendschapsverdrag, aan twee voorwaarden moet voldoen. Eiseres moet aanzienlijk kapitaal in haar onderneming hebben geïnvesteerd en dat kapitaal op peil houden, en zij moet de bedrijfsuitoefening van haar onderneming ontwikkelen en leiden. Ook niet ter discussie staat dat eiseres aanzienlijk kapitaal heeft geïnvesteerd en dat op peil heeft gehouden. In geschil is de vraag of eiseres voldoet aan het vereiste dat zij de bedrijfsuitoefening van een onderneming ontwikkelt en leidt.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres haar onderneming niet heeft ontwikkeld en geleid. Voor de door eiseres in beroep overgelegde facturen en bankafschriften geldt allereerst dat deze dateren van ná de datum van het bestreden besluit, en dat de minister deze dus niet hoefde te betrekken in zijn beoordeling. Voor de overgelegde correspondentie met onderwijsinstellingen geldt dat de minister terecht stelt dat deze dateren van ná de periode waarvoor de verblijfsvergunning is verleend. Daarom kunnen die stukken niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat eiseres in de te beoordelen periode de onderneming heeft ontwikkeld en geleid. Uit de stukken die eiseres verder heeft overgelegd blijkt dat zij in de te beoordelen periode een zakelijke rekening heeft geopend, een taalcursus heeft gevolgd en een conceptfactuur heeft opgesteld. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat hier onvoldoende uit blijkt dat eiseres haar onderneming daadwerkelijk heeft ontwikkeld en geleid. Van een onderneming die al ruim twee jaar actief is, mag de minister verwachten dat er meer bedrijfsactiviteit plaatsvindt dan eiseres heeft aangetoond. De minister stelt terecht dat het behalen van een bepaalde omzet weliswaar niet is vereist, maar dat hij wel mag betrekken dat de onderneming van eiseres in het geheel geen omzet heeft gemaakt. Ook mocht de minister betrekken dat eiseres niet heeft aangetoond dat sprake is van – bijvoorbeeld – acquisitie, het gebruik van sociale media, verworven opdrachten of de aanschaf van bedrijfsmiddelen.
4.5.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.G. Bijvank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL25.42971
2.Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Dit volgt uit paragraaf B6/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.