ECLI:NL:RBDHA:2026:17610

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.49029
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek Somaliër wegens onvoldoende geloofwaardigheid en gebrek aan vrees bij terugkeer

Eiser, een Somalische asielzoeker geboren in 2007, diende op 19 december 2023 een asielaanvraag in. Hij stelde dat hij door Al-Shabaab was ontvoerd, mishandeld en gedwongen werd zich aan te sluiten bij de groepering, waarna hij wist te ontsnappen en vreest voor zijn veiligheid bij terugkeer naar Somalië.

Verweerder erkende eisers identiteit en nationaliteit, maar achtte de kern van zijn asielverhaal ongeloofwaardig vanwege tegenstrijdigheden tussen zijn verklaringen in Nederland en Griekenland. De rechtbank concludeerde dat deze verschillen niet konden worden toegeschreven aan vertaal- of procedurefouten en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het om hetzelfde incident ging.

Daarnaast kon eiser zijn vrees voor vervolging bij terugkeer niet concreet onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het beroep ongegrond had verklaard. Het beroep werd afgewezen zonder toekenning van proceskosten.

De uitspraak benadrukt dat bij asielaanvragen van personen met een Griekse asielstatus, de Nederlandse autoriteiten niet automatisch gebonden zijn aan die status, maar wel rekening moeten houden met de onderliggende elementen. In dit geval leidde de beoordeling tot afwijzing van het beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende geloofwaardigheid en gebrek aan gegronde vrees bij terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.49029

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Hartog).

Procesverloop

Met het besluit van 1 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 in Breda op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2007 en de Somalische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 19 december 2023 een asielaanvraag ingediend.
2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij tijdens koranlessen in een moskee bij hem in de buurt door Al-Shabaab is meegenomen naar een afgelegen locatie, waar hij samen met anderen werd vastgehouden. Eiser is daar door Al-Shabaab benaderd met het verzoek zich bij de groepering aan te sluiten en deel te nemen aan de jihad. Nadat hij dit had geweigerd, is hij mishandeld en vervolgens opnieuw vastgehouden. Tijdens onrust op de locatie is eiser erin geslaagd te vluchten. Hij is daarna uit Somalië gevlucht en vreest bij terugkeer voor Al-Shabaab.
3. Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Eisers problemen met Al-Shabaab, de gedwongen rekrutering, de gevangenneming en de ontsnapping heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser op essentiële punten van zijn asielrelaas in Nederland wisselend heeft verklaard ten opzichte van de verklaringen die eiser in Griekenland heeft afgelegd. Dit leidt er volgens verweerder toe dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de reden van vrijlating of ontsnapping, het verloop van het incident en de aanleiding van (gedwongen) rekrutering. De vermeende tegenstrijdigheden berusten op onjuiste vertaling, interpretatie of verslaglegging in de Griekse asielprocedure, die bovendien niet dezelfde procedurele waarborgen kent als de Nederlandse procedure. In het bijzonder stelt eiser dat hij in Griekenland nooit heeft verklaard dat hij door Al-Shabaab is vrijgelaten, nu een dergelijke gang van zaken niet aannemelijk is. Hij heeft de daar opgetekende verklaringen niet kunnen controleren of corrigeren. Voorts voert eiser aan dat zijn verklaringen over het incident van mishandeling consistent zijn en betrekking hebben op hetzelfde voorval. Eiser heeft door te benoemen dat een man hem naar zijn kamer heeft gebracht reeds aangegeven dat er iemand tussenbeide is gekomen. Tot slot voert eiser aan dat hij bij terugkeer naar Somalië vreest voor Al-Shabaab en voor een met artikel 3 van Pro het EVRM [1] strijdige behandeling.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Procesbelang
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Verweerder heeft de rechtbank bij bericht van 21 november 2025 meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser op 24 november 2025 verzocht mee te delen wanneer en op welke wijze zij voor het laatst contact heeft gehad met eiser. De gemachtigde van eiser heeft daarop bij bericht van 28 november 2025 meegedeeld dat eiser de opvang heeft verlaten wegens problemen aldaar, maar dat hij nog steeds in Nederland verblijft en belang heeft bij de verdere behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser was ook in persoon bij de zitting aanwezig en wordt daarom ontvankelijk geacht wat betreft de inhoudelijke behandeling van zijn beroep.
De geloofwaardigheid van het asielrelaas
6. De Afdeling [2] heeft in haar uitspraak van 2 juli 2025 [3] uiteengezet hoe verweerder moet omgaan met asielaanvragen van personen die in Griekenland internationale bescherming hebben gekregen, maar niet naar Griekenland kunnen terugkeren. Dit is ook bij eiser aan de orde: hij heeft van de Griekse autoriteiten een asielstatus gekregen, maar hij kan niet terugkeren omdat hij dan mogelijk in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt. Volgens de Afdeling is verweerder in zo’n geval niet gebonden aan de door Griekenland verleende status, wat betekent dat verweerder niet verplicht is om deze status automatisch te erkennen en over te nemen, en de asielaanvraag inhoudelijk mag behandelen. Wel moet verweerder ten volle rekening houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten om de status toe te kennen en met de elementen waarop die beslissing is gebaseerd.
7. Verweerder heeft de Griekse autoriteiten verzocht om informatie om vast te kunnen stellen waarop de beslissing om eiser een asielstatus te verlenen is gebaseerd. De van de Griekse autoriteiten verkregen stukken zijn betrokken bij de beoordeling van de aanvraag in Nederland. Verweerder heeft geconstateerd dat eiser ten aanzien van essentiële onderdelen van zijn asielrelaas in Griekenland anders heeft verklaard dan in Nederland. Zo heeft eiser ten aanzien van de reden van vrijlating of ontsnapping in Griekenland verklaard dat hij op de vierde dag is vrijgelaten omdat Al-Shabaab hem vanwege zijn verwondingen niet langer nuttig achtte en hem terugstuurde naar zijn gebied, terwijl hij in Nederland heeft verklaard dat hij tijdens een chaotische situatie is ontsnapt. Ten aanzien van het verloop van het incident heeft eiser in Griekenland verklaard dat hij na zijn terugkeer met zijn pleegbroer naar de apotheek is gegaan, langdurig bedlegerig was en zijn huis niet meer heeft verlaten uit angst voor Al-Shabaab. In Nederland heeft hij daarentegen verklaard dat hij kort na terugkeer naar de apotheek is gegaan, daar een dag en een nacht heeft verbleven en vervolgens met behulp van een smokkelaar is vertrokken, na overleg tussen zijn pleegbroer en de apotheker. Hij heeft drie dagen in het huis van de smokkelaar verbleven. Ten aanzien van de aanleiding van (gedwongen) rekrutering heeft eiser in Griekenland verklaard dat in 2018 of 2019 een lid van Al-Shabaab naar zijn moskee kwam en hem heeft geprobeerd over te halen zich bij Al-Shabaab aan te sluiten. Nadat eiser had geweigerd, is deze persoon na 1 à 2 jaar teruggekeerd met een andere persoon met bedekt gezicht, waarna eiser zou zijn ontvoerd. In Nederland heeft eiser daarentegen verklaard dat vanaf medio 2022 regelmatig mannen van Al-Shabaab naar zijn moskee kwamen om lezingen over de strijd te geven. Op een dag is hij naar de moskee gegaan om lessen te volgen, waarna de leraar hem heeft verteld dat hij de les buiten moest volgen. Vervolgens is eiser geblinddoekt en naar een afgelegen locatie gebracht.
8. Verder heeft eiser ten aanzien van het incident van mishandeling in Griekenland verklaard dat tijdens dat incident een man tussenbeide is gekomen, nadat een andere man hem sloeg en met een mes wilde doden. In Nederland heeft eiser daarentegen verklaard dat een man hem na het incident naar zijn kamer heeft teruggebracht.
9. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in beide verklaringen sprake is van dezelfde manier van tussenkomst door een derde. De Griekse verklaring ziet op een actief tussenbeide komen tijdens de mishandeling zelf, terwijl de Nederlandse verklaring enkel ziet op de situatie na afloop van het incident, namelijk dat een man eiser na afloop naar zijn kamer heeft gebracht. Daarmee verschillen de verklaringen in aard en moment van de tussenkomst, zodat niet kan worden aangenomen dat eiser hierover in Griekenland en Nederland gelijkluidend heeft verklaard.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser ten aanzien van essentiële onderdelen van zijn asielrelaas in Griekenland anders heeft verklaard dan in Nederland, nu zich in de van de Griekse autoriteiten verkregen stukken daartoe voldoende aanknopingspunten bevinden. Het gaat daarbij niet zozeer om de afzonderlijke onderdelen, maar wel in totaliteit en in onderling verband bezien. De geconstateerde verschillen betreffen namelijk drie wezenlijke onderdelen van het asielrelaas en vormen in samenhang een zodanig patroon dat deze niet kunnen worden toegeschreven aan verschillen in de procedures in beide landen. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat de vermeende tegenstrijdigheden berusten op onjuiste vertaling, interpretatie of verslaglegging in de Griekse asielprocedure. De enkele stelling van eiser dat hij in Griekenland geen gelegenheid heeft gehad om correcties en aanvullingen in te dienen, leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers gestelde problemen met Al-Shabaab, de gedwongen rekrutering, de gevangenneming en de ontsnapping niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Vrees bij terugkeer
12. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stelling dat hij bij terugkeer naar Somalië vreest voor Al-Shabaab en voor een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling niet heeft onderbouwd, ook niet ter zitting. Eiser heeft geen concrete aanwijzingen of voorbeelden kunnen noemen waaruit volgt dat hij in de negatieve aandacht van Al-Shabaab staat of anderszins risico loopt bij terugkeer. De enkele, niet nader geconcretiseerde stelling dat hij nog in beeld zou zijn bij Al-Shabaab is daartoe onvoldoende. De rechtbank acht daarbij van belang dat verweerder eisers problemen met Al-Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.