ECLI:NL:RBDHA:2026:17613

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.9427
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende vrees voor vervolging

Eiser, een Tunesische nationaliteithebbende, vroeg een verblijfsvergunning asiel aan, welke door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen wegens onvoldoende geloofwaardigheid van zijn identiteit en onvoldoende aannemelijkheid van zijn vrees voor vervolging door zijn stiefbroers.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de identiteit van eiser niet geloofwaardig achtte, omdat eiser geen identiteitsdocumenten kon overleggen en geen voldoende verklaring gaf voor het ontbreken daarvan. De minister mocht ook de authenticiteit van een overgelegde kopie van het paspoort betwijfelen.

Hoewel eiser een mesaanval door zijn stiefbroers in 2025 aannemelijk maakte, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat hij bij terugkeer opnieuw gevaar loopt. De minister heeft gemotiveerd dat eiser sinds de aanval geen contact meer had met zijn stiefbroers en dat er geen concrete aanwijzingen zijn voor hernieuwd geweld. De rechtbank volgt de minister hierin en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende aannemelijkheid van de vrees voor vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9427

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.E. Buijsse als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Lotfi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. De vader van eiser is getrouwd met een vrouw toen eiser ongeveer elf of twaalf jaar was. Sindsdien is eiser gepest en mishandeld door zijn stiefmoeder en zijn twee stiefbroers. In 2025 hebben zijn stiefbroers hem eenmalig met een mes aangevallen, waardoor eiser in het ziekenhuis is beland. Hij heeft daarna twee maanden bij een vriend verbleven en is toen uit Tunesië vertrokken.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser als deels geloofwaardig beoordeeld. Eiser heeft namelijk geen identificerende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring. De problemen van eiser met zijn stieffamilie zijn niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Deze problemen geven hoe dan ook geen aanleiding voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Het is niet aannemelijk dat de stiefbroers van eiser hem bij terugkeer opnieuw iets zullen aandoen.
Heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de identiteit en nationaliteit van eiser niet geloofwaardig zijn?
5. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit en nationaliteit van eiser niet geloofwaardig zijn. Het feit dat eiser geen paspoort heeft overgelegd, betekent niet dat daardoor zijn identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig zijn. De minister heeft niet gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft consequent verklaard over zijn identiteit en nationaliteit.
5.1.
De minister heeft op de zitting toegelicht dat hij de nationaliteit en herkomst wel geloofwaardig heeft geacht, en alleen de identiteit niet geloofwaardig heeft geacht. De rechtbank stelt vast dat daarmee alleen de geloofwaardigheid van de identiteit van eiser ter discussie staat.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eisers identiteit niet geloofwaardig is. De minister mocht betrekken dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn identiteit te onderbouwen en dat hij hier geen goede verklaring voor heeft. [2] Eiser heeft verklaard dat hij zijn paspoort bij zijn vriend in Frankrijk heeft laten liggen en dat hij deze vriend heeft verzocht om het paspoort aan hem toe te sturen, maar dat deze vriend daar wegens drukte niet toe in staat is. Gelet op het belang dat in de asielprocedure aan identiteitsdocumenten wordt gehecht, heeft de minister van eiser mogen verwachten dat hij meer inspanningen verricht om aan zijn paspoort te komen of, als dat niet mogelijk is, aangifte te doen van vermissing. Ook mocht de minister betrekken dat eiser wel over een paspoort beschikt, maar dat heeft achtergelaten. De door eiser in beroep overgelegde kopie van zijn paspoort heeft de minister onvoldoende mogen vinden, omdat hij daarvan de authenticiteit niet kan vaststellen.
5.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor zijn stiefbroers niet aannemelijk heeft gemaakt?
6. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser zijn vrees voor zijn stiefbroers niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser is vlak voor zijn vertrek uit Tunesië door zijn stiefbroers aangevallen met een mes. Het feit dat eiser eerder is aangevallen, is een belangrijke aanwijzing dat hij bij terugkeer opnieuw slachtoffer zal worden van geweld door zijn stiefbroers. Het is vervolgens aan de minister om aannemelijk te maken dat dit gevaar zich niet opnieuw zal voordoen. De minister heeft daarnaast niet gemotiveerd dat eiser de bescherming van de Tunesische autoriteiten kan inroepen. De minister had moeten onderzoeken of dit daadwerkelijk mogelijk is.
6.1
De rechtbank stelt vast dat de minister het asielrelaas van eiser, voor zover dat ziet op de problemen met zijn stiefbroers, niet op geloofwaardigheid heeft beoordeeld. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de minister de door eiser gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. [3] Op de zitting heeft de minister ook toegelicht dat hij de mesaanval door de stiefbroers van eisers geloofwaardig acht.
6.2
Het feit dat een vreemdeling in het verleden is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade is een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor die vervolging gegrond is of het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. [4] Dit betekent dat de bewijslast om aan te nemen dat de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen in dat geval bij de minister ligt. De minister stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat hij voldoende heeft gemotiveerd waarom niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer (opnieuw) te vrezen heeft voor zijn stiefbroers. In de tweede plaats stelt de minister zich op het standpunt dat eiser de bescherming van de Tunesische autoriteiten kan inroepen.
6.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Tunesië (opnieuw) te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. De minister heeft gemotiveerd dat eiser sinds de eenmalige mesaanval door zijn stiefbroers niets meer van zijn stiefbroers heeft vernomen. Het standpunt van eiser dat de minister dit ten onrechte tegenwerpt omdat eiser zich niet meer in Tunesië bevond, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft immers verklaard dat hij na zijn vlucht nog twee maanden bij een vriend in Tunesië heeft verbleven, en dat hij ook in die periode niets meer van zijn stiefbroers heeft vernomen. [5] De minister heeft verder gemotiveerd dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat niet aannemelijk is dat zijn stiefbroers hem bij terugkeer naar Tunesië iets zullen aandoen. Zo heeft eiser verklaard dat hij door niemand wordt gezocht. [6] Op de vraag waarop eiser baseert dat zijn stiefbroers hem opnieuw iets zullen aandoen, verklaart hij enkel: ‘het is gebeurd, waarom zou het niet voor een tweede keer gebeuren?’. [7] De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er geen concrete aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de stiefbroers van eiser hem bij terugkeer (opnieuw) iets zullen aandoen.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
6.5.
Omdat de motivering van de minister dat eiser de bescherming van de Tunesische autoriteiten kan inroepen een subsidiair standpunt betreft, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de beroepsgronden die zich tegen deze motivering richten.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.G. Bijvank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Dit volgt uit artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, r.o. 8.1.
4.Dit volgt uit artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Nader gehoor van 9 februari 2025, p. 9.
6.Nader gehoor, p. 6.
7.Nader gehoor, p. 9.