ECLI:NL:RBDHA:2026:17632

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33368
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Vreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling zonder rechtmatig verblijf

De minister van Asiel en Migratie legde op 11 juni 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op wegens het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken en uitzetting zou ontwijken. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

Tijdens de zitting op 23 juni 2026 in Groningen werd vastgesteld dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn persoonlijke belangen naar voren te brengen. De rechtbank oordeelde dat de gronden voor de bewaring, waaronder het ontbreken van rechtmatig verblijf, het niet naleven van verplichtingen en het ontbreken van documenten, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren.

De rechtbank verwierp het verweer dat een lichter middel volstaat, mede vanwege het gedrag van eiser en het ontbreken van documenten ter onderbouwing van zijn identiteit. Ook achtte de rechtbank de minister voortvarend in het streven naar uitzetting, met zicht op uitzetting naar Nigeria.

Ambtshalve toetste de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en vond geen onrechtmatigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33368

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K. Nuninga ).

Inleiding

1. De minister heeft op 11 juni 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is op de rechtbank in Groningen verschenen. Op de rechtbank is ook een tolk verschenen. De gemachtigde van eiser nam via een videoverbinding (Teams) deel aan de zitting. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat hij de uitzetting ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [2] heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend, die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
2.2.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
3. Eiser stelt dat het tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet voldoende duidelijk is gemaakt dat het aan hem is om feiten en omstandigheden naar voren te brengen met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die tot het oordeel kunnen leiden dat in zijn geval met toepassing van een lichter middel moet worden volstaan. Eiser vindt het gehoor onzorgvuldig en onvolledig.
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om eventuele persoonlijke belangen en omstandigheden naar voren te brengen en zijn zienswijze hierover te geven. Naast dat dit aan eiser is medegedeeld en uitgelegd, zijn hierover op pagina 7 en 8 van het gehoor vragen gesteld. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Grondslag
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. De asielaanvraag van eiser is op 25 februari 2026 buiten behandeling gesteld. Daarbij zijn een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Eiser heeft daarna weer een asielaanvraag ingediend, die op 22 mei 2026 is afgewezen. In deze beschikking wordt verwezen naar het terugkeerbesluit en inreisverbod van 25 februari 2026. Deze beslissingen staan in rechte vast; eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
6. Eiser heeft in het beroepschrift gereageerd op de gronden die de minister in de maatregel heeft opgenomen. Voor zover eiser de feitelijke juistheid van zware grond 3f bestrijdt, overweegt de rechtbank dat aan eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling wel degelijk vragen zijn gesteld over zijn paspoort. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de verblijfplaats van zijn paspoort tegenstrijdig en onvoldoende concreet zijn, waardoor hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij buiten zijn schuld niet over zijn paspoort kan beschikken. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van de andere zware en lichte gronden niet betwist. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang gezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat.
Lichter middel
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Zoals hierboven genoemd is de rechtbank van oordeel, dat de gronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het risico tot onttrekken aan het toezicht vaststaat. [3] Eiser stelt dat desondanks een lichter middel volstaat, omdat hij wil meewerken aan een meldplicht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht in zijn overwegingen betrokken dat het gedrag van eiser geen aanleiding geeft tot het toepassen van een lichter middel. Zo is op 2 april 2026 aan eiser een artikel 56 maatregel Pro opgelegd, om vanwege zijn gedrag op een HTL-locatie [4] te verblijven. Vervolgens is hij hier op 9 en 19 januari 2026, met onbekende bestemming vertrokken en heeft hij sinds zijn asielaanvraag op 30 september 2025 geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Door de minister is eiser erop gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is en die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Van persoonlijke omstandigheden die de maatregel onevenredig maken voor eiser is niet gebleken.
Voortvarendheid
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 3 juni 2026 is er een lp [5] -aanvraag naar DIA [6] verzonden en ter zitting heeft de minister toegelicht dat deze lp-aanvraag op 11 juni 2026 is doorgezet naar de Nigeriaanse ambassade. Daarnaast heeft er op 15 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden.
Zicht op uitzetting
9. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Nigeria niet ontbreekt. [7] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [8]
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Zie artikel 5.1b, eerste en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
4.Handhaving- en toezichtlocatie
5.Laissez passer.
6.Directie Internationale Aangelegenheden.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2707), en 27 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2418).
8.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).