ECLI:NL:RBDHA:2026:17642

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29709 en NL26.29710
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 7 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens bijzondere familiebanden en toepassing artikel 17 Dublinverordening

Eiser, een Chinese nationaliteit dragende vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Spanje verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om overdracht aan Spanje te voorkomen.

De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond is. Hoewel het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en Spanje verantwoordelijk is, is in dit geval sprake van bijzondere omstandigheden. Eiser heeft een zeer nauwe, moederlijke band met zijn zus die hem sinds zijn geboorte heeft opgevoed en die nu in Nederland woont met haar gezin. De rechtbank vond dat verweerder niet in redelijkheid kon afzien van toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat het mogelijk maakt de asielaanvraag in Nederland te behandelen bij bijzondere omstandigheden.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep zelf al werd toegewezen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt vernietigd vanwege bijzondere familiebanden en toepassing van artikel 17 Dublinverordening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.29709 (beroep)
NL26.29710 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1999, van Chinese nationaliteit, eiser /verzoeker, hierna: eiser,
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratierecht, verweerder

(gemachtigden: mrs. N.F. van der Gouw en E.W.V. Stevens).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft eisers aanvraag met het bestreden besluit van 26 mei 2026 (het bestreden besluit) niet in behandeling genomen, omdat Spanje ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen om verweerder te verbieden hem over te dragen totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en meneer T. Yilihamu, als tolk in de Oeigoerse taal. Eisers zus, haar echtgenoot en hun drie dochters zijn ook op zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Besluitvorming
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regels staan in de Dublinverordening [1] . Verweerder neemt een asielaanvraag niet in behandeling als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] Dit is bij eiser het geval. Er is gebleken dat aan eiser een Schengenvisum, geldig van 17 februari 2026 tot 2 april 2026, is verleend door Spanje. Om die reden heeft Nederland de autoriteiten van Spanje op 10 april 2026 een verzoek om overname gedaan. Op 15 april 2026 zijn de Spaanse autoriteiten hiermee akkoord gegaan, waarmee de verantwoordelijkheid van Spanje vaststaat.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
Standpunt eiser
4. Eiser betoogt dat ten aanzien van Spanje niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser zijn er in Spanje ernstige tekortkomingen in de asielopvang, die ook van toepassing is op personen die terugkeren op grond van de Dublinverordening. In dit verband verwijst eiser naar het AIDA rapport van april 2026 [3] . Daarnaast zijn er volgens eiser ook tekortkomingen in de asielprocedure in Spanje, nu de UNHCR [4] zijn bezorgdheid uitte over de kwaliteit van Spaanse asielbesluiten in 2025, waarbij de beslissingen vrijwel uitsluitend werden gebaseerd op het initiële politieverhoor dat van beperkte kwaliteit was. [5]
Het oordeel van de rechtbank
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielverzoeken hun internationale verplichtingen zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [6] of artikel 4 van Pro het Handvest [7] . Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals bedoeld in het arrest Jawo. [8]
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. De Afdeling [9] heeft onder andere in haar uitspraak van 25 november 2025 [10] geoordeeld dat ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling is in die uitspraak ingegaan op de opvangomstandigheden in Spanje en heeft onder andere geoordeeld dat het AIDA-rapport update 2024 (april 2025) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan de informatie waar de Afdeling eerder al over heeft geoordeeld. [11] Deze rechtbank en zittingsplaats heeft nog recent gelijkluidend geoordeeld. [12] De rapporten die eiser heeft in gebracht geven de rechtbank geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Nu mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kunnen mogelijke klachten over de opvang in Spanje aan de autoriteiten aldaar worden voorgelegd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in Spanje voor Dublinclaimanten niet kan of bij voorbaat zinloos is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
Standpunt van eiser
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn bijzondere band met zijn zus aanleiding geeft om over te gaat tot de toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De band tussen hen gaat namelijk verder dan de gebruikelijke band tussen broer en zus. Eisers zus heeft vanaf zijn geboorte de opvoeding voor haar rekening genomen tot zij China moest ontvluchten. Daarna hebben zij altijd contact gehouden en is de speciale band nooit verbroken.
Het oordeel van de rechtbank
5.1.
Op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder geeft op grond van zijn beleid [13] in ieder geval toepassing aan deze bevoegdheid als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Het is aan verweerder om te beoordelen of van dergelijke bijzondere omstandigheden in het voorliggende geval sprake is. De rechter toetst deze beoordeling terughoudend.
5.2.
Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van de volgende, door verweerder onweersproken, feiten en omstandigheden. Toen eiser werd geboren was zijn zus 17 jaar oud. Vanwege de zeer slechte gezondheid van hun moeder heeft eisers zus vanaf eisers geboorte de opvoeding op zich genomen. Tot eisers zesde levensjaar, toen zijn zus gedwongen China moest ontvluchten, heeft zij intensief voor eiser gezorgd als een moederfiguur. Door de vlucht van zijn zus is eiser het slachtoffer geworden van ernstige intimidatie, pesterijen en vervolging door de Chinese autoriteiten. Ondanks dat ze fysiek gescheiden waren, hebben zij gedurende de jaren altijd contact onderhouden en zijn zij emotioneel verbonden met elkaar gebleven. Op de zitting bij de rechtbank hebben zowel eiser als de zus van eiser deze achtergrond en verbondenheid toegelicht. Daarbij hebben zij met klem verzocht om hen niet van elkaar te scheiden.
5.3.
In dit specifieke geval heeft verweerder naar het – terughoudend toetsende - oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid af kunnen zien van het gebruik maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag aan zich te trekken. Daartoe overweegt de rechtbank dat de band tussen eiser en zijn zus van zeer bijzondere aard is. Zij zijn niet enkel broer en zus, maar de zus heeft als moederfiguur voor eiser gezorgd tot aan zijn zesde levensjaar toen de zus China moest ontvluchten. Eiser is nu in Nederland onderdeel van het gezin van zijn zus. Zij voelt zich nog altijd als een tweede moeder voor eiser en ook haar dochters voelen voor hem als zijn eigen zussen. Dit volgt uit de verklaringen die eisers zus en haar dochter hebben overgelegd en ook uit de emotionele betrokkenheid van het hele gezin op de zitting. Ook zijn eiser en zijn zus destijds door vluchtelingrechtelijk gerelateerde redenen onvrijwillig van elkaar gescheiden geraakt. Zoals eisers zus, zowel op de zitting als in haar brief aan verweerder van 29 april 2026, heeft toegelicht is de scheiding met haar broertje (eiser) al 20 jaar een open wond. Dat eiser China heeft kunnen ontvluchten en zij herenigd zijn voelt als een wonder gelet op de Oeigoerse situatie in China. Uit de gronden van beroep volgt overigens dat eiser psychisch erg kwetsbaar is en heel veel steun heeft aan zijn zus en haar gezin. Ook heeft eiser op de zitting, zichtbaar aangedaan, verteld dat hij bezig is met het zoeken van psychologische hulp. Dat hij daarvan nu nog geen bewijsstukken kan overleggen komt omdat het COA hem nog niet heeft doorverwezen.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank – terughoudend toetsend- van oordeel dat hier sprake is van dermate bijzondere, schrijnende, omstandigheden dat niet valt in te zien waarom verweerder in dit geval geen gebruik maakt zijn van zijn bevoegdheid en de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich trekt. Naar het terughoudend toetsende oordeel van de rechtbank levert in dit specifieke, schrijnende geval het niet gebruik maken van artikel 17 van Pro de Dublinverordening strijd op met artikel 7 van Pro het Handvest en met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb [14] omdat dit voor eiser en zijn familie tot een onevenredige uitkomst leidt. Deze beroepsgrond slaagt.
5.5.
Gelet op bovenstaand oordeel en omdat de rechtbank hiervoor ook overigens geen aanleiding ziet, is er geen reden voor heropening van het onderzoek om uit te zoeken of in deze zaak wel of geen gebruik is gemaakt van het systeem Casematcher.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met artikel 7 van Pro het Handvest, artikel 17 van Pro de Dublinverordening en artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder krijgt hiervoor zes weken de tijd.
7. Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL26.29709:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
De voorzieningenrechter in de zaak met zaaknummer NL26.29710:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
De rechtbank in beide zaken:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.AIDA-rapport, Country Report: Spain (2025 Update), April 2026.
4.Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (Engels: United Nations High Commissioner for Refugees).
5.AIDA, 'Country Report: Registration of the asylum application', laatste update 7 mei 2026.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.
9.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
11.Zie ook de recentere uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1431.
12.Zie de uitspraak van 25 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4077.
13.Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
14.Algemene wet bestuursrecht.