ECLI:NL:RBDHA:2026:17649

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.25405 en NL25.25407
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMRichtlijn 2003/86/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit vreemdelingenzaken wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM

De rechtbank Den Haag heeft in deze bestuursrechtelijke zaak geoordeeld dat het bestreden besluit van 5 juni 2025 en het aanvullend besluit van 16 januari 2026 van de minister van Asiel en Migratie gebreken vertonen op het gebied van zorgvuldigheid en motivering. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM is onjuist en te streng toegepast, waardoor geen fair balance is bereikt tussen de belangen van eisers en de Nederlandse Staat.

De rechtbank constateert dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het oud-Nederlanderschap van referente en het onvrijwillige verlies daarvan, evenals aan de sterke banden van referent met Nederland. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de afhankelijkheid van eisers van de zorg die referente biedt en het ontbreken van haalbare zorgalternatieven in Suriname. Daarnaast is het economisch belang niet adequaat beoordeeld volgens het toetsingskader, waarbij verweerder een te hoge bewijslast heeft opgelegd.

De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en het aanvullend besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de tussenuitspraak en deze einduitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het bestreden besluit en aanvullend besluit worden vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.25405 (beroep)
NL25.25407 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 2002, eiser 1,
en
[eiser 2],
geboren op [geboortedag 2] 2003, eiser 2,
beiden van Surinaamse nationaliteit, hierna samen: eisers
(gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. N.N. Bontje).

Inleiding

1. Met een tussenuitspraak van 8 december 2025 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak. De rechtbank doet nu een einduitspraak na de tussenuitspraak.

Procesverloop

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, vastgesteld dat het bestreden besluit van 5 juni 2025 zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken bevat. Verweerder heeft bij de gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [1] een onjuist en te streng juridisch kader gehanteerd. Daarbij is geen sprake van een ‘fair balance’ tussen de belangen van eisers (en hun gezinsleden) en de belangen van de Nederlandse Staat.
2.2.
Verweerder heeft aangegeven gebruik te willen maken van de mogelijkheid om de geconstateerde gebreken te herstellen. Vervolgens heeft verweerder op 16 januari 2026 een aanvullend besluit genomen.
2.3.
Eisers hebben op 16 februari 2026 gereageerd op het aanvullend besluit met een zienswijze.
2.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Vrijstelling griffierecht
3. Eisers hebben om vrijstelling van griffierecht verzocht wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft dit verzoek in de beroepszaak voorlopig afgewezen, waarna eisers het griffierecht hebben voldaan. In de voorlopige voorziening procedure heeft de rechtbank het verzoek voorlopig toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat eisers in beide zaken in aanmerking komen voor vrijstelling van griffierecht. Het onverschuldigd betaalde griffierecht dient dus aan eisers terugbetaald te worden.
Beroep op Bijlage 1 van de Migratieovereenkomst over verruimde gezinshereniging
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld dat het beroep van eisers op Bijlage 1 van de Migratieovereenkomst over verruimde gezinshereniging niet slaagt. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar de overwegingen 4. en 4.1. van de tussenuitspraak. Wat eisers in hun reactie op het aanvullend besluit tegen dit oordeel van de rechtbank hebben aangevoerd, dienen zij desgewenst in hoger beroep tegen deze uitspraak aan de orde te stellen.
De belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRMHeeft verweerder een nieuwe belangenafweging gemaakt?
5. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat verweerder in het aanvullend besluit geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank in de tussenuitspraak, omdat hij het besluit van 5 juni 2025 integraal heeft overgenomen. De rechtbank merkt op dat de zinnen “Ik neem dat besluit hier over” en “Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag op 8 december 2025 in het door u ingestelde beroep, leg ik nog het volgende uit” in het aanvullend besluit tot enige verwarring kunnen leiden. Uit de motivering van dat besluit blijkt echter wel dat verweerder een aanvullend besluit heeft genomen met een aanvullende motivering, en daarin een nieuwe belangenweging heeft gemaakt, zoals de rechtbank verweerder had opgedragen.
5.1.
De rechtbank zal hierna bezien of verweerder met de nieuwe belangenafweging de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken heeft hersteld.
Heeft verweerder een te strenge toets gehanteerd?
6. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak in rechtsoverwegingen 6. en 6.1. geoordeeld dat verweerder in het bestreden besluit van 5 juni 2025 ten onrechte een te strenge beoordeling heeft toegepast bij de belangenafweging, door alleen te beoordelen of er zeer bijzondere omstandigheden aan de orde zijn. In plaats daarvan had verweerder een evenwichtige belangenafweging moeten maken waarbij alle relevante feiten en omstandigheden worden meegewogen.
6.1.
Verweerder heeft in het aanvullend besluit overwogen dat zelfs bij een evenwichtige belangenafweging, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden worden meegenomen, de belangenafweging alsnog in het nadeel van eisers uitvalt. Hieruit blijkt dat verweerder in de nieuwe belangenafweging niet meer de eerder genoemde te strenge toets heeft gehanteerd en daarmee gevolg heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank.
Heeft verweerder in de nieuwe belangenafweging voldoende gewicht toegekend aan het oud-Nederlanderschap van referente en het onvrijwillige verlies ervan?
7. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 7. en 7.1. overwogen dat verweerder het arrest Jeunesse [2] te beperkt heeft geïnterpreteerd en dat verweerder een ‘fair balance’ moet maken tussen het belang van eisers en diens familie enerzijds en het belang van de Staat anderzijds. Daarbij moet verweerder alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken. Een van de van betekenis zijnde feiten en omstandigheden is dat referente oud-Nederlander is en haar Nederlanderschap op zesjarige leeftijd onvrijwillig is verloren. Verweerder heeft hieraan, ook na de uitspraak van de voorzieningenrechter die daarop had gewezen, onvoldoende gewicht toegekend. De voorzieningenrechter had al geoordeeld dat deze omstandigheid kan doorwerken voor eisers en daarbij gewezen op de bijzondere positie die Surinamers in de Vreemdelingenwet 2000 hebben. De rechtbank heeft in dat kader ook verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 februari 2025 [3] over de bijzondere positie van Surinamers (oud-Nederlanders).
7.1.
In het aanvullend besluit heeft verweerder het oud-Nederlanderschap van referente als een relevante omstandigheid aangenomen, maar zich op het standpunt gesteld dat daar weinig gewicht aan kan worden toegekend. De motivering van verweerder is dat uit het arrest Jeunesse volgt dat deze omstandigheid relevant was voor de klaagster in kwestie, die zelf oud-Nederlander was en geen verblijfsvergunning had gekregen. In dit geval zijn eisers, die nooit de Nederlandse nationaliteit hebben gehad, de aanvragers. Eisers hebben geen banden met Nederland. Dat de omstandigheid dat referente de Nederlandse nationaliteit heeft gehad doorwerkt voor eisers, volgt verweerder niet. Dit volgt volgens verweerder niet uit het arrest Jeunesse. Bovendien is referente het Nederlanderschap ruim vijftig jaar geleden verloren, ruimschoots voordat eisers geboren waren en is niet aangetoond en ook niet gebleken dat referente sindsdien stappen heeft ondernomen om de Nederlandse nationaliteit te herkrijgen. Eisers hebben dan ook geen sterkere band met Nederland, alleen omdat referente als kind de Nederlandse nationaliteit is verloren. Bovendien hebben eisers nooit in Nederland verbleven en hebben zij geen familieleden met de Nederlandse nationaliteit.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze redenering het arrest Jeunesse wederom te beperkt interpreteert en in de belangenafweging onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het onvrijwillige verlies van het Nederlanderschap van referente en de bijzondere positie van Surinamers, aangezien dit omstandigheden betreft die wel degelijk doorwerken voor eisers. Eisers hebben in hun reactie op het aanvullend besluit terecht hierop gewezen en op het feit dat het hier om een gezinsherenigingszaak gaat waarin alle gezinsleden procespartij zijn. Hun positie en banden met Nederland dienen dus in de belangenafweging te worden betrokken. Dat eisers geen familieleden met de Nederlandse nationaliteit hebben, is onjuist, alleen al omdat referent en zijn kinderen en kleinkinderen de Nederlandse nationaliteit hebben en in Nederland verblijven. Ook zijn er nog andere familieleden van de kant van referent en referente in Nederland.
7.3.
Eisers hebben ook terecht erop gewezen dat referente, zonder de inwilliging van de aanvragen van eisers, geen gebruik kan maken van haar recht op gezinshereniging met referent in Nederland. Referente is immers in het bezit van een geldige mvv, waar zij nu geen gebruik van kan maken, omdat zij eisers niet in Suriname kan achterlaten. Hierdoor kan referente evenmin effectueren dat zij na een jaar verblijf bij referent via een versnelde optieprocedure haar Nederlanderschap herkrijgt. Eisers hebben onbetwist gesteld dat dit doorwerkt voor hun positie. Zij zouden namelijk via referente in aanmerking kunnen komen voor verkrijging van Nederlanderschap. Dit alles heeft verweerder onvoldoende onderkend en onvoldoende in het voordeel van eisers betrokken.
Heeft verweerder de sterke banden van referent met Nederland in de belangenafweging betrokken?
8. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank in rechtsoverweging 7.2. overwogen dat referent sterke banden heeft met Nederland die niet kenbaar in de belangenafweging zijn betrokken. Hij heeft hier in Nederland privéleven opgebouwd en heeft daarnaast kinderen en kleinkinderen die in Nederland wonen.
8.1.
In het aanvullend besluit heeft verweerder overwogen dat de omstandigheden dat aan referente een mvv is verleend en dat referent de Nederlandse nationaliteit heeft in het voordeel van eisers wegen, maar dat ze niet tot vergunningverlening aan eisers kunnen leiden. Verweerder wijst erop dat ook Nederlanders in een ander land kunnen gaan wonen. Daarbij merkt verweerder op dat referent oorspronkelijk uit Suriname komt.Verweerder vindt de banden die referent met Nederland heeft niet relevant voor de vraag of artikel 8 van Pro het EVRM zich verzet tegen niet-verlening van een vergunning aan eisers. Alleen bij de vraag of er sprake is van ‘subjectieve belemmeringen’ om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen spelen deze banden een rol. Verweerder acht deze banden echter niet sterk, omdat hij niet uitgaat van een gezinsleven tussen referent en zijn kinderen en kleinkinderen. Referent kan met deze familieleden ook contact op afstand onderhouden, aldus verweerder.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze redenering ingaat tegen het oordeel van de rechtbank dat referent vanwege de in rechtsoverweging 7.2. genoemde feiten en omstandigheden sterke banden met Nederland heeft, die verweerder in de belangenafweging dient te betrekken. Verweerder heeft dat ten onrechte in de nieuwe belangenafweging niet gedaan. Verweerder kan zich zonder nader onderzoek en deugdelijke motivering niet op het standpunt stellen dat referent geen gezinsleven heeft met zijn kinderen en kleinkinderen en zich in Suriname kan vestigen. Ook op dit punt heeft verweerder niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank.
Heeft verweerder betrokken dat eisers vanwege hun verstandelijke beperking afhankelijk zijn van de zorg die referente biedt en dat voor hen geen haalbare zorgalternatieven zijn?
9. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 7.3. van de tussenuitspraak vastgesteld dat eisers hebben onderbouwd dat de zorg die zij nodig hebben en van referente krijgen niet door derden kan worden verleend en dat het aan verweerder is om aan te tonen dat er voor eisers haalbare zorgalternatieven zijn.
9.1.
Verweerder heeft in het aanvullend besluit overwogen dat uit navraag bij TOELT [4] is gebleken dat voor eisers in Suriname zorgalternatieven zijn bij stichting Opo Doro thuisbegeleiding. Zelfs als deze stichting niet de zorg kan verlenen, is referente er om de zorg in Suriname voort te zetten. Dat referente liever met eisers in Nederland wil wonen, betekent niet dat verweerder dit moet toestaan. Bij het indienen van de aanvragen wist referente, of had zij redelijkerwijs kunnen weten, dat de aanvragen van eisers zouden kunnen worden afgewezen. Van referente mag worden verwacht dat zij met referent de gevolgen van een mogelijke afwijzing van de aanvragen van eisers bespreekt, voordat zij de aanvragen voor eisers indient. Het is aan referente en referent om een keuze te maken of referent bij referente en eisers in Suriname komt wonen of dat referent in Nederland blijft wonen en referente het gezinsleven met eisers in Suriname voortzet.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat eisers de stelling van verweerder dat stichting Opo Doro de nodige zorg kan bieden onderbouwd hebben weersproken met een verklaring van de stichting. Verweerder heeft dus niet aangetoond dat er voor eisers haalbare zorgalternatieven zijn. Dit betekent dat zonder de inwilliging van de aanvragen van eisers referente in Suriname moet blijven bij eisers en haar recht om zich met referent te herenigen met een geldige door verweerder verstrekte mvv niet zou kunnen effectueren. Dat zou het nuttige effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn [5] doorkruisen. Dat referent en referente op een mogelijke afwijzing van de aanvragen van eisers hadden moeten anticiperen, volgt de rechtbank niet. Verweerder had de positie en de belangen van alle gezinsleden bij de beoordeling van de aanvragen moeten betrekken. De rechtbank gaat er dus vanuit dat voor eisers geen haalbare zorgalternatieven zijn in Suriname. Verweerder dient dit bij een nieuw te nemen besluit als uitgangspunt nemen en in hun voordeel mee te wegen.
Heeft verweerder de onderbreking van de samenwoning in 2016-2017 in het nadeel van eisers betrokken?
10. Uit de motivering van de nieuwe belangenafweging in het aanvullend besluit stelt de rechtbank vast dat verweerder de onderbreking van de samenwoning in 2016-2017 niet meer in het nadeel van eisers meeweegt. Hiermee heeft verweerder voldaan aan de opdracht van de rechtbank en is dit niet meer onderwerp van het geschil.
Heeft verweerder de moeilijkheden die worden verwacht als het gezin in Suriname zou wonen in het voordeel van eisers betrokken?
11. In de tussenuitspraak in rechtsoverweging 11. heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend en in het voordeel van eisers in de belangenafweging heeft betrokken dat er zekere moeilijkheden worden verwacht als het gezin in Suriname zou moeten wonen. Referent
heeft hierover uitgebreid verklaard zowel tijdens de hoorzitting als tijdens de zittingen bij de
voorzieningenrechter en de rechtbank.
11.1.
In het aanvullend besluit heeft verweerder aangenomen dat er bepaalde omstandigheden zijn die het moeilijk maken om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen. Referent zou dan vanuit Suriname naar Nederland moeten reizen om zijn kinderen
en (achter-)kleinkinderen in Nederland te bezoeken. Omdat verweerder geen gezinsleven tussen hen in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM aanneemt, weegt hij deze omstandigheid in het voordeel van eisers mee, maar kent daar weinig gewicht aan toe. Volgens verweerder zijn er ook omstandigheden waardoor referent zich goed kan aanpassen aan verblijf in Suriname. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit, zodat hij veel mogelijkheden heeft om in een ander land te gaan wonen, en hij is afkomstig uit Suriname. Hierdoor zal hij bekend zijn met de taal en cultuur in Suriname. Deze feiten en omstandigheden weegt verweerder daarom in het nadeel van eisers mee. Volgens verweerder zijn er ook omstandigheden die het voor referente makkelijker maken om het gezinsleven in Suriname voort te zetten. Ook referente is afkomstig uit Suriname. Zij is daar geboren en opgegroeid. Afgezien van haar korte verblijf in Nederland in 2016 en 2017 heeft zij haar hele leven in Suriname gewoond. Hierdoor is zij gewend aan de cultuur en de gewoonten daar. Zij heeft daar ook nog familieleden wonen en een sociaal netwerk.
Deze feiten en omstandigheden weegt verweerder eveneens in het nadeel van eisers mee.
11.2.
De rechtbank is met eisers van oordeel dat verweerder ook in de nieuwe belangenafweging niet kenbaar in het voordeel van eisers heeft betrokken dat er moeilijkheden worden verwacht als het gezin in Suriname zou wonen, althans heeft daaraan met een ondeugdelijke motivering onvoldoende gewicht toegekend. Verweerder heeft namelijk wederom onvoldoende gewicht toegekend aan de sterke banden van referent met Nederland zoals onder 7. en verder is uiteengezet. De rechtbank heeft al geoordeeld dat verweerder zich zonder nader onderzoek en deugdelijke motivering niet op het standpunt kan stellen dat referent geen gezinsleven heeft met zijn kinderen en kleinkinderen en zich in Suriname kan vestigen. Verweerder heeft dus op dit punt niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank.
Heeft verweerder het economisch belang beoordeeld met inachtneming van het in de tussenuitspraak genoemde toetsingskader en alles wat in dat kader is aangevoerd en onderbouwd?
12. In de tussenuitspraak in rechtsoverwegingen 12 en verder heeft de rechtbank het volgende overwogen.

12. Eisers voeren tot slot aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het economisch belang van de Nederlandse Staat zo in het geding is dat het de belangenafweging in hun nadeel laat uitvallen. Eisers hebben in dat kader het volgende naar voren gebracht. Eisers zullen geen beroep doen op de woningmarkt en gezondheidszorg. Referente en referent zijn getrouwd. Referent heeft een kamer over in zijn woning die ongebruikt is. Daar kunnen eisers verblijven en dat willen zij ook. Een beroep op de algemene kas zullen eisers niet doen. Referent ontvangt een pensioen. Hij is getrouwd met referente. Referente is een gediplomeerd en ervaren verpleegkundige. Zij wil graag in Nederland werken waar een schrijnend tekort is aan verpleegkundigen. Eiser 1 wil en kan ook werken in een aangepaste werkomgeving. Hij kan bij [bedrijf] aan de slag. Hij heeft bewijs overgelegd dat hij in het verleden gewerkt heeft. Eisers hebben slechts een verstandelijke beperking, ze hebben geen bijzondere medische zorg nodig. Dat verweerder stelt dat eisers waarschijnlijk een aanvullend beroep zullen doen op de zorgkosten, mist een onderbouwing. Het enige wat eisers nodig hebben is een dagbesteding, maar daarvan hebben eisers meermaals aangegeven dat het geen noodzakelijke medische zorg is die als economisch belang tegengeworpen kan worden.
12.1.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling over het economisch welzijn heeft overwogen dat verweerder bij de belangenafweging rekening mag houden met het gegeven dat een vreemdeling afhankelijk is van overheidssteun, voor zover deze afhankelijkheid invloed heeft op het economisch welzijn van Nederland. Daarbij mag verweerder niet in algemene zin wijzen op mogelijke toekomstige aanspraken die de vreemdeling zou kunnen doen op de uit algemene middelen gefinancierde faciliteiten. [6] Bovendien is het aan verweerder om alle omstandigheden van het geval mee te nemen in de afweging van het economisch belang en het belang van eisers. Het gaat dan bijvoorbeeld om de leeftijd, de beroepskwalificaties en werkervaring, de mate van integratie in Nederland, de kennis van de Nederlandse taal, de gezondheid, de gezinssituatie en in hoeverre sprake is van inspanningen om werk te vinden. De beoordeling van verweerder dient daarbij flexibel te zijn en verweerder mag hierbij niet het onmogelijke van eisers verwachten. [7]
12.2.
Ook heeft de Afdeling overwogen dat verweerder bij haar beoordeling rekening moet houden met alle relevante aspecten en daarbij dus ook relevante onzekere toekomstige gebeurtenissen die een vreemdeling naar voren heeft gebracht, moet betrekken. De beoordeling hiervan is niet anders dan wanneer verweerder bij zijn beoordeling andere onzekere toekomstige gebeurtenissen betrekt, zoals een mogelijk toekomstig beroep op de openbare kas. Dit neemt niet weg dat verweerder in zijn beoordeling minder gewicht mag toekennen aan een gebeurtenis naarmate het onwaarschijnlijker is dat die gebeurtenis zal plaatsvinden. Ook mag hij van een vreemdeling verlangen dat, als het onwaarschijnlijker is dat een gebeurtenis zal plaatsvinden, hij die gebeurtenissen eerder toelicht. [8]
12.3.
Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder bij de beoordeling van het economisch belang dit toetsingskader heeft toegepast. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers meerderjarige kinderen zijn die vanwege hun verstandelijke beperking volledig afhankelijk zijn van zorg van anderen. Volgens verweerder is op lange termijn de redelijke verwachting dat eisers een beroep op de algemene middelen zullen doen, als referente en referent niet meer voor hen kunnen zorgen. Dit geldt ook voor hun huisvesting. Verweerder gaat hiermee uit van allerlei toekomstige kosten wegens toekomstige problemen in de gezondheid van eisers of toekomstige veranderingen in hun huisvesting, terwijl daarvoor geen aanwijzingen zijn. Aan de andere kant ziet verweerder het als een ‘onzekere toekomstige gebeurtenis’ dat eiser 1 en referente wel in Nederland zullen gaan werken,
terwijl beiden hun arbeidsverleden in Suriname met stukken hebben onderbouwd. In een nieuw te maken belangenafweging dient verweerder het economisch belang te beoordelen met inachtneming van het voornoemde toetsingskader en alles wat in dat kader is aangevoerd en onderbouwd.”
12.1.
In het aanvullend besluit heeft verweerder aangenomen dat referente en eisers bij referent in zijn woning kunnen gaan wonen, waardoor zij geen beroep zullen gaan doen op de woningmarkt. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat deze omstandigheid niet maakt dat het economisch belang minder zwaar meeweegt in de belangenafweging. Daarvoor geeft verweerder de volgende motivering. Referent ontvangt een pensioen. Referente beschikt weliswaar over relevante diploma’s en werkervaring als verpleegkundige, maar niet is aangetoond dat zij in Nederland als verpleegkundige zal gaan werken zodra zij naar Nederland komt. Zij heeft bijvoorbeeld geen arbeidscontract overgelegd. Ook is niet bekend op welke termijn zij een baan zal kunnen vinden en voor hoeveel uur dit zal zijn. Het is daarom voorzienbaar dat zij na aankomst in Nederland (enige tijd) geen eigen inkomen zal hebben. In dat geval zal zij aanspraak kunnen maken op sociale bijstandsvoorzieningen. Ditzelfde geldt voor eiser 1. Niet is aangetoond dat hij daadwerkelijk bij [bedrijf] aan het werk zal gaan als hij naar Nederland komt, en als hij aan de slag kan, of dit voor een volledig dienstverband mogelijk zal zijn. Daarom is er een risico dat hij een beroep op de sociale bijstand zal doen. Eiser 2 kan niet werken, waardoor er een kans is dat ook hij een beroep op de sociale bijstand zal doen. Het is verder voorzienbaar dat eisers dagbesteding nodig hebben als referente aan het werk is, aangezien dit in Suriname ook al jaren de situatie is, waarvan de kosten grotendeels zullen worden gedekt door de Nederlandse overheid. Het is dus voorzienbaar dat eisers afhankelijk zullen zijn van overheidssteun, wat van invloed is op het economisch welzijn van Nederland. Gelet op deze omstandigheden weegt het economisch belang in het nadeel van eisers mee in de belangenafweging.
12.2.
De rechtbank is met eisers van oordeel dat verweerder het economisch belang niet heeft beoordeeld met inachtneming van het in de tussenuitspraak geschetste toetsingskader en alles wat in dat kader is aangevoerd en onderbouwd. Zo heeft verweerder een te hoge bewijslast opgelegd aan referente door te verlangen dat zij nu al met een arbeidscontract aantoont dat zij bij binnenkomst in Nederland als verpleegkundige aan het werk zal gaan. Verweerder had in plaats daarvan conform het toetsingskader een inschatting moeten maken van de mate van waarschijnlijkheid dat referente bij binnenkomst in Nederland binnen afzienbare tijd als verpleegkundige aan het werk zal kunnen gaan. Gelet op haar diploma’s, werkervaring, Nederlandse taalbeheersing en het tekort aan verpleegkundigen in Nederland is die mate van waarschijnlijkheid groot te achten. Daarbij had verweerder ook dienen te betrekken dat referente haar oude werkgever heeft gevraagd haar opnieuw aan te nemen zolang deze procedure nog loopt en zij daardoor niet naar Nederland kan vertrekken. Hiermee heeft zij aangetoond dat zij zich inspant om financieel onafhankelijk te blijven.
Hetzelfde geldt voor eiser 1. Ook aan hem heeft verweerder een te hoge bewijslast opgelegd. Eiser 1 heeft onderbouwd dat hij bij [bedrijf] aan het werk kan gaan. Nu hij thans in Suriname met plezier in de groenvoorziening werkt en hij een toezegging heeft dat hij in Nederland bij [bedrijf] aan het werk kan gaan, is de mate van waarschijnlijkheid dat hij bij binnenkomst in Nederland ook daadwerkelijk bij [bedrijf] aan het werk gaat niet gering te achten. Verweerder heeft dus ook op dit punt niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank.

Conclusie en gevolgen

14. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. Gelet op de voorgaande overwegingen heeft verweerder de geconstateerde gebreken niet hersteld. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en het aanvullend besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.
15. Verweerder moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
16. Omdat in de hoofdzaak is beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst daarom het verzoek af.
17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.269,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de zienswijze, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,in de zaak met zaaknummer NL25.25405:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 5 juni 2025 en het aanvullend besluit van 16 januari 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL25.25407:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.269, - aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, voorzitter, en mr. P.L.C.M. Ficq en
mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003, JUD001273810, paragraaf 108 en 114.
4.De landenspecialist van het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal.
5.Richtlijn 2003/86/EG.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2661, r.o. 3.1.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912, r.o. 7.2. en 8.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3166.