ECLI:NL:RBDHA:2026:1765

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.225
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 30b lid 1 onder b VwArt. 31 lid 6 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering geloofwaardigheidsbeoordeling

Eiser, een Ghanese nationaliteit, vroeg asiel aan in Nederland uit vrees voor onterechte strafrechtelijke vervolging vanwege de dood van zijn handelspartner. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde een terugkeerbesluit, vertrektermijn en inreisverbod op.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling niet voldoende heeft gemotiveerd, met name door niet integraal te beoordelen of het voordeel van de twijfel aan eiser moet worden gegeven. Dit is in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb.

Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van € 2.802,- toegewezen.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.225

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser.

V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. D. Post).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.
1.1.
Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer NL25.226). Op het verzoek voorlopige voorziening wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 12 februari 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen en de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft de zaak op zitting geschorst en aangehouden in afwachting van een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats over de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst en over de geloofwaardigheidsbeoordeling aan de hand van de WI 2024/6.
1.4.
Nadat partijen schriftelijk op de hiervoor bedoelde uitspraken hadden gereageerd, heeft de minister aangegeven het bovengenoemde graag ter zitting te willen bespreken. Om die reden heeft de rechtbank het beroep, samen met het verzoek voorlopige voorziening van eiser, op 23 januari 2026 opnieuw op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is gesloten op zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser mede aan de hand van zijn beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar zal de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, zijnde de afwijzing van de asielaanvraag, in stand laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
3. Tussen partijen is in geschil of eiser bij terugkeer naar Ghana te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Eiser stelt van Ghanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Eiser verblijft in Nederland sinds 2021 en heeft op 25 oktober 2024 asiel aangevraagd. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij vreest voor onterechte strafrechtelijke vervolging door de Ghanese autoriteiten, voor de dood van zijn handelspartner [naam 2] . In dit verband heeft eiser verklaard dat hij een cacaoplantage had en de winst deelde met [naam 2] , maar dat zij door wantrouwen een conflict kregen over geld, bakbananen en cassave. Eiser heeft haar toen met de dood bedreigd en heeft nadien een overeenkomst bij de politie moeten tekenen dat hij verantwoordelijk is, indien er iets met haar zou gebeuren. Eiser heeft verder verklaard dat [naam 2] dood is aangetroffen op zijn plantage op het moment dat hij op reis was. Eiser heeft dit telefonisch van zijn zus vernomen, maar heeft ook geen contact meer met haar. Eiser is direct gevlucht, in 2021, omdat het afwachten van het onderzoek of aanvechten hiervan volgens hem bij voorbaat zinloos is. Hij was niet in staat om onderbouwende documenten mee te nemen en heeft deze achtergelaten. Zijn ex-vrouw en twee dochters verblijven nog in Ghana.
3.1.
De minister heeft de asielaanvraag beoordeeld aan de hand van de Werkinstructie (WI) 2024/6 en heeft de volgende asielmotieven aangemerkt:
  • de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
  • dat eiser verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van [naam 2] ;
3.2.
In het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag afgewezen. De minister acht het eerste motief geloofwaardig. Het tweede niet. Volgens de minister zijn de verklaringen van eiser niet geloofwaardig en is er geen aanleiding hem het voordeel van de twijfel te gunnen omdat eiser niet voldoet aan voorwaarden b, c, d en e. [1]
3.3.
Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Op wat hij in beroep heeft aangevoerd gaat de rechtbank hierna in, voor zover van belang.
Ghana als veilig land van herkomst4. De minister heeft gedurende de procedure laten weten dat hij gelet op het arrest van het Europese Hof van justitie van 1 augustus 2025 [2] eiser niet langer tegenwerpt dat hij uit een veilig land van herkomst komt. Dat betekent dat de minister de aanvraag niet langer
kennelijk ongegrond acht op grond van artikel 30b, lid 1, onder b, van de Vw.
4.1.
Nu dit onderdeel van het bestreden besluit tussen partijen niet langer in geschil is behoeven de beroepsgronden op dit punt geen bespreking meer. Het gewijzigde standpunt van de minister betekent dat het beroep reeds om die reden gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Als een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale geschilbeslechting te onderzoeken. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.
De nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling en de WI 2024/65. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 8 augustus 2025 [3] uitspraak gedaan over de nieuwe werkwijze van de minister voor de geloofwaardigheidsbeoordeling. Uit deze uitspraak volgt, kort samengevat, dat de minister niet steeds zonder meer tot de conclusie kan komen dat een asielmotief niet geloofwaardig is als aan één of meerdere van de cumulatieve voorwaarden niet wordt voldaan. De minister dient duidelijk te maken of en aan welke van de cumulatieve voorwaarden is voldaan en moet ook duidelijk maken of er niet aan is voldaan. De rechtbank heeft verder ook overwogen dat het voordeel van de twijfel aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas dient te worden onderzocht. De minister dient aan het einde van de beoordeling van het asielrelaas derhalve nog een integrale beoordeling te maken, waarin beoordeeld wordt of, alles overziende, de vreemdeling het voordeel van de twijfel moet worden gegund en of geconcludeerd kan worden dat het asielrelaas als geheel geloofwaardig is.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit de geloofwaardigheid heeft beoordeeld volgens WI 2024/6. De voorwaarden b, c, d en e van artikel 31, zesde lid, van de Vw zijn eiser tegengeworpen. Maar uit het besluit blijkt niet, zoals is geoordeeld in de uitspraak van 8 augustus 2025 of aan de overige voorwaarde (a) is voldaan en welke invloed dat heeft gehad op de algehele geloofwaardigheid. Uit de motivering blijkt ook niet dat de minister na afloop van de beoordeling van de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw ‘onder de streep’ nog eens naar het geheel heeft gekeken en heeft beoordeeld of alle feiten en omstandigheden bij elkaar genomen toch niet maken dat het voordeel van de twijfel moet worden gegund en het asielrelaas van eiser geloofwaardig zou moeten worden geacht. Omdat deze afweging ontbreekt, is onduidelijk hoe de minister tot zijn eindconclusie over de geloofwaardigheid is gekomen en zijn de besluiten daarom onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb [4] . Ook om die reden is het beroep in zoverre gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.
5.2.
De rechtbank ziet echter aanleiding om, op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De geloofwaardigheidsbeoordeling van het tweede asielmotief
6. De rechtbank is van oordeel, anders dan eiser op dit punt heeft gesteld, dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser heeft verklaard dat hij over ondersteunende documenten beschikt, zoals de overeenkomst over de verdeling van de winst van de cacaoplantage en een overeenkomst met de politie nadat eiser [naam 2] heeft bedreigd, maar dat hij deze in Ghana heeft laten liggen. Eiser heeft geen goede verklaring gegeven waarom hij deze documenten door zijn familie niet alsnog heeft kunnen laten opsturen, terwijl hij al drie jaar in Europa verblijft.
6.1.
Verder heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank niet onterechte op het standpunt gesteld dat eiser onsamenhangend heeft verklaard. De minister acht niet ten onrechte onaannemelijk dat eiser verantwoordelijk gehouden wordt voor de dood van [naam 2] . Eiser kan over de toedracht van het overlijden niet concreet verklaren en heeft geen nadere informatie gezocht van zijn buren, anders dan zijn zus die niet meer in Ghana is.
6.2.
De minister heeft ook deugdelijk gemotiveerd, anders dan eiser stelt, dat eiser in grote lijnen als ongeloofwaardig kan worden beschouwd door te wijzen op het feit dat eiser zich zonder verschoonbare reden niet onverwijld heeft gemeld voor asiel, maar pas na drie jaar verblijf in Nederland. Niet ten onrechte vindt de minister de door eiser gestelde algemene vrees voor autoriteiten niet geloofwaardig en volgt hij eiser niet in de stelling dat hij niet wist dat hij zich moest melden, omdat hij eerder in Italië wel asiel heeft aangevraagd.
6.3.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat de minister eiser terecht in grote lijnen niet geloofwaardig vindt, omdat hij in Nederland door de politie is aangehouden op verdenking van doodslag/moord en hij bij de op de detentie aansluitende overname door de Vreemdelingenpolitie heeft aangegeven consulaire bijstand van Ghana te willen, terwijl hij stelt voor de Ghanese autoriteiten te vrezen. Dit doet afbreuk aan de gestelde vrees.
6.4.
Gelet op het voorgaande heeft de minister eiser dan ook mogen tegenwerpen dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c, d en e, van de Vw. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de minister alle feiten en omstandigheden heeft betrokken, ondanks dat dit niet met zoveel woorden blijkt uit het bestreden besluit. De minister heeft ter zitting de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielmotief toegelicht en eiser heeft niet concreet kunnen maken hoe een beoordeling in samenhang tot een andere uitkomst zou moeten leiden. Gelet hierop heeft de minister de afwijzing van de asielaanvraag voldoende deugdelijk gemotiveerd. De beroepsgronden slagen op deze punten niet en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen in stand worden gelaten.
Conclusie en gevolgen
7. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 en 5.1 is het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. De minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c, d en e, van de Vw.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1,5 punten voor het verschijnen ter zitting op 12 februari 2025 en 23 januari 2026 en 0,5 punt voor een nadere reactie zoals bedoeld onder 1.3 en 1.4 met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 januari 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling € 2.802,- van aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 1 weekna de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Arrest C-758/24 en C-759/24.
3.Uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.
4.Algemene wet bestuursrecht.