ECLI:NL:RBDHA:2026:17650

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.29278 en NL24.26847
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 4:2 AwbArt. 8:81 AwbBesluit nr. 1/80 AssociatieraadArtikel 7 Besluit 1/80
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vrijstelling mvv-vereiste op grond van familieleven, Turks Associatierecht en schrijnende omstandigheden

Eiseres, van Turkse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning om bij haar zoon in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat zij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voldeed aan de vrijstellingscriteria. Eiseres voerde aan dat zij familieleven uitoefent met haar zoon in de zin van artikel 8 EVRM Pro, dat zij onder het Turks Associatierecht valt en dat er sprake is van schrijnende omstandigheden.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs leverde van een hechte persoonlijke band met haar zoon, zoals vereist voor vrijstelling op grond van artikel 8 EVRM Pro. Ook toonde zij niet aan financieel ten laste te zijn van haar zoon, wat noodzakelijk is voor toepassing van het Turks Associatierecht. Daarnaast faalde zij in het onderbouwen van haar medische situatie en de noodzaak van zorg, ondanks haar stellingen over dementie en medicatie.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat de vergelijkbare zaak waarop eiseres zich beriep wezenlijk andere omstandigheden kende, waaronder medische stukken en een BMA-advies. De rechtbank stelde vast dat de minister terecht geen ambtshalve toetsing aan schrijnende omstandigheden verrichtte, aangezien eiseres dit niet tijdig en voldoende onderbouwde.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning wegens het ontbreken van een geldige mvv en onvoldoende bewijs voor vrijstelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.29278 (beroep)
NL24.26847 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres], eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres

geboren op [geboortedag] 1945, van Turkse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Samenvatting

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar zoon. De aanvraag is door de minister afgewezen, omdat zij niet in bezit is van een geldige mvv [1] . In bezwaar is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres is het daar niet mee eens en is in beroep gegaan tegen dit besluit. Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat zij familieleven uitoefent met haar zoon in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [2] en daarom moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat zij dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat zij valt onder de reikwijdte van het Turks Associatierecht [3] . Verder doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel en schrijnende omstandigheden. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.

Procesverloop

Eiseres heeft op 5 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij [referent] (referent). Op 19 maart 2024 heeft de minister aan eiseres een herstel verzuim brief gestuurd waarin om aanvullende informatie wordt verzocht. De minister heeft met het primaire besluit van 3 juni 2024 de aanvraag afgewezen.
Op 1 juli 2024 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt eiseres niet uit te zetten totdat op haar bezwaarschrift is beslist.
Eiseres heeft op 31 juli 2024 aanvullende gronden van bezwaar en op 24 december 2024 aanvullende medische stukken ingediend. Met het bestreden besluit van 3 juni 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. [4]
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, referent en de andere in Nederland woonachtige zoon van eiseres. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Achtergrond
1. Eiseres heeft de Turkse nationaliteit. Zij heeft twee zonen die beiden rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Op 5 maart 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor verblijf bij referent.
Besluitvorming
2. Met het primaire besluit van 3 juni 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet in bezit is van een geldige mvv en niet in aanmerking komt voor een vrijstelling daarvan. Eiseres voldoet niet aan de vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het Turks Associatierecht nu zij niet heeft aangetoond dat referent de Turkse nationaliteit heeft. Ook heeft eiseres niet aangetoond dat zij financieel ten laste komt van referent voor haar basisbehoeften. Daarmee heeft eiseres niet aangetoond dat zij een familielid is die onder de reikwijdte van het Turks Associatierecht valt. Daarnaast wordt eiseres niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, omdat er geen sprake is van familieleven tussen haar en referent en er ook geen sprake is van privéleven in Nederland.
3. De minister is met het bestreden besluit van 3 juni 2025 bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens de minister voldoet eiseres niet aan een vrijstelling van het mvv-vereiste op medische gronden, omdat de stukken die eiseres voor het eerst heeft overgelegd in bezwaar, onvoldoende zijn om haar medische situatie te beoordelen en een BMA [5] -advies op te vragen. Daarnaast blijft de minister bij zijn standpunt dat eiseres ook niet in aanmerking komt om te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van het Turks Associatierecht. Eiseres heeft weliswaar in bezwaar aangetoond dat referent de Turkse nationaliteit heeft, maar zij heeft nog steeds niet aangetoond dat zij financieel ten laste komt van referent voor haar basisbehoeften. Volgens de minister is ook in bezwaar geen sprake van familieleven tussen eiseres en referent dan wel sprake van privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Tot slot is er geen aanleiding om eiseres op grond van de hardheidsclausule vrij te stellen van het mvv-vereiste. De minister verklaart het bezwaar kennelijk ongegrond en ziet om die reden af van horen in bezwaar.
De beoordeling van de rechtbank
4. De rechtbank behandelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
4.1.
Niet in geschil is dat eiseres niet in bezit is van een geldige mvv. Evenmin is in geschil dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van privéleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro en ook niet op grond van medische gronden zoals bedoeld in paragraaf B1/4.1.1 van de Vc [6] .
4.2.
Wat partijen verdeeld houdt, is of eiseres op grond van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, het Turks Associatierecht of schrijnendheid had moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Daarnaast beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel.
4.3.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank licht dit per beroepsgrond toe.
Had eiseres moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM?
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte geen familieleven heeft aangenomen tussen haar en referent. Eiseres stelt afhankelijk te zijn van de hulp en de zorg van haar beide zonen. Zij kan door haar medische klachten niet meer alleen in Turkije leven en hulp op afstand is niet mogelijk. Haar echtgenoot is inmiddels overleden waardoor zij extra zorgbehoevend is geworden. Het is onevenredig dat eiseres door vreemden in een ander land wordt verzorgd, terwijl zij de beste zorg continu van haar zonen in Nederland kan ontvangen. Op de zitting heeft eiseres daaraan toegevoegd dat zij 24-uurszorg nodig heeft, dementie heeft en daarvoor medicatie slikt. Ook heeft zij gesteld dat de kosten voor haar medicatie worden voorgeschoten door haar kinderen en dat deze kosten uiteindelijk worden vergoed door een organisatie die ongedocumenteerde vreemdelingen helpt.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van het EHRM [7] volgt dat de vraag of sprake is van familieleven (‘more than normal emotional ties’) een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van ‘more than normal emotional ties’. [8] Van belang is of de gezinsleden hebben samengewoond [9] , de mate van financiële afhankelijkheid [10] , de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden [11] , de banden met het land van herkomst [12] en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin [13] .
7. De rechtbank stelt voorop dat het, gelet op het bepaalde in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, aan eiseres is om haar aanvraag te onderbouwen met de benodigde bewijsstukken. De minister heeft in zijn brief van 19 maart 2024 uitgebreid uiteengezet wat hij aan extra informatie nodig had om de aanvraag van eiseres te beoordelen. In deze brief wordt onder andere om aanvullende informatie verzocht ten aanzien van de verblijfsdoelen gezinsleven en/of privéleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, familielid van een Turks onderdaan en ten aanzien van de medische omstandigheden van eiseres. Ten aanzien van het familieleven tussen eiseres en referent, verzoekt de minister om de geboorteaktes van de zonen van eiseres, vraagt de minister aan eiseres of zij nog familieleden heeft in Turkije, sinds wanneer eiseres bij haar zonen in Nederland verblijft en hoe het contact was met haar zonen voordat zij naar Nederland kwam. Daarnaast wijst de minister op het feit dat zij de meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie van referent met documenten dient aan te tonen en daarvoor de Bijlage Verklaring ‘Meer dan gebruikelijke afhankelijkheid’ kan invullen en opsturen. Ook verzoekt de minister eiseres bewijsstukken op te sturen waaruit blijkt op welke manier eiseres afhankelijk is van referent en waaruit de zorg bestaat die referent samen met zijn vrouw aan haar verlenen.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet binnen de gegeven termijn op het verzoek van de minister heeft gereageerd. Pas in bezwaar heeft eiseres in de aanvullende gronden van 31 juli 2024 een geboorteakte van referent en een familie uittreksel uit het Turkse bevolkingsregister ingediend. In de aanvullende gronden van bezwaar van 24 december 2024 dient eiseres enkel een kopie van de Turkse identiteitskaarten van haar zonen en schoondochter in en een ingevulde Bijlage Verklaring ‘Meer dan gebruikelijke afhankelijkheid’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee onvolledige informatie verschaft. Met hetgeen zij heeft overgelegd, heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
7.2.
Dat eiseres op zitting heeft gesteld dat zij 24-uurszorg nodig heeft, medicatie slikt en leidt aan dementie maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Dit blijkt namelijk niet uit de stukken die eiseres gedurende de gehele procedure heeft ingediend. Het had dan ook op de weg van eiseres gelegen om bijvoorbeeld het bewijs dat haar medicatie wordt voorgeschoten door haar zonen en dat de medicatie wordt vergoed door een organisatie die hulp biedt aan ongedocumenteerde vreemdelingen, in te brengen in de procedure. Temeer nu is gebleken dat eiseres deze bewijsmiddelen wél tot haar beschikking zou hebben. Dit was naar het oordeel van de rechtbank een begin van bewijs geweest dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie van eiseres ten opzichte van haar zonen en zorg van hen ontvangt. De beroepsgrond slaagt niet.
7.3.
Eiseres heeft geen beroepsgronden ingediend tegen het niet horen in de bezwaarfase. Daarom zal de rechtbank verder niet ingaan op de stelling van eiseres op de zitting dat het op de weg van de minister had gelegen om op een hoorzitting in bezwaar uit te vragen waar de zorgtaken van de zonen en schoondochter van eiseres uit bestaan.
Had eiseres moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van het Turks Associatierecht?
8. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat zij voldoet aan de voorwaarden van het inmiddels afgeschafte ouderenbeleid dat onder het Turks Associatierecht nog steeds op haar van toepassing is.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres doet een beroep op het in 2012 afgeschafte ouderenbeleid. Voor een geslaagd beroep daarop, dient te worden gekeken of eiseres valt onder het unierechtelijke begrip ‘gezinslid’ als bedoeld in artikel 7 van Pro Besluit 1/80. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, zoekt de rechtbank voor de invulling van dit begrip aansluiting bij artikel 2, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn [14] . Volgens dat artikel dient onder ‘familieleden’ onder meer te worden begrepen de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b van datzelfde lid, die te hunnen laste zijn. Uit de werkinstructie Turks Associatierecht [15] blijkt dat de minister aanneemt dat het familielid ten laste komt van de Turkse werknemer indien hij, gezien de economische en sociale toestand, niet in staat is om zelf in zijn basisbehoefte te voorzien. Er dient te worden aangetoond dat de materiële ondersteuning van het familielid noodzakelijk en reëel is. Het enkele feit dat het familielid over een langere periode financieel wordt ondersteund, is onvoldoende. Het familielid dient daarnaast aan te tonen in welke economische en sociale toestand het zich in het land van herkomst bevond. Wanneer het familielid op het moment van de aanvraag voor verblijf bij de Turkse werknemer inmiddels al Nederland is ingereisd, dient te worden uitgegaan van de fictieve situatie dat het familielid zich in het land van herkomst bevindt en beoordeeld te worden of de materiële steun aldaar noodzakelijk was om in de basisbehoeften te voorzien.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit wél heeft aangenomen dat eiseres een familielid is van een Turkse werknemer, maar dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij ten laste komt van referent voor haar basisbehoeften. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt welke kosten gepaard gaan met haar zorgbehoefte en welke andere kosten zij moet maken om in levensonderhoud te voorzien. De rechtbank stelt vast dat er zowel in de aanvraagfase als in de bezwaarfase geen stukken zijn overgelegd die inzichtelijk maken wat haar kosten van levensonderhoud zijn, hoeveel geld eiseres maandelijks van haar uitkering ontvangt en wat het financiële gat is dat door haar zoons wordt opgevuld, zodat zij in haar basisbehoeften kan voorzien. De stelling van eiseres op zitting dat het logisch is dat haar zonen de kosten voor het levensonderhoud van eiseres dekken en dat niemand bijvoorbeeld sokken koopt en daarvan alle bonnetjes bewaart, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank is dit juist een manier om de kosten van levensonderhoud inzichtelijk te maken. De enkele stelling dat eiseres voldoende heeft toegelicht hoe zoiets in de praktijk gaat is onvoldoende. De beroepsgrond slaagt daarom ook niet.
Heeft de minister in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel?
10. Eiseres heeft in beroep verwezen naar een, volgens haar, vergelijkbare zaak. Zij stelt dat verweerder in die zaak wél een vergunning heeft verleend op grond van het ouderenbeleid. Zij heeft daarbij het beroepschrift en een inwilligende beschikking in die zaak overgelegd. Ook in deze zaak was de minister bij de aanvraag, in bezwaar en in beroep van mening dat het ouderenbeleid niet van toepassing was. Uiteindelijk is de vergunning wel verleend. Eiseres kan een geslaagd beroep doen op het gelijkheidsbeginsel omdat de feiten en omstandigheden overeenkomen.
11. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt een beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen als er gemotiveerd is aangetoond dat er sprake is van gelijke gevallen. Uit het bijgevoegde besluit valt ten eerste niet op te maken dat die vreemdeling een inwilliging heeft gekregen op grond van het ouderenbeleid, of op welke gronden deze inwilliging überhaupt is verleend. Daarbij komt dat de omstandigheden in de zaak waar eiseres een beroep op doet fundamenteel anders waren dan in de onderhavige zaak. In die zaak waren medische stukken overgelegd op basis waarvan een BMA-advies is uitgebracht. Ook had de minister volgens de beroepsgronden in die zaak erkend dat die vreemdeling medische hulp nodig had en was haar gezondheid sinds haar komst naar Nederland aanzienlijk achteruitgegaan. Daarnaast had de vreemdeling in die zaak geen pensioenuitkering in Turkije. Dat heeft eiseres naar eigen zeggen wel. Op grond van het voorgaande slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel en daarmee de beroepsgrond niet.
Had eiseres moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van schrijnende omstandigheden?
12. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat haar situatie ten onrechte niet is voorgelegd aan de Commissie Schrijnende Zaken van de IND [16] . Zij voldoet aan de voorwaarden uit Informatiebericht 2019/70 over ouderen in hun laatste levensfase. Eiseres is nu 80 jaar oud, heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij in Turkije onvoldoende inkomen heeft en eiseres is meerdere keren door referent opgezocht in Turkije. Deze omstandigheden heeft de minister ten onrechte niet beoordeeld in het bestreden besluit. Eiseres verwijst naar in dit verband ook naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 12 maart 2019. [17]
13. Volgens de minister is Informatiebericht 2019/70 komen te vervallen. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, is daarmee naar het oordeel van de rechtbank achterhaald. Daarnaast wijst de minister er naar het oordeel van de rechtbank terecht op het feit dat eiseres pas in beroep voor het eerst aanvoert dat de minister ambtshalve een vergunning had moeten verlenen op grond van schrijnende omstandigheden. Mede hierom en omdat eiseres hieromtrent niks heeft onderbouwd, had de minister in het bestreden besluit ook niet aan schrijnendheid hoeven toetsen. Desondanks heeft de minister in het verweerschrift alsnog gemotiveerd waarom hij niet is gehouden om ambtshalve te toetsen of er sprake is van schrijnende omstandigheden op basis waarvan ambtshalve een vergunning kan worden verleend. De minister komt pas namelijk pas toe aan een toets aan schrijnendheid indien kan worden vastgesteld dat eiseres niet op grond van andere verblijfsdoelen verblijf kan worden toegestaan en er voorts sprake is van een samenstel van bijzondere individuele omstandigheden. Zoals de rechtbank in rechtsoverwegingen 4 tot en met 11 heeft gemotiveerd, is daarvan geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van haar aanvraag in stand blijft.
15. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
16. Eiseres krijgt het griffierecht in beide zaken niet terug. Er bestaat ook geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder NL25.29278:
- verklaart het beroep ongegrond;
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder NL24.26847:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad d.d. 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie.
4.Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Bureau Medische Advisering.
6.Vreemdelingencirculaire 2000.
7.Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
8.Zie onder meer het arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
9.Arrest van 19 november 2014, Senchishak tegen Zwitserland, app.no. 5049/12.
10.Idem.
11.Arrest van 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, app.no. 23218/94.
12.Beslissing van 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, app.no. 25777/94.
13.Arrest van 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, app.no. 31519/96.
14.Arrest van het Hof van Justitie van 29 maart 2012, C-7/10 en C-9-19.
15.WI 2023/1.
16.Immigratie en Naturalisatiedienst.