ECLI:NL:RBDHA:2026:17650
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vrijstelling mvv-vereiste op grond van familieleven, Turks Associatierecht en schrijnende omstandigheden
Eiseres, van Turkse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning om bij haar zoon in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat zij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voldeed aan de vrijstellingscriteria. Eiseres voerde aan dat zij familieleven uitoefent met haar zoon in de zin van artikel 8 EVRM Pro, dat zij onder het Turks Associatierecht valt en dat er sprake is van schrijnende omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs leverde van een hechte persoonlijke band met haar zoon, zoals vereist voor vrijstelling op grond van artikel 8 EVRM Pro. Ook toonde zij niet aan financieel ten laste te zijn van haar zoon, wat noodzakelijk is voor toepassing van het Turks Associatierecht. Daarnaast faalde zij in het onderbouwen van haar medische situatie en de noodzaak van zorg, ondanks haar stellingen over dementie en medicatie.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat de vergelijkbare zaak waarop eiseres zich beriep wezenlijk andere omstandigheden kende, waaronder medische stukken en een BMA-advies. De rechtbank stelde vast dat de minister terecht geen ambtshalve toetsing aan schrijnende omstandigheden verrichtte, aangezien eiseres dit niet tijdig en voldoende onderbouwde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning wegens het ontbreken van een geldige mvv en onvoldoende bewijs voor vrijstelling.