ECLI:NL:RBDHA:2026:1768

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.24392 en NL25.24393
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1F VluchtelingenverdragArt. 3 EVRMArt. 31 VreemdelingenwetArt. 30b VreemdelingenwetArt. 3.17 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens vermeende betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen niet voldoende gemotiveerd

Eiser, een Turkse oud-gendarme, diende een asielaanvraag in die werd afgewezen wegens vermeende betrokkenheid bij marteling en mishandeling tijdens het conflict tussen de PKK en het Turkse leger. De minister baseerde dit op bronnen die wijdverspreide mensenrechtenschendingen door de gendarmerie aantonen en stelde dat eiser 'knowing participation' en 'personal participation' vertoonde.

De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de misdrijven als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zijn gepleegd en dat eiser wist van deze misstanden ('knowing participation'). Echter, de rechtbank vindt dat onvoldoende is aangetoond dat eiser persoonlijk heeft deelgenomen aan deze misdrijven, opdracht heeft gegeven of deze heeft gefaciliteerd ('personal participation').

Eiser heeft verklaard vooral betrokken te zijn geweest bij het handhaven van orde en het arresteren van gewone criminelen, zonder geweld te gebruiken. Er is geen concreet bewijs van zijn directe betrokkenheid bij martelingen of foltering. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen binnen acht weken, rekening houdend met deze uitspraak.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €2.802,- toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van persoonlijke deelname aan misdrijven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.24392 (beroep) en NL25.24393 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker,

Hierna: eiser,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. S. Thelosen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.K. Vetzo en mr. J.V. de Kort).

Samenvatting

1. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is in de periode van 1981 tot 2006 werkzaam geweest bij de gendarmerie (of
Jandarma) in Turkije. Verweerder heeft zijn asielaanvraag afgewezen omdat eiser in verband wordt gebracht met het faciliteren van marteling, foltering en (zware) mishandeling, begaan in een intern gewapend conflict tussen de PKK en het Turkse leger. Verweerder noemt bronnen waaruit volgens hem blijkt dat de bevolking in hoge mate werd onderdrukt en de gendarmerie op wijdverspreide en systematische wijze mensenrechtenschendingen heeft gepleegd.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de handelingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, misdrijven zijn als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (Vv). Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat sprake is van ‘knowing participation’. De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van ‘personal participation’. Niet is aannemelijk gemaakt dat eiser zelf de misdrijven heeft gepleegd, hier opdracht toe gaf of hierin faciliteerde. Dit heeft tot gevolg dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat artikel 1F van het Vv op eiser van toepassing is. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 oktober 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, samen met zijn echtgenote ( [naam 1] ), meerderjarige zoon ( [naam 2] ), en meerderjarige dochters ( [naam 3] en [naam 4] ).
2.1
Met het besluit van 26 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, hem opgedragen om onmiddellijk naar Turkije te vertrekken en een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Het besluit strekt ook tot signalering van het inreisverbod in het Schengen Informatie Systeem (SIS).
2.2
Eiser is het niet eens met het besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening die ertoe strekt om eiser niet uit te zetten zolang zijn beroep loopt. Eisers gezinsleden hebben apart beroep ingesteld tegen hun afwijzende asielbesluiten. Deze uitspraak ziet niet op hun beroepen.
2.3
Verweerder heeft op 22 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.4
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
2.5.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser is geboren op [datum] 1966 en heeft de Turkse nationaliteit.
3.1
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij op 16-jarige leeftijd naar de militaire school ging en toen hij 20 jaar was is afgestudeerd. Hij moest toen een overeenkomst van 15 jaar ondertekenen. Hij is van 1981 tot 2006 in het leger werkzaam geweest en is daar onder meer onderofficier geweest van de gendarmerie. In 2006 is hij met pensioen gegaan. Zijn problemen begonnen in 2005-2006 na de ontmoeting met de familie van [naam 5] . [naam 5] was werkzaam als grote ondernemer in Ostim in Ankara. Eiser is in Ankara gaan wonen. Twee tot drie keer per week kwamen zij bijeen met Gülenisten. Zij gingen naar ondernemers en zamelden geld in. Eisers dochter [naam 3] is in 2014 afgestudeerd en kon als docente Engels op een Gülenschool werken. Eisers zoon [naam 2] heeft op een Gülenschool gezeten. Na de couppoging op 15 juli 2016 werden de Gülenscholen allemaal gesloten. [naam 3] heeft hierna problemen ondervonden; er werd onderzoek naar haar gedaan en zij is buitengesloten. Eiser en zijn gezin/familieleden zijn gelabeld als Gülenisten. De toekomst van eisers kinderen is afgepakt en zij hebben op verschillende adressen gewoond. Zij zijn na de couppoging achtervolgd en lastig gevallen. Eiser is tweemaal door vier agenten in burger meegenomen. Eiser vreest bij terugkeer voor vervolging door de autoriteiten omdat hij Gülenist is.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw. Eiser wordt in verband gebracht met oorlogsmisdrijven; (het faciliteren van) marteling, foltering en (zware) mishandeling, begaan in een intern gewapend conflict. Eiser heeft volgens verweerder van 1981 tot 2006 bij de gendarmerie gewerkt in Turkije. Hij heeft meerdere rangen doorlopen. Zijn laatste rang was sergeant majoor senior en hij heeft als leidinggevende gefunctioneerd in verschillende Turkse plaatsen. Hij heeft zich bezig gehouden met de veiligheid, ordehandhaving en smokkelzaken, verkeer en oppakken van criminelen. Uit de verklaringen van eiser blijkt volgens verweerder dat eiser zich actief heeft ingezet bij gevechtsacties in (zuid)oost Turkije, dat hij verdachte personen heeft laten arresteren (eiser noemde zelf een aantal van 500 personen) en dat hij verdachten liet verhoren en zelf verhoorde. Vanaf 1984 en in de jaren waarin eiser werkzaam is geweest bij de gendarmerie was er in het (zuid)oosten van Turkije sprake van een intern gewapend conflict tussen de PKK en het Turkse leger. Verweerder noemt bronnen waaruit blijkt dat de bevolking in hoge mate werd onderdrukt en dat door de gendarmerie op wijdverspreide en systematische wijze mensenrechtenschendingen zijn gepleegd. Tegen deze mensenrechtenschendingen is door de Turkse autoriteiten nauwelijks opgetreden, waardoor deze schendingen over een lange periode ongehinderd konden plaatsvinden. Martelingen en folteringen waren aan de orde van de dag in de strijd tegen de PKK en in een poging de machtscontrole over (zuid)oost Turkije te kunnen behouden. De misdrijven die eiser heeft gepleegd worden aangemerkt als misdrijven tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 1F, aanhef en onder a, van het Vv. De gedragingen van eiser worden door verweerder ook aangemerkt als absolute niet-politieke misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, en handelingen in strijd met doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties in de zin van dat artikel, aanhef en onder c. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in het aanmeldgehoor en het nader gehoor gelijkluidend heeft verklaard over zijn werkzaamheden en dat hij in het gehoor 1F zijn aandeel in de misdrijven ontkent en bagatelliseert. Dit vindt verweerder een plotselinge wending en wisselend.
4.1
Volgens verweerder kan eiser individueel voor de genoemde gedragingen verantwoordelijk worden gehouden omdat sprake is van ‘
knowing participation’en van
‘personal participation’. Met andere woorden: eiser heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1F van het Vv. Gelet op de informatie uit openbare en gezaghebbende bronnen en gelet op eisers kennisniveau en functies gedurende vele jaren ten aanzien van het functioneren van de karakols (dit zijn de bureaus van de gendarmerie) en de commandobataljons, moet eiser hebben geweten dat de gendarmerie op grote schaal mensenrechten schond. Daarnaast is er volgens verweerder sprake van ‘
personal participation’. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hijzelf de arrestaties uitvoerde, dan wel zijn ondergeschikten. Eiser heeft door zijn handelen wezenlijk bijgedragen aan een situatie waarin verdachten werden blootgesteld aan ernstige mensenrechtenschendingen.
4.2
Verweerder heeft verder geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [1] . Verweerder vindt de verklaringen over zijn Gülen-lidmaatschap en -activiteiten niet geloofwaardig. Eiser verklaart aanvankelijk alleen dat één van zijn dochters en zijn zoon bij de Gülenbeweging betrokken zijn geweest en in het nader gehoor verklaart hij opeens dat hij zelf lid is geweest van de Gülenbeweging en daarmee verband houdende activiteiten heeft verricht. Dit vindt verweerder wisselend. Eiser heeft de activiteiten die hij zou hebben verricht (inzamelen van giften) niet onderbouwd met documenten. Indien eiser daadwerkelijk giften inzamelde voor de Gülenbeweging tussen 2006 en 2015 en, zoals hij stelt, iedereen in zijn omgeving hiervan af wist, valt niet in te zien dat hij vanwege deze gestelde activiteiten tot zijn vertrek geen enkel probleem zou hebben ondervonden met de Turkse autoriteiten. Eiser heeft nieuwe identiteitsdocumenten verkregen, heeft meermaals tussen 2021 en 2022 ongehinderd en op gecontroleerde wijze Turkije kunnen verlaten en ontvangt nog pensioen van de Turkse autoriteiten.
4.3
Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Verder heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd en dit inreisverbod gesignaleerd in het SIS omdat hij vindt dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de samenleving.
Het toetsingskader
5. Op grond van artikel 1(F) van het Vv zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.
5.1
Op grond van artikel 3.17, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt onder een persoon als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv mede verstaan een persoon die heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de in dat artikel genoemde misdrijven of daden.
5.2
De wijze waarop verweerder onderzoekt of een vreemdeling individueel verantwoordelijk moet worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv, is beschreven in paragraaf C2/7.10.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verweerder beoordeelt eerst of sprake is van een dergelijk misdrijf. Daarna beoordeelt verweerder of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van een misdrijf (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’), bijvoorbeeld door het plegen of faciliteren van dergelijke misdrijven of het opdracht geven daartoe. Wanneer is vastgesteld dat van het voorgaande sprake is, beoordeelt verweerder tot slot of sprake is van omstandigheden die de vreemdeling vrijwaren van zijn verantwoordelijkheid voor de gepleegde misdrijven. Dit kan het geval zijn wanneer de vreemdeling handelde op bevel, onder dwang of ter zelfverdediging.
5.3
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling een van de zeer ernstige misdrijven, bedoeld in artikel 1(F) van het Vv, heeft gepleegd. Wegens enerzijds de ernst van de misdrijven waarop artikel 1(F) van het Vv betrekking heeft en anderzijds het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en de motivering van verweerder strenge eisen gesteld. De bewijslast die op verweerder rust gaat echter niet zo ver dat hij moet aantonen dat is uit te sluiten dat de vreemdeling dergelijke misdrijven niet heeft gepleegd. [2]
Is sprake van misdrijven als bedoeld in artikel 1F van het Vv?
6. De rechtbank stel vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de misdrijven waar eiser in verband wordt gebracht misdrijven zijn als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv. Dit blijkt ook uit de volgende landeninformatie en verklaringen van eiser, als ook hetgeen partijen ter zitting hebben gesteld. Uit landeninformatie blijkt dat in 1984 een hevige strijd tussen de PKK en de Turkse autoriteiten begon en dat sprake was van grootschalige schendingen van mensenrechten in het oosten van Turkije over een lange periode, waaronder ook een deel van de periode waarin eiser werkzaam was. Dit resulteerde in geweld door de autoriteiten tegen de burgerbevolking, politieke vervolgingen, waarbij de gendarmerie, maar ook het leger zich op grote schaal schuldig maakten aan martelingen, folteringen en (zware) mishandelingen. De gendarmerie heeft zich dus in de periode van 1984-1999 in Zuidoost-Turkije in met name het zogenoemde OHAL-gebied schuldig gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1(F). Eiser heeft verklaard dat hij in de periode van 1981-2006 bij de gendarmerie heeft gewerkt in zowel het oosten en westen van Turkije en dat hij daarbij leiding heeft gegeven, [3] dat hij op twaalf verschillende plekken werkzaam is geweest [4] en dat hij verschillende rangen heeft doorlopen. [5]
6.1
De rechtbank zal gezien het voorgaande niet ingaan op de gevechtsacties en de gronden die daartegen zijn gericht.
6.2
Ter zitting is verder gebleken dat verweerder eiser niet in verband brengt met van het persoonlijk actief deelnemen aan gevechtsacties, maar dat verweerder stelt dat eiser heeft gefaciliteerd bij martelingen, foltering en (zware) mishandeling. Hierop wordt hierna bij ‘personal participation’ ingegaan.
Is er sprake van ‘knowing participation’?
7. Volgens het beleid van verweerder zoals dat is neergelegd in paragraaf C2/7.10.2.4 van de Vc is sprake van ‘knowing participation’ als:
a. de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan de IND heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd worden in artikel 1(F) van het Vv;
b. de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door de minister is aangewezen als groep, waarop in de regel artikel 1(F) van het Vv van toepassing is; of
c. de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vv.
In het geval van situatie a. of b. toetst verweerder of de vreemdeling een uitzondering vormt op de regel dat de vreemdeling wetenschap gehad heeft of had moeten hebben van het plegen van de misdrijven. Verweerder spreekt dan van een ‘significante uitzondering’.
7.1
Eiser voert aan dat hij op de hoogte was van de grootschalige misstanden in Turkije, met name in het oosten. Vanwege zijn achtergrond wilde hij dan ook juist de Koerdische bevolking helpen voor zover hij kon. Tijdens zijn eigen werkzaamheden heeft hij niets van de misstanden gezien, hij en zijn directe collega's hebben zich hier niet schuldig aan gemaakt en op zijn karakol heeft eiser niets waargenomen. Het enkele feit dat eiser leiding heeft gegeven aan agenten onderbouwt niet dat hij of zijn agenten misstanden hebben begaan.
7.2
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat sprake is van ‘knowing participation’. Uit de bronnen die door de verweerder zijn aangehaald blijkt voldoende dat de misdrijven waar de gendarmie zich schuldig aan maakte wijdverspreid en bekend waren. Ook uit eisers eigen verklaringen volgt dat hij weet had van de praktijken van de gendarmerie:
“V: Maar de openbare bronnen laten toch een heel ander beeld zien over de gendarmerie en de commandotroepen in Van in deze periode dan u nu schetst. Ik lees over moord, marteling, foltering en gedwongen ontruiming van de Koerdische dorpen. Dat kan ik dan niet helemaal rijmen met de verklaringen die u zojuist heeft afgelegd.
E: U heeft helemaal gelijk. Ik ontken ook het algemene beeld zeker niet. Het algemene beeld is vandaag ook nog aan de gang. Dat beeld had ik ook toen ik bij de gendarme ging en juist om dat beeld te bestrijden en positiever te maken ging ik vrijwillig naar het oosten. Ik heb maar een lage rang, ik kan niet heel veel betekenen maar wat er in mijn macht lag heb ik wel geprobeerd. Maar ik onderschrijf het algemene beeld dat ik schetste en ik ben het er niet mee eens. Deze mensen worden onderdrukt.”
(…)
V: Maar de Gendarme heeft nogal wat misdrijven gepleegd jegens de Koerdische bevolking, zeker ook in Van waar u werkzaam was en in die periode gold daar de noodtoestand. Hoe kon u dat dan rijmen met uw idealen en met uw geweten?
E: Nogmaals wat dat betreft heb ik een schoon geweten. Ik zat vast aan die 15 jaar, ik kon niet anders. Een ander punt is dat ik gelukkig niet bij de operationele eenheden zat waardoor ik geen onderdeel geworden ben van die misstanden. (…)”
7.3.
Gelet op de informatie uit openbare en gezaghebbende bronnen, eisers eigen verklaringen en gelet op eisers kennisniveau en functie gedurende de lange periode dat eiser voor de gendarmerie heeft gewerkt, leidt verweerder hieruit terecht af dat eiser wel degelijk wist van de mensenrechtenschendingen door de gendarmerie. Eisers stelling dat hij in zijn eigen karakol geen misstanden heeft waargenomen en de Koerdische bevolking wilde helpen, doet daar voor wat betreft de knowing participation niet aan af.
Is er sprake van ‘personal participation’?
8. Zoals is neergelegd in het beleid van verweerder in paragraaf C2/7.10.2.4 van de Vc is sprake van ‘personal participation’ bij de vreemdeling als tenminste één van de volgende situaties zich voordoet:
a. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv gepleegd;
b. de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv gepleegd;
c. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vv gefaciliteerd; of
d. de vreemdeling behoort tot een groep die door verweerder is aangewezen als groep die in de regel artikel 1(F) van het Vv tegengeworpen krijgt.
8.1
Volgens dit beleid is sprake van het faciliteren van misdrijven als het handelen en/of nalaten van de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. Verweerder concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen als deze bijdrage een effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf én als het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of indien de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden.
8.2
Eiser voert aan dat verweerder geen enkel concreet individueel bewijs heeft dat eiser betrokken is geweest bij marteling, foltering of (zware) mishandeling van arrestanten. Er is bijvoorbeeld geen beeldmateriaal en er zijn geen getuigenverklaringen, registraties of mediarapporten. Eiser heeft eenduidig verklaard over zijn functie en heeft in het gehoor 1F verduidelijkt dat hij een ondersteunende functie had. Eiser bestrijdt dat hij zijn verklaringen in het verhoor 1F is gaan wijzigen of verbloemen. Eiser is alleen betrokken geweest bij de bestrijding van commune, niet politieke delicten. Uit de door verweerder aangehaalde bronnen blijkt onvoldoende dat ook verdachten van dit soort misdrijven op grote schaal slachtoffer zijn geworden van marteling.
Uit de bronnen blijkt wel het tegendeel, namelijk dat marteling met name werd ingezet om bekentenissen van betrokkenheid bij de PKK af te dwingen. Eiser heeft slechts het algemene takenpakket van de gendarmerie benoemd, waaronder terrorismebestrijding. Uit de bronnen blijkt dat met name anti-terreur eenheden van de gendarmerie betrokken waren bij marteling, foltering of mishandeling en dat de slachtoffers met name personen waren die verdacht werden van betrokkenheid bij terrorisme. Verweerders standpunt komt erop neer dat er vermoedens bestaan tegen iedere gendarme en dit is te verstrekkend. Uit de informatie kan niet worden afgeleid dat al het personeel van de gendarmerie dat werkzaam was in het OHAL-gebied, grofweg in de periode 1984-1999, per definitie betrokken was bij marteling. De informatie die verweerder heeft ingebracht ziet op een zeer groot deel van Turkije en op een lang tijdsbestek. Uit de informatie blijkt ook niet hoe hoog het percentage agenten is die zich schuldig heeft gemaakt aan de praktijken en hoe hoog het percentage is van arrestanten die gemarteld zijn, aldus eiser.
8.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat eiser opdracht heeft gegeven tot, of dat onder zijn verantwoordelijkheid een misdrijf is gepleegd als bedoeld in artikel 1F en dat hij daadwerkelijk martelingen, folteringen en zware mishandelingen heeft gefaciliteerd. Eiser heeft in het aanmeldgehoor in dit verband het volgende verklaard:
“V: Wat waren uw dagelijkse werkzaamheden?
E: Ik gaf leiding aan 60/70 militairen van de Gendarmerie. We hielden ons bezig met de veiligheid, ordehandhaving en smokkelzaken, verkeer en oppakken van criminelen.
(…)
V: Had u leidinggevende taken?
E: Ja.
(…)
V: Wat waren de taken van deze eenheid en het regiment/bataljon waartoe u behoorde?
E: Verkeer, smokkelwaar, handhaving, veiligheid, terrorisme.
V:Wat was precies uw specialisatie?
E: Handhaving, arrestatie en vervolging.” [6]
En in het nader gehoor:
“1986 – 1989: Erzincan. Commandant bij een legerbureau op het platteland in
de bergen. We bestreden daar smokkelpraktijken, criminaliteit en deden controleposten van de wegen.
(…)
2005 – 2006: Bursa Mudanya Bademli. Rang: commandant-sergeant majoor.
Ik was daar commandant van het legerbureau en verantwoordelijk voor verkeersveiligheid, openbare orde en alles. Bijvoorbeeld als er berovingen of overvallen plaatsvonden, zorgde ik voor opsporing en aanhouding.
(…)
V: Heeft u zelf ook arrestaties verricht?
E: Ja.
(…)
V: Om wat voor mensen ging dat?
E: Verschillende mensen, bijvoorbeeld moordenaars, dieven, mishandelaars, drugsgebruikers, criminelen, drugsverkopers, eigenlijk van alles.
V: Heeft u de arrestaties gedurende uw hele loopbaan gedaan?
E: Ja, behalve wanneer ik administratieve functies had. Dat was echter weinig.
Het ging met name om actief werk wat ik deed.(…)
(…)
V: Hoeveel arrestaties heeft u verricht?
E: Ongeveer 500 personen schat ik.
V: Welke rol speelde u bij het arresteren?
E: Mijn taak was om plannen te maken om de daders in de kraag te vatten, de daders te achtervolgen, de benadeelde partijen bij te staan en de daders op te pakken en over te dragen aan het OM. Dit soort mensen waren niet blij met ons.
V: Waar werden ze heen gebracht?
E: We gingen de arrestanten naar het parket van de officier van justitie brengen. Als de officier besloot tot gevangenneming, brachten we ze naar de gevangenis.
V: Hoe zag hun proces eruit? Wie deed het verhoor?
E: In het bijzijn van een advocaat gingen we ze verhoren. De medische check werd gedaan. Daarna werden ze voorgeleid door de soldaten die onder mijn leiding werken, dus aan wie ik de bevelen gaf.
V: Op welke manier werden de arrestanten behandeld?
E: We schakelden een advocaat in. We stelden de familie op de hoogte. Ze werden ook door een arts onderzocht. We gaven hun eten en drinken. Ze mochten maar één dag op het bureau vastgehouden worden. Vervolgens werden ze voorgeleid.
V: Werden er wapens ingezet bij de arrestaties?
E: Ja, in sommige gevallen zijn de daders gewapend, bijvoorbeeld met een mes. In zo’n geval wordt er een waarschuwingsschot gelost in de lucht.
V: Heeft u wel eens gericht geschoten?
E: Nee.
V: Werd er geweld gebruikt?
E: Nee, want we moesten volgens de regels handelen. [7]
8.4
Naar het oordeel van de rechtbank onderschrijven deze verklaringen van eiser zijn stelling dat hij zich voornamelijk bezig hield met commune delicten. Verweerders standpunt dat eisers verklaring niet uitsluit dat hij arrestaties heeft verricht van (onder meer) burgers die in verband werden gebracht met de PKK, is onvoldoende voor de conclusie dat hij aan marteling, foltering en (zware) mishandeling heeft deelgenomen. Die laatste conclusie vindt ook geen steun in eisers verklaringen of in de rest van het dossier. De rechtbank volgt eiser namelijk ook in zijn stelling dat uit het dossier onvoldoende is gebleken dat ook verdachten van dit soort commune misdrijven op grote schaal slachtoffer zijn geworden van marteling, foltering en (zware) mishandeling. De UNHCR rapporteert in het rapport van 1 januari 1991 [8] dat 50% van de mensen die verdacht worden van
“ordinary crimes”worden gemarteld. Uit de verklaringen van eiser volgt niet dat dit ook gebeurde door eiser of dat hij daartoe opdracht gaf of daarin faciliteerde. Eiser verklaarde in het nader gehoor juist dat hij geen geweld gebruikte. Onduidelijk blijft ook of in de functies van eiser binnen de karakols waar eiser tewerk was gesteld, geweld werd gebruikt. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat verweerder over die specifieke werkplekken van eiser geen onderzoeksgegevens heeft ingebracht en dat dit voor verweerders rekening moet komen.
8.5
De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van personal participation. Dit heeft tot gevolg dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat artikel 1F van het Vv op eiser van toepassing is.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de aanvraag niet mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen op dit punt. De rechtbank zal verweerder opdragen om een nieuw besluit ten aanzien van artikel 1(F) te nemen. De overige beroepsgronden zal de rechtbank niet meer bespreken.
9.1
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
10. Omdat in de hoofdzaak is beslist, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 mei 2025;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mr. T.N. van Rijn en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3684.
3.Pagina 6 van het verslag aanmeldgehoor.
4.Pagina 7 van het verslag aanmeldgehoor.
5.Pagina 11 van het verslag nader gehoor.
6.Zie pagina 6 en 7 van het aanmeldgehoor.
7.Verslag nader gehoor pagina’s 11, 12 en 13.
8.Human Rights Watch World Report 1990 – Turkey, https://www.refworld.org/reference/annualreport/hrw/1991/en/16677.