ECLI:NL:RBDHA:2026:17680

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.2223
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming en ontbreken procesbelang

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de verlenging van de overdrachtstermijn onder de Dublinverordening van 6 naar 12 maanden vanwege zijn gevangenzetting. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 en 16 juni 2026 behandeld.

Op 15 juni 2026 meldde de minister dat eiser op 3 juni 2026 met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken. De rechtbank beoordeelt dat hierdoor het procesbelang van eiser is komen te vervallen, omdat eiser geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde en kennelijk geen prijs meer stelt op de aanvankelijk gezochte internationale bescherming.

De gemachtigde van eiser heeft bevestigd dat zij na de uitnodiging voor de zitting geen reactie van eiser ontving en dat er al voor zijn vertrek geen contact was. De rechtbank volgt het betoog van de gemachtigde dat een inhoudelijk oordeel procesbelang kan opleveren niet, omdat het vertrek met onbekende bestemming duidelijk maakt dat het beroep geen feitelijke betekenis meer heeft. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang doordat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2223
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Demirtas),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L. Rog).

Inleiding

1. Bij het bestreden besluit van 6 januari 2026 heeft de minister de termijn voor overdracht onder de Dublinverordening van eiser naar Slovenië van 6 maanden verlengd tot 12 maanden wegens eisers gevangenzetting.
1.1.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
Het beroep is op 11 maart 2026 op zitting behandeld, waarna het onderzoek door de rechtbank is gesloten. Bij uitspraak van 14 april 2026 is het onderzoek in deze zaak heropend, omdat de rechtbank nog aanvullende vragen had.
1.3.
Op 16 juni 2026 is het beroep voor de tweede keer op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
1.4.
Na afloop van de behandeling van de zaak is onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank geeft hiervoor de volgende overweging.
3.1.
De rechtbank beoordeelt of er in het onderhavige beroep sprake is van procesbelang. De reden hiervoor is dat de minister op 15 juni 2026 heeft gemeld dat eiser op 3 juni 2026 met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken. Dit blijkt uit opgave door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Hiermee is volgens de minister het procesbelang van eiser vervallen en moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.2.
Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel vanuit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een melding door de minister aan de rechtbank dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, mag een beroep daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang. Vanwege het fundamentele belang van recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, is dit anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval kan worden aangenomen dat de vreemdeling nog prijs stelt op bescherming in Nederland. [1]
3.3.
De gemachtigde van eiser heeft tijdens de zitting laten weten dat zij na de uitnodiging voor de zitting van 5 juni 2026 contact heeft gezocht met eiser door middel van WhatsApp, waarop eiser niet heeft gereageerd. Niet gesteld is dat eiser na zijn vertrek met onbekende bestemming nog contact met haar heeft opgenomen. Ook kan uit hetgeen gemachtigde ter zitting stelde opgemaakt worden dat zij voor de datum van vertrek uit de opvang al enige tijd geen contact meer met eiser heeft gehad.
3.4.
Nu gemachtigde van eiser niet heeft gesteld dat eiser sinds zijn vertrek met onbekende bestemming nog contact met haar onderhoudt, moet worden aangenomen dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Daarom heeft eiser geen belang meer bij zijn beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn. De gemachtigde van eiser heeft nog betoogd dat een inhoudelijk oordeel over het beroep ertoe kan leiden dat de verlenging van de overdrachtstermijn onrechtmatig blijkt en dat Nederland nu al verantwoordelijk is, wat procesbelang oplevert. De rechtbank volgt gemachtigde daarin niet. Dit doet er niet aan af dat eiser door met onbekende bestemming te vertrekken laat blijken dat de behandeling van het beroep geen feitelijke betekenis voor hem heeft. De rechtbank verwijst wat dit betreft naar overweging 2.2 van de eerdergenoemde Afdelingsuitspraak van 1 juli 2024.
3.5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken door mr. T.G. Noordhof, voorzitter,
mr. G.W.B. Heijmans en mr. G.A. van der Straaten, leden, in aanwezigheid van
mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier, op 16 juni 2026.
Dit proces-verbaal is bekend gemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.