ECLI:NL:RBDHA:2026:17698

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27171
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5 richtlijn 2008/115Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens niet-toetsing non-refoulement en toekenning schadevergoeding

Eiser werd op 7 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd op 26 mei 2026 opgeheven. Eiser stelde beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was omdat niet was getoetst aan het beginsel van non-refoulement, zoals vereist op grond van het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Verweerder bood daarom een schadevergoeding aan voor de gehele periode van bewaring.

De rechtbank achtte het aanbod terecht en kende een schadevergoeding toe van € 2.480,- voor 20 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming, alsmede een proceskostenvergoeding van € 1.868,-. Het beroep werd gegrond verklaard en de Staat werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige bewaring zonder toetsing van het non-refoulementbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27171

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 26 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Het beginsel van non-refoulement
2. Verweerder heeft aangegeven dat het beginsel van non-refoulement niet is getoetst in de maatregel van bewaring. Om deze reden heeft verweerder een schadevergoeding aangeboden voor de gehele periode waarin eiser in bewaring heeft gezeten. Daarnaast biedt verweerder aan eisers gemachtigde twee punten als proceskostenvergoeding aan.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft in het arrest van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), voor recht verklaard over het beginsel van non-refoulement, dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel van bewaring van 7 mei 2026, impliciet dan wel expliciet, geen afweging is gemaakt in het kader van een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder dan ook terecht een schadevergoeding aangeboden voor de gehele periode waarin eiser in bewaring heeft gezeten, te weten vanaf 7 mei 2026 tot en met 26 mei 2026.
4. Nu voor de gehele periode inbewaringstelling reeds een schadevergoeding en daarnaast twee punten proceskostenvergoeding zijn aangeboden, vergt het verder aangevoerde door eiser geen bespreking. Een oordeel over een eventueel onderzoek naar de detentiegeschiktheid van eiser komt dan ook niet aan de orde.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
6. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 20 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 160,- (verblijf politiecel) en 18 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.480,-.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.480,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.