ECLI:NL:RBDHA:2026:17707

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL25.37526
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 DublinverordeningVerordening (EU) 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens onderduiken asielzoekster

De minister heeft op 4 augustus 2025 de overdrachtstermijn van eiseres aan Spanje verlengd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken. Eiseres, van Sierra Leoonse nationaliteit, voerde aan dat zij het asielzoekerscentrum (AZC) gedwongen had verlaten vanwege traumatische ervaringen en dat de minister niet had laten weten voornemens te zijn haar uit te zetten.

De rechtbank oordeelt dat eiseres doelbewust het AZC heeft verlaten om overdracht te voorkomen, waarmee voldaan is aan de definitie van onderduiken zoals vastgesteld door het Hof van Justitie van de Europese Unie. De minister heeft daarom de verlenging van de overdrachtstermijn tot maximaal achttien maanden terecht toegepast.

De rechtbank wijst het beroep af en oordeelt dat eiseres geen proceskostenvergoeding krijgt. De rechtbank benadrukt dat eiseres gedurende de gehele periode beschikbaar moet blijven voor overdracht en dat het feit dat zij op de hoogte was van de voorgenomen overdracht de verlenging rechtvaardigt. De uitspraak is gedaan door rechter H. Hanssen - Telman en griffier R. de Boer op 30 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de verlenging van de overdrachtstermijn wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37526

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

geboren op [geboortedatum] ,
van Sierra Leoonse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. Ő. Sari).

Inleiding

1. De minister heeft bij besluit van 4 augustus 2025 de overdrachtstermijn verlengd overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening [1] vanwege onderduiken.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde waren met kennisgeving afwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de termijn voor overdracht van eiseres aan Spanje heeft mogen verlengen wegens het onderduiken van eiseres.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de minister de overdrachtstermijn terecht heeft verlengd. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiseres heeft aangevoerd dat ten onrechte een verlengingsbesluit is genomen. Eiseres heeft via een organisatie te horen gekregen dat zij zou worden opgepakt. Aangezien eiseres zowel in Spanje als in Frankrijk in een huis opgesloten heeft gezeten en daar is gedwongen om met mannen te slapen is ze getraumatiseerd en kon ze het geestelijk niet aan om weer te worden opgesloten. Eiseres overlegt in dit kader een verklaring van ARQ Centrum ’45. Eiseres werd dan ook gedwongen om het AZC [2] te verlaten. Artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening is bovendien een zogenaamde kan-bepaling, zodat de minister niet verplicht is om de overdrachtstermijn te verlengen. Verder heeft de minister niet laten weten van plan te zijn om eiseres uit te zetten, want anders had de gemachtigde de rechtbank kunnen verzoeken om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De minister had bovendien de rechtbank kunnen vragen om de zaken, inclusief de verzetzaak, eerder te behandelen.
5. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen, indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van die vreemdeling gaat dan over op de verzoekende lidstaat. De termijn van overdracht van de vreemdeling kan tot maximaal achttien maanden worden verlengd, als de vreemdeling onderduikt.
5.1.
In de uitspraak van de Afdeling [3] van 14 december 2022 [4] is overwogen dat uit het arrest Jawo [5] van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uitgelegd moet worden dat een vreemdeling onderduikt, wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht om deze overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. Als van een dergelijke situatie sprake is, dan is het volgens de Afdelingsuitspraak van 5 januari 2023 [6] aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij niet de bedoeling had om de overdracht te voorkomen.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens informatie uit het dossier is eiseres op 4 augustus 2025 met onbekende bestemming vertrokken. Eiseres heeft dit ook niet betwist, maar juist toegegeven dat zij doelbewust het AZC heeft verlaten om te voorkomen dat zij zou worden opgepakt. De minister heeft kunnen concluderen dat eiseres de bedoeling had om zich doelbewust buiten het bereik van de nationale autoriteiten te stellen om zo overdracht naar Spanje te voorkomen. Hieruit volgt dat de minister de overdrachtstermijn heeft mogen verlengen.
6.1.
Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat de minister niet heeft laten weten voornemens te zijn om eiseres uit te zetten. Uit de brief van de minister van 29 juli 2025, die onderdeel uitmaakt van het dossier, volgt dat de minister voornemens is eiseres op 6 augustus 2025 over te dragen. Hieruit volgt dat de gemachtigde van eiseres op de hoogte was van de voorgenomen uitzetting. Deze voorgenomen uitzetting is, blijkens het dossier, op 22 juli 2025 ook aan de autoriteiten van Spanje medegedeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is bovendien niet doorslaggevend of er al een feitelijke overdracht was gepland en of eiseres daar al van op de hoogte was. Eiseres dient zich ook gedurende de gehele periode na het bestreden besluit beschikbaar te houden voor de overdracht en daartoe alle noodzakelijke medewerking te verlenen. Daar komt bij dat het claimakkoord dateert van
6 februari 2025, en dus zou verstrijken op 6 augustus 2025, zodat eiseres ook op die grond rekening moest houden met het feit dat zij binnenkort mogelijk zou kunnen worden overgedragen.
7. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister terecht heeft aangenomen dat er op 4 augustus 2025 sprake is geweest van onderduiken van eiseres op grond waarvan de verlenging van de overdrachtstermijn tot 18 maanden rechtsgeldig is.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 604/2013.
2.Asielzoekerscentrum.
3.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ECLI:EU:C:2019:218.