ECLI:NL:RBDHA:2026:17710

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27466
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet

Eiser heeft op 4 mei 2026 asiel aangevraagd en stelt dat hij daardoor rechtmatig verblijf heeft gekregen, waardoor de maatregel van bewaring op 7 mei 2026 onrechtmatig zou zijn. De rechtbank oordeelt echter dat de maatregel van bewaring terecht is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Eiser betoogt dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast vanwege zijn psychische problemen en dreiging met zelfdoding. De rechtbank stelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat geen minder dwingende maatregel toereikend was en dat gespecialiseerde zorg in detentiecentra aanwezig is, waardoor de bewaring noodzakelijk blijft.

De rechtbank heeft ambtshalve de rechtsmatigheid van de maatregel getoetst en ziet geen grond om de bewaring onrechtmatig te verklaren. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27466

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.M. Lukomski . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Grondslag van de bewaring
1. Eiser voert aan dat hij een rechtmatige verblijfsstatus van rechtswege kreeg op het moment dat eiser asiel aanvroeg op 4 mei 2026. Volgens eiser zorgt dit rechtmatige verblijf er ook voor dat de beschikking waaruit de verplichting voortkomt dat eiser Nederland moet verlaten niet meer van kracht is. Gelet hierop stelt eiser zich op het standpunt dat de inbewaringstelling van eiser op 7 mei 2026 onrechtmatig was nu er door eisers rechtmatige verblijf een grondslag ontbrak om eiser in asielbewaring te stellen.
2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw (b-grond) terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Eiser heeft namelijk op 4 mei 2026 een asielaanvraag ingediend, zodat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, van de Vw. Dat eiser rechtmatig verblijf heeft betekent niet dat hij niet in bewaring kon worden gesteld, aangezien de wet ook in gevallen als het onderhavige voorziet in de mogelijkheid om vreemdelingen in bewaring te stellen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011). Eiser is dan ook op de juiste grondslag in bewaring gesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
3. Eiser betoogt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Daartoe voert eiser aan dat vreemdelingenbewaring hem zwaar valt, hij als gevolg daarvan depressief is en dat hij zegt een einde aan zijn leven te maken.
4. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320).
5. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Verweerder wijst in dit verband terecht op de niet-betwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Daarnaast overweegt de rechtbank dat, hoewel zij begrip heeft voor de psychische problemen die eiser als gevolg van de inbewaringstelling ervaart, dit onvoldoende is om tot het oordeel te komen dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat er voor mensen die zich met moeite kunnen handhaven (met psychische problemen), er in detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is. Deze zorg moet vergelijkbaar worden verondersteld met die in de vrije maatschappij. Verder staat in de maatregel dat in het geval de zorg niet voldoende kan worden gegeven, eiser wordt overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.