ECLI:NL:RBDHA:2026:17754

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17502, NL26.17503
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, zesde lid, VwArt. 30b, eerste lid, onder c, f, g en j, VwVluchtelingenverdragKwalificatierichtlijnWI 2019/17
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag biseksuele Marokkaanse asielzoeker als kennelijk ongegrond

Eiser, een Marokkaanse asielzoeker die stelt biseksueel te zijn, diende een opvolgende asielaanvraag in nadat zijn eerste aanvraag als kennelijk ongegrond was afgewezen. Verweerder vond de biseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig en wees de aanvraag opnieuw af als kennelijk ongegrond.

De rechtbank toetste het besluit volledig in lijn met het Europese recht en oordeelde dat verweerder terecht twijfelde aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Eiser had tegenstrijdige verklaringen gegeven over zijn seksuele gerichtheid en familie, en had zijn biseksualiteit niet tijdig en consistent naar voren gebracht. De rechtbank vond dat verweerder voldoende rekening had gehouden met het culturele referentiekader en de persoonlijke omstandigheden van eiser.

Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond had afgewezen op grond van meerdere wettelijke gronden, waaronder misleiding over identiteit en het gevaar voor de openbare orde. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser moet terugkeren naar Marokko.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag als kennelijk ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.17502 (beroep) en NL26.17503 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Samenvatting

1. Eiser komt uit Marokko. Hij stelt biseksueel te zijn en dat zijn familie daarachter is gekomen. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarvoor een aantal argumenten gegeven. Dit zijn de beroepsgronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de kennelijk ongegrond verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk. Verweerder heeft terecht de gestelde biseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig gevonden. Ook heeft verweerder terecht de opvolgende aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 28 februari 2025 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag heeft verweerder op 29 maart 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep hiertegen is door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, op 23 december 2025 ongegrond verklaard. [1] Eiser heeft op 13 maart 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag heeft verweerder met het bestreden besluit van 29 maart 2026 kennelijk ongegrond verklaard. Deze uitspraak gaat over deze asielaanvraag.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2.
Het beroep en de voorlopige voorziening zijn op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, R. Dahman als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. In de arresten Quotal en Ebilum [2] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu vol. Ook heeft het Hof overwogen dat uit het Europese recht volgt dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen. Van deze bevoegdheid maakt de rechtbank in deze zaak gebruik.
Achtergrond
4. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 2002. Aan zijn eerste aanvraag heeft hij kort gezegd ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Marokko vreest voor zijn familie.
4.1.
Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is biseksueel, zijn familie is hierachter gekomen en heeft eiser hierom verstoten. Eiser vreest dat hij in Marokko hierdoor in de problemen zal komen. Ook vreest eiser bij terugkeer naar Marokko vanwege zijn tatoeages.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende motieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • biseksuele gerichtheid.
Verweerder acht het eerste asielmotief wel geloofwaardig, maar verweerder acht eisers gestelde biseksuele gerichtheid niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Het tweede asielmotief is niet alsnog geloofwaardig omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [3] Zo heeft eiser zijn seksuele gerichtheid niet zo spoedig mogelijk naar voren gebracht, heeft eiser wisselend verklaard over de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid, heeft eiser oppervlakkig verklaard over [naam] en de Marokkaanse man die hij leuk vond en heeft eiser tegenstrijdig verklaard over zijn familie. Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft hij daarvoor geen goede verklaring, en kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. [4]
5.1.
Eiser is geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook loopt eiser bij terugkeer naar Marokko geen reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft zijn vrees bij terugkeer naar Marokko door zijn tatoeages niet aannemelijk gemaakt.
5.2.
De aanvraag is kennelijk ongegrond omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit en herkomst, eiser heeft zijn asielaanvraag ingediend om uitzetting te voorkomen, de aanvraag is een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard en eiser vormt op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid. [5]
5.3.
Aan eiser is al eerder een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Eiser moet onmiddellijk terugkeren naar Marokko.
Heeft verweerder een juist beoordelingskader gebruikt bij de geloofwaardigheidsbeoordeling?
6. Eiser voert aan dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas aansluiting dient te zoeken bij de systematiek zoals neergelegd in Werkinstructie (WI) 2024/6. De wijze waarop verweerder deze beoordeling heeft uitgevoerd in het voornemen is volgens eiser in strijd met dit beoordelingskader en met het Unierechtelijke toetsingskader. Eiser wijst op drie prejudiciële verwijzingsuitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. [6] Verweerder dient zich daarom rekenschap te geven van het feit dat het huidige toetsingskader onder rechterlijke toetsing staat. Totdat het Hof zich heeft uitgesproken, geldt dat bij twijfel extra zorgvuldigheid en terughoudendheid geboden zijn.
6.1.
De rechtbank volgt de stelling van eiser niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de wijze van beoordeling, volgens WI 2024/6, in strijd is met het Unierecht of onredelijk is. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 oktober 2025. [7] Daarnaast heeft eiser niet nader onderbouwd waarom in zijn situatie het toetsingskader door verweerder onjuist is toegepast. Ook heeft eiser niet onderbouwd waarom de beoordeling van zijn aanvraag in zijn specifieke situatie tot een resultaat zou leiden dat in strijd is met het Unierecht. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Heeft verweerder eisers gestelde biseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn biseksuele gerichtheid ongeloofwaardig heeft geacht. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor uitvoerig verklaard over zijn seksuele gerichtheid, waaronder zijn bewustwordingsproces, zijn relaties en de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan zijn gevoelens. Verweerder heeft volgens eiser onterecht doorslaggevende betekenis toegekend aan het feit dat eiser niet in zijn eerdere procedure over zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard. Dat eiser op enig moment tot acceptatie van zijn seksuele gerichtheid is gekomen, betekent niet dat hij ook in staat was om hierover in een eerdere procedure te verklaren. Eiser schaamt zich voor zijn seksualiteit en eiser wantrouwt de autoriteiten. Verweerder heeft hierbij ook onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Eiser is afkomstig uit Marokko waar homoseksualiteit maatschappelijk sterk wordt gestigmatiseerd en waarin het uiten daarvan gepaard kan gaan met sociale uitsluiting en risico’s. Ook is door verweerder niet genoeg doorgevraagd in het gehoor. Voor zover verweerder stelt dat is doorgevraagd, volgt uit de motivering niet dat de vragen waren toegespitst op het inzichtelijk maken van de persoonlijke beleving van eiser. Verweerder heeft geen volledige en kenbare integrale beoordeling gemaakt aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw, omdat de beoordeling van verweerder vooral gebaseerd is op het moment waarop eiser over zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard, zonder kenbaar te maken hoe de andere relevante elementen zijn meegewogen. Concluderend is dus de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers relaas in strijd met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn en WI 2019/17 [8] .
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de gestelde biseksualiteit van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft dan ook niet in strijd gehandeld met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn en WI 2019/17. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
8.1.
Anders dan eiser stelt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen doorslaggevende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat eiser zijn seksuele gerichtheid niet zo spoedig mogelijk naar voren heeft gebracht. Zo heeft verweerder het onder standpunt dat eisers verklaringen onvoldoende zijn, ook nog aan eiser tegengeworpen dat hij wisselend over de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid heeft verklaard en dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn familie. De rechtbank verwijst naar overweging 5.
8.2.
De rechtbank acht in dit kader van belang dat het relaas van eiser op een aantal punten duidelijke tegenstrijdigheden bevat. Zo heeft eiser tegenstrijdig verklaard over zijn gestelde ex-partner [naam] , waaronder wanneer zij voor het eerst intiem zijn geweest, en of eiser thuis mannen ontving en/of bij een vriend. [9] Ook ter zitting heeft eiser niet consistent verklaard over [naam] . Bij het gehoor verklaarde hij dat hij hem in 2017/2018 had ontmoet en in 2020/2021 een relatie met hem had [10] , maar op zitting zou hij hem in 2021 hebben ontmoet. Dit zijn zulke verschillen dat dit niet door enkel tijdsverloop kan worden verklaard.
8.3.
Volgens de rechtbank heeft verweerder bovendien terecht meegewogen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling dat eiser laat heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid. De rechtbank volgt verweerder in zijn oordeel dat er twijfel bestaat over de oprechtheid van de asielaanvraag, omdat eiser niets heeft verklaard over zijn biseksualiteit tijdens zijn eerdere asielaanvraag in 2025. Dat verweerder op dit punt het referentiekader van eiser en eisers schaamte onvoldoende heeft meegewogen, volgt de rechtbank niet. Zoals uit het gehoor blijkt is eiser sinds 2017/2018 bewust van zijn seksuele gerichtheid en heeft eiser hier rond 2021/2022 vrede mee. Daarnaast is eiser al sinds 2017/2018 in Nederland. De enkele stelling dat eiser niet eerder kon verklaren door zijn schaamte (richting de autoriteiten), acht de rechtbank onvoldoende. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden had meer van eiser verwacht mogen worden. Dat eiser zich in Nederland staande moet houden en zich daarom mogelijk bij sommige bekenden niet snel zal uiten als biseksueel, maakt dit niet anders.
8.4.
Ook heeft verweerder kenbaar het referentiekader van eiser betrokken. Zo heeft verweerder ter zitting verduidelijkt dat niet aan eiser is tegengeworpen dat hij weinig weet over de situatie van de LHBTI-gemeenschap in Marokko en Nederland, omdat hij sinds zijn dertiende niet meer in Marokko is geweest en hij analfabeet is. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit rekening gehouden met de Marokkaans-islamitische achtergrond van eiser, maar heeft verweerder terecht meegewogen dat eiser al geruime tijd in Nederland is en al bijna tien jaar op de hoogte is van zijn gestelde seksualiteit. Dat eiser vanwege zijn culturele en persoonlijke achtergrond geacht kan worden moeite te hebben om over gevoelens en zijn geaardheid te praten, kan worden gevolgd. Eiser kan echter wel worden verweten dat zijn verklaringen zo wisselend en tegenstrijdig zijn als hiervoor beschreven.
8.5.
De rechtbank is ten slotte ook van oordeel dat verweerder voldoende heeft doorgevraagd. Zo heeft verweerder ter zitting verwezen naar pagina’s 7 t/m 9 van het gehoor waaruit blijkt dat de hoormedewerker de vragen op verschillende wijze heeft gesteld en heeft doorgevraagd als eiser niet duidelijk genoeg antwoord gaf. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder via de vragen in het gehoor een goed beeld van eisers gestelde biseksualiteit probeerde te krijgen, deze vragen op verschillende manieren heeft gesteld, en dit sluit ook aan bij de werkwijze volgens WI 2019/17.
8.6.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op basis van eisers verklaringen al niet voldaan is aan sub c, van artikel 31, zesde lid van de Vw. Daarmee heeft verweerder het relaas terecht ongeloofwaardig geacht.
Heeft verweerder de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond afgewezen?
9. Eiser voert aan dat verweerder de aanvraag niet als kennelijk ongegrond mocht afwijzen. Verweerder heeft immers een inhoudelijke beoordeling gemaakt van de opvolgende asielaanvraag van eiser.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Dat er in de zaak van eiser een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden, betekent niet dat verweerder de aanvraag niet als kennelijk ongegrond mocht afwijzen. Verweerder heeft in dit geval verschillende redenen gegeven waarom de aanvraag kennelijk ongegrond is. Zo heeft verweerder sub c, f, g en j van artikel 30b, eerste lid, van de Vw, tegengeworpen. Deze kennelijke afwijzingsgronden zijn op zichzelf genoeg om de aanvraag kennelijk ongegrond te verklaren. Deze afwijzingsgronden heeft eiser overigens ook niet inhoudelijk bestreden. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft terecht de opvolgende aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Dat betekent dat eiser moet terugkeren naar Marokko.
10.1.
Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om het verzoek tot een voorlopige voorziening verder te behandelen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Nederpel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u, voor zover het ziet op de hoofdzaak, een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.NL25.14859.
2.Arresten van het Hof van 4 juni 2026, C198/25 en C-440/25.
3.Zie artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
4.Zie artikel 31, zesde lid, onder d en e, van de Vw.
5.Zie artikel 30b, eerste lid, onder c, f, g en j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
6.Eiser verwijst naar de uitspraken van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en ECLI:NL:RBDHA:2025:139, en van 16 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2170.
8.Werkinstructie (WI) 2019/17 ‘Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd’.
9.Zie pagina’s 9, 12, 14 en 18 van het rapport van het gehoor opvolgende aanvraag.
10.Pagina’s 9 en 15 van het rapport van het gehoor opvolgende aanvraag.