ECLI:NL:RBDHA:2025:18612
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid politieke vervolging Iran
Eiseres, een Iraanse vrouw, diende op 10 januari 2025 een asielaanvraag in in Nederland, stellende dat zij vanwege haar politieke activiteiten en betrokkenheid bij de Koerdische Komala-partij vervolging in Iran vreest. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, o.a. vanwege onvoldoende geloofwaardigheid van de politieke motieven en het gebruik van vervalste documenten. Tevens werd een terugkeerbesluit uitgevaardigd voor Iran en Turkije.
De rechtbank toetste de afwijzing aan de Werkinstructie 2024/6 en het Europese recht, waaronder het arrest LH van het Hof van Justitie. De rechtbank oordeelde dat de wijze van beoordeling niet onrechtmatig was en dat verweerder terecht de geloofwaardigheid van eiseres' politieke activiteiten en betrokkenheid bij de Komala-partij ter discussie stelde, mede wegens gebrek aan objectieve bewijsstukken en tegenstrijdigheden in verklaringen.
Ook het beroep op een specifieke sociale groep van vrouwenrechtenactivisten werd verworpen, omdat eiseres niet aannemelijk maakte dat zij zich tijdens haar verblijf in Nederland daadwerkelijk identificeerde met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen zoals vereist volgens het arrest K en L. Het aanvullende terugkeerbesluit naar Turkije werd als rechtmatig beoordeeld, mede gelet op de Terugkeerrichtlijn en removal order.
Het verzoek om een voorlopige voorziening en schadevergoeding werd afgewezen. De rechtbank concludeerde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij bij terugkeer naar Iran of Turkije een reëel risico loopt op schending van haar rechten en bevestigde de afwijzing van haar asielaanvraag.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit naar Iran en Turkije als rechtmatig.