ECLI:NL:RBDHA:2026:17760

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL25.48364
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over reisrisico's in Somalië

Eiser, van Somalische nationaliteit en behorend tot de Galjahal-bevolkingsgroep, vordert heroverweging van zijn afgewezen asielaanvraag. Hij stelt dat hij vanwege bedreigingen door Al-Shabaab niet veilig kan terugkeren naar Somalië. De minister acht de identiteit van eiser geloofwaardig, maar verwerpt de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over bedreigingen door Al-Shabaab.

De rechtbank toetst het besluit volledig in lijn met recente jurisprudentie van het Hof van Justitie EU. De rechtbank constateert tegenstrijdigheden en onlogische verklaringen in het asielrelaas van eiser, onder meer over de motieven van Al-Shabaab en de omstandigheden van zijn terugkeer naar Somalië. De minister heeft terecht twijfels bij de geloofwaardigheid van de verklaringen.

Echter, de rechtbank stelt vast dat uit het ambtsbericht en kaarten blijkt dat de route van Mogadishu naar Beledweyne deels door gebieden loopt die (gedeeltelijk) onder controle staan van Al-Shabaab. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet door deze gebieden hoeft te reizen. Daarom is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsvereiste van de Awb en wordt het vernietigd.

De minister krijgt zes weken om een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868,- toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege onvoldoende motivering over reisrisico's door Al-Shabaab-gebieden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48364

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,geboren op [datum],van Somalische nationaliteit, v-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig via een telefoonverbinding. Het onderzoek is op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser bezit de Somalische nationaliteit en behoort tot de Galjahal-bevolkingsgroep. In 2015 heeft Al-Shabaab een aanval uitgevoerd op eisers familie, waarbij meerdere personen zijn omgekomen en gewond geraakt. Eiser kende mogelijk twee mannen die tot Al-Shabaab behoorden en die bij deze aanval betrokken waren. Volgens eiser is het uitspreken van deze verdenking aanleiding geweest voor Al-Shabaab om eiser te bedreigen. Eiser stelt dat hij naar aanleiding van deze bedreigingen in 2015 voor de eerste keer is gevlucht. In de jaren 2016 en 2020 is hij teruggekeerd naar zijn woonplaats Beledweyne. In 2022 is eiser opnieuw teruggekeerd naar Somalië en heeft hij in Mogadishu verbleven. Eiser zou tijdens zijn verblijf in Somalië bedreigd zijn door Al-Shabaab. Vervolgens heeft een oom van eiser een paspoort en visum geregeld, waarna eiser naar Turkije is gevlucht. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Somalië door Al-Shabaab zal worden gedood.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met Al-Shabaab.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser (asielmotief 1) geloofwaardig. De problemen met Al-Shabaab (asielmotief 2) worden door de minister ongeloofwaardig geacht. Eisers verklaringen over de problemen met Al-Shabaab vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Om die reden is de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Volgens de minister komt eiser vanwege zijn verblijf in Beledweyne en zijn reis daar naartoe ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning, nu Beledweyne niet onder controle staat van Al-Shabaab en eiser ook niet door een gebied hoeft te reizen dat onder controle staat van Al-Shabaab.
De toets door de rechtbank
4.2.
In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quatal heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom vol.
Heeft de minister eisers verklaringen terecht ongeloofwaardig geacht?
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat sprake is van een inconsistentie in de tijdlijn over wie het doelwit van de aanslag was. De aanslag is tweemaal opgeëist. Eiser is via de broer van zijn stiefvader telefonisch bedreigd, omdat hij twee namen had genoemd. In dit telefoongesprek is aangegeven dat als eiser bij de aanslag thuis zou zijn geweest, ze hem ook hadden gedood. Eiser heeft verder bedoeld te zeggen dat hij de middag voor de aanslag de (vermoedelijke) schutters had gezien. Hierover heeft hij in de aanvullende zienswijze nader verklaard. Niet valt in te zien dat eiser concreter en gedetailleerder zou moeten hebben verklaard over hoe hij wist dat ze verantwoordelijk waren voor de aanslag, nu het ging om een vermoeden. Eiser stelt daarnaast dat hij logisch heeft verklaard over het opeisen van de aanslag en de anonimiteit van de daders. De aanslag is eerst algemeen en dus anoniem opgeëist door Al-Shabaab. Dat het onlogisch zou zijn dat Al-Shabaab eiser tot vier maal toe op de hoogte heeft gesteld van een op handen zijnde aanslag betwist eiser. Eiser heeft immers niet verklaard dat een concrete aanslag werd aangekondigd, maar dat hij doodsbedreigingen heeft ontvangen. Eiser is verder van mening dat geen sprake is van tegenstrijdigheid met algemene informatie ten aanzien van het verbod op voetballen. Dit geldt namelijk alleen in gebieden waar Al-Shabaab uitsluitend de macht heeft. Dit is in Beledweyne niet het geval. Daarnaast heeft eiser in de correcties & aanvullingen aangegeven dat hij in 2014 is benaderd op het voetbalveld en niet in 2015. Eiser stelt tot slot dat de tegenwerping dat hij in strijd met zijn eigen vrees heeft gehandeld door korte perioden tegen te keren naar Somalië een subjectieve invulling van de minister is. Eiser keerde immers slechts bij uitzondering terug, verbleef er voor korte tijd en deed dit enkel wanneer hij een goede reden hiervoor had.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen met Al-Shabaab terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft in dit kader terecht tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over waarom zijn huis is aangevallen en hij doelwit is geworden van Al-Shabaab. Eiser heeft eerst immers verklaard dat het huis is aangevallen omdat zijn stiefvader het stamhoofd was en volgens Al-Shabaab met de overheid samenwerkte en later heeft hij verklaard dat Al-Shabaab bij het opeisen van de aanval zou hebben gezegd dat eiser eigenlijk het doelwit was. De minister heeft in dit kader eveneens terecht tegengeworpen dat de latere verklaring dat eiser eigenlijk het doelwit was chronologisch niet mogelijk is, omdat eiser ook heeft verklaard dat hij pas bij de twee mannen in beeld is gekomen nadat hij hun namen had doorgegeven als mogelijke daders van de aanval. De rechtbank volgt de minister verder in het standpunt dat eisers verklaringen over de handelingen van Al-Shabaab niet logisch zijn. Zo valt niet in te zien dat Al-Shabaab eiser om het leven wilde brengen omdat hij de namen van de twee mannen zou hebben doorgegeven en dat dezelfde mannen later de aanval hebben opgeëist bij de familie van eisers stiefvader. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eveneens terecht tegengeworpen dat eisers verklaring, namelijk dat hij bij voetbalveldjes door Al-Shabaab is benaderd en alleen mocht voetballen met een lange broek aan, niet overeenkomt met algemene informatie waaruit volgt dat Al-Shabaab tegen voetbal is. Eiser wijst er weliswaar terecht op dat het verbod op voetbal en de daarmee samenhangende detenties waarover in de algemene bronnen waarnaar de minister verwijst wordt gesproken over gebieden waar Al-Shabaab de macht heeft, echter doet het voorgaande niet af aan de tegenwerping dat het opmerkelijk is dat eiser met lange broek mocht voetballen, terwijl uit algemene informatie volgt dat Al-Shabaab tegen voetbal is. De verklaring dat eiser wel mocht voetballen als hij lezingen bijwoonde, is gelet op de algemene informatie, dan ook vaag en summier. De minister heeft daarnaast op goede gronden overwogen dat de verklaringen over waar eiser was en wat hij zou hebben gezien inconsistent zijn. Eiser heeft immers verklaard dat hij bij het incident bij zijn ouderlijk huis twee jongens herkende [2] , terwijl hij ook heeft verklaard dat hij de beschietingen hoorde, naar huis is gerend en de schutters al weg waren [3] . De verklaring in de zienswijze dat eiser de schutters de middag voor de aanslag heeft gezien, is terecht vaag en summier geacht en in dit kader mocht de minister verwachten dat eiser meer zou verklaren over wat hij dan exact zou hebben gezien. De rechtbank overweegt verder dat de minister het gegeven dat Al-Shabaab vier maal aan eiser heeft aangegeven dat ze hem om het leven wilden brengen, terecht onlogisch heeft gevonden, te meer nu eiser naar aanleiding hiervan steeds voorzorgsmaatregelen heeft genomen en is gevlucht. Dat Al-Shabaab hierbij geen concrete aanslag zou hebben aangekondigd kan hieraan niet af doen. Niet valt in te zien dat Al-Shabaab, nadat eiser zou zijn gevlucht na de bedreiging, eiser desondanks is blijven bedreigen. De minister heeft tot slot terecht overwogen dat eiser niet volgens zijn gestelde vrees heeft gehandeld doordat hij, nadat hij in 2015 is bedreigd door Al-Shabaab, in 2016 en 2020 is teruggekeerd naar Beledweyne. Dit acht de rechtbank te meer van belang nu eiser eveneens heeft verklaard dat Al-Shabaab steeds wist wanneereiser was teruggekeerd en eiser ook heeft verklaard dat hij voor zijn leven vreesde. Dat het steeds om korte bezoeken zou zijn gegaan en dat eiser een goede reden zou hebben gehad voor de bezoeken, kan hieraan niet afdoen.
Heeft de minister terecht overwogen dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade loopt?
7. Eiser stelt dat hij afkomstig is uit een gebied, dan wel moet reizen door een gebied, dat ofwel onder (gedeeltelijke) controle van Al-Shabaab staat, dan wel een attack zone van Al-Shabaab is. Hieruit volgt dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
9. Uit het landenbeleid van de minister volgt dat er voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade in gebieden in Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is, dan wel het gebied controleert. Dit risico op ernstige schade wordt ook aangenomen wanneer een terugkeerder over land moet reizen door een gebied waar Al-Shabaab de macht heeft of waar Al-Shabaab het gebied controleert. De rechtbank overweegt dat het in beginsel aan eiser is om aannemelijk te maken dat in zijn geval een reëel risico op ernstige schade bestaat. Gelet op het beleid is hieraan voldaan als aannemelijk is gemaakt dat eiser zou moeten reizen door een gebied waar Al-Shabaab de macht heeft of waar Al-Shabaab het gebied controleert. Dat is in deze zaak van belang gelet op het volgende.
10. De rechtbank stelt vast dat uit het algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025 (ambtsbericht) volgt dat Beledweyne onder controle staat van de Somalische overheid, zodat niet kan worden geconcludeerd dat eiser moet terugkeren naar een gebied waar Al-Shabaab aan de macht is dan wel de controle heeft. [4]
11. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eiser bij terugkeer over land van Mogadishu naar Beledweyne kan reizen zonder door een gebied te reizen waar Al-Shabaab aan de macht is of waar Al-Shabaab het gebied controleert. Indien dat wel het geval is, volgt uit het beleid dat voor eiser een reëel risico op ernstige schade bestaat. De rechtbank stelt vast dat uit de kaart van de controlegebieden in Somalië, zoals opgenomen in het ambtsbericht, volgt dat zich op of langs de route tussen Mogadishu en Beledweyne (via Jowhar) gebieden bevinden die deels onder controle van de federale overheid en deels onder controle van Al-Shabaab staan. Deze gebieden zijn op de kaart gemarkeerd met een rood/zwarte stip, onder meer nabij Fidow en Bo’o. De rechtbank stelt verder vast dat uit de overzichtskaart van het landenrapport van de EUAA volgt dat delen van de gebieden langs de hoofdweg volledig onder controle van Al-Shabaab staan, onder meer nabij Jowhar en Fidow. [5] De rechtbank overweegt verder dat uit het ambtsbericht volgt dat het niet mogelijk was om een concrete afbakening te geven van de exacte controlegebieden van Al-Shabaab en dat daarom ook niet kan worden aangegeven tussen welke steden over land gereisd kan worden zonder door Al-Shabaab gebied te reizen. [6] Voorts blijkt uit het ambtsbericht dat Al-Shabaab, hoewel zij in de vorige verslagperiode weliswaar de controle verloren over steden en dorpen in verschillende regio’s, nog steeds voldoende capaciteit heeft om ook in die gebieden in de landelijke regio’s en langs hoofdwegen voor onveiligheid te zorgen. [7] Uit het ambtsbericht volgt eveneens dat de strijd tussen Al-Shabaab en het regeringsleger de belangrijkste oorzaak van geweld was in Hiraan, de provincie waarin Beledweyne gelegen is, en dat geweldsincidenten voor het overgrote deel plaatsvonden langs en in de buurt van de weg die van Mogadishu via Jowhar richting Beledweyne loopt. [8] Nu uit de algemene informatie niet eenduidig volgt welke gebieden op de weg van Mogadishu naar Beledweyne onder controle staan van Al-Shabaab en uit algemene informatie eveneens af te leiden valt dat sommige gebieden langs de hoofdweg onder (gedeeltelijke) controle staan van Al-Shabaab, is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer niet hoeft te reizen door gebieden waar Al-Shabaab aan de macht is dan wel de controle heeft.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb [9] . De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien.
13. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Aanmeldgehoor, p. 8.
3.Nader gehoor, p. 6.
4.Zie hiervoor ook het EUAA-rapport ‘Country Guidance: Somalia’ van 2 oktober 2025.
5.Zie hiervoor het EUAA-rapport ‘Country Guidance: Somalia’ van 2 oktober 2025.
6.Algemeen ambtsbericht april 2025, p. 83.
7.Algemeen ambtsbericht april 2025, p. 83.
8.Algemeen ambtsbericht Somalië april 2025, p. 57.
9.Algemene wet bestuursrecht.