ECLI:NL:RBDHA:2026:17761

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
AWB 24/13491 en NL23.23639
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 8:72 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:81 AwbArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep op uitstel van vertrek wegens ontoegankelijke medische zorg in Ghana

Eiser, een Ghanese nationaliteit dragende vreemdeling die sinds 2000 in Nederland verblijft, verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege ernstige medische klachten waaronder hartfalen, leverfalen, longfalen en diabetes. De minister wees dit verzoek af, stellende dat de noodzakelijke medische zorg in Ghana beschikbaar en toegankelijk is.

De rechtbank onderzocht het geschil en concludeerde dat hoewel de zorg in Ghana beschikbaar is, eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze zorg voor hem feitelijk niet toegankelijk is. Dit vanwege onbetaalbare medicatiekosten, het niet accepteren van de nationale zorgverzekering NHIS door zorginstellingen, en het ontbreken van financiële steun van familie of maatschappelijke instanties.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende bewijs leverde om de toegankelijkheid van de zorg aan te tonen en dat eiser aannemelijk maakte dat hij zonder uitstel van vertrek binnen enkele maanden in een medische noodsituatie zou verkeren. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van uitstel van vertrek wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: Awb 24/13491 (beroep) en NL23.23639 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 26 juni 2026 in de zaken tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. C.H.M. Koster),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor verlening van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verlening van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van
17 augustus 2023 afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van
5 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening [1] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Mensah als tolk en de gemachtigde van de minister.
2.5.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting geschorst in afwachting van een nieuw advies van het Bureau Medische Advisering (BMA). Op
6 januari 2026 en 13 februari 2026 zijn nieuwe medische adviezen verstrekt. Bij brief van
6 maart 2026 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat deze nieuwe adviezen het standpunt van de minister niet wijzigen. Eiser heeft daar nog op gereageerd.
2.6.
Vervolgens heeft de rechtbank partijen laten weten zonder een nadere zitting uitspraak te doen, tenzij partijen aangeven een nieuwe zitting te wensen. Partijen hebben toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1970 en heeft de Ghanese nationaliteit. Eiser verblijft al sinds 2000 in Nederland. Hij leeft vooral op straat en maakt gebruik van inloopvoorzieningen. In Ghana heeft eiser nog één zus (61) en zijn moeder (92). Eiser lijdt aan diverse medische klachten: hartfalen, leverfalen, longfalen en diabetes. Hij staat onder controle van een cardioloog en huisarts en slikt dagelijks zes verschillende medicijnen. Vanwege deze medische klachten wenst eiser uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000.
Het bestreden besluit
4. Ter voorbereiding van de besluitvorming heeft de minister advies gevraagd aan het BMA over de gezondheidssituatie van eiser. Het BMA heeft meerdere adviezen uitgebracht [2] . Bij het uitblijven van behandeling en medicatie voor de hypertensie, de hartritmestoornissen, de verhoogde bloeddruk en bij het uitblijven van het gebruik van antistolling verwacht het BMA een medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Daarom heeft het BMA onderzocht of de medische behandeling die eiser nodig heeft ook beschikbaar is in Ghana. Het BMA is hierbij tot de conclusie gekomen dat de in Ghana beschikbare behandelmogelijkheden voldoende zijn om een medische noodsituatie op korte termijn te voorkomen. De minister heeft de adviezen van het BMA aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de beschikbare behandelmogelijkheden in Ghana voor hem persoonlijk niet toegankelijk zijn. De aanvraag tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro is om deze redenen afgewezen.
Juridisch kader
5.1.
Op grond van artikel 64 van Pro de Vw blijft uitzetting achterwege zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling, niet verantwoord is om te reizen. Op grond van het beleid van de minister, neergelegd in paragraaf A3/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), kan de minister uitstel van vertrek verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vw als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [3] om medische redenen. Van zo’n risico is uitsluitend sprake als (1) uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie en (2) de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf niet beschikbaar is of (3) als in geval de noodzakelijke medische behandeling wel beschikbaar is, gebleken is dat deze aantoonbaar niet toegankelijk is.
5.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [4] (de Afdeling), gebaseerd op het arrest Paposhvili [5] , volgt dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM loopt omdat, indien de noodzakelijke medische zorg aldaar beschikbaar is, deze in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. Dit hoeft volgens het EHRM geen ‘clear proof’ te zijn. Dit betekent dat de vreemdeling aannemelijk moet maken wat de kosten zijn van de voor hem noodzakelijke behandeling in het land van herkomst. Verder moet de vreemdeling, als hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen voor hem feitelijk niet toegankelijk is, dat aannemelijk maken. Als de vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, is het aan de nationale autoriteiten van de uitzettende staat om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM weg te nemen.
Feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke medische zorg
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser bij het achterwege blijven van een medische behandeling op korte termijn in een medische noodsituatie terecht zal komen en dat de voor hem benodigde zorg in Ghana beschikbaar is. In geschil tussen partijen is of deze zorg voor eiser in Ghana feitelijk toegankelijk is.
6.2.
Eiser stelt dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medische zorg voor hem in Ghana feitelijk niet toegankelijk is. Eiser voert aan dat vijf van de zes medicijnen in theorie worden gedekt door de Ghanese nationale zorgverzekering, het NHIS [6] . Drie van de medicijnen die hij gebruikt vallen onder de gereguleerde medicatie in Ghana. Meerdere bronnen geven echter aan dat de gereguleerde prijzen zo laag zijn dat die niet op grote schaal in Ghana gehanteerd kunnen worden: of de medicatie is niet beschikbaar of er moeten extra bijdrages worden betaald. Veel zorgaanbieders geven aan dat zij de NHIS verzekering niet accepteren. Eiser verwijst hierbij naar publieke bronnen, zoals de meest recente MedCoi [7] rapportage van het Europese Agentschap van Asiel [8] en de aangeschreven instellingen die de NHIS weigeren. Als er al enige vergoeding is, is die dusdanig klein door allerlei extra ‘fees’ dat de totale prijs van de benodigde medicatie onbetaalbaar is voor eiser. Daarnaast wordt het medicijn Apixaban niet door het NHIS vergoed. Eiser kan de kosten van de medicatie niet betalen waardoor deze medicatie feitelijk niet toegankelijk is voor hem. Ook kan eiser geen hulp of financiële bijdrages verwachten van familie. De moeder van eiser is op hoge leeftijd en ontvangt incidenteel steun van zijn zus. De zus van eiser heeft een beperkt inkomen voor haar eigen gezin en kan eiser niet onderhouden. Voor zover door de minister gesteld wordt dat eiser financiële steun van maatschappelijke organisaties of de overheid in Ghana zou kunnen krijgen, doet deze — niet onderbouwde — stelling geen recht aan de economische situatie in Ghana. Op overheidswebsites, internetbronnen en in het eerder aangehaalde MedCoi rapport wordt nergens gesproken van financiële steun voor zorgkosten van Ghanese arme ouderen. De uitzondering hierop is het LEAP programma, waar eiser niet onder valt. De situatie van eiser, arm en geen geld om medicatie te betalen, is in Ghana niet dusdanig uitzonderlijk dat hiervoor particuliere of publieke voorzieningen zijn.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de voor hem benodigde beschikbare medische zorg feitelijk niet toegankelijk is. Het volgende is daarvoor, in onderlinge samenhang bezien, relevant.
6.4.
In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat de door het BMA genoemde instellingen de NHIS niet als verzekering accepteren. Dat standpunt is op zitting herhaald. De rechtbank vindt dit echter wat kort door de bocht, gelet op het volgende. Eiser heeft inderdaad geen stukken overgelegd van de door het BMA genoemde instellingen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , waaruit volgt dat zij de NHIS niet accepteren. Eiser heeft echter in beroep wel stukken overgelegd waaruit blijkt dat via e-mail, contactformulier en telefonisch geprobeerd is contact op te nemen met beide instellingen, maar zonder resultaat. Verder heeft eiser op zitting toegelicht dat zijn zwager in persoon langs is geweest bij bovengenoemde instellingen. Bij deze instellingen heeft de zwager van eiser allerlei informatie te horen gekregen maar niets schriftelijk op papier. Daarnaast heeft eiser stukken overgelegd van reacties van niet door het BMA genoemde instellingen, die eiser heeft aangeschreven, en die de NHIS niet als verzekering accepteren. Eiser heeft dus meerdere inspanningen verricht om aannemelijk te maken dat de door het BMA genoemde instellingen de NHIS niet als verzekering accepteren. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank de enkele motivering dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat de door het BMA genoemde instellingen de NHIS niet als verzekering accepteren onvoldoende.
6.5.
Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat hij zijn benodigde medicatie niet op andere wijze, met vermogen dan wel hulp van familie of netwerk, kan bekostigen. De rechtbank volgt dat niet en licht dat hierna toe.
6.5.1.
Anders dan op zitting is besproken, gaat de rechtbank uit van een gemiddeld inkomen in Ghana van € 188,- per maand, zoals de minister in het bestreden besluit ook heeft aangenomen. Echter, nog daargelaten of eiser dit gemiddelde inkomen zou kunnen genereren in Ghana, wat hij betwist gezien zijn laag opleidingsniveau en gezondheid, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet voldoende zou overhouden om van te kunnen leven. Eiser heeft namelijk in beroep een berekening gegeven van de kosten en zou nog slechts € 20,- tot € 40,- per maand overhouden naast de kosten van zijn medicatie. De rechtbank stelt vast dat de minister deze berekening niet heeft betwist. Daarnaast is niet in geschil dat de kosten voor het medicijn Apixaban omgerekend ongeveer € 130 per maand bedragen en dat deze medicatie niet wordt vergoed door de NHIS. Ook heeft eiser, zo staat in de besluitvorming, aannemelijk gemaakt dat de kosten voor een private zorgverzekering, ten aanzien van zijn inkomen, hoog zijn.
6.5.2.
Desalniettemin vindt de minister dat de medicatie voor eiser betaalbaar moet zijn, omdat hij zijn familie en/of Ghanese maatschappelijke organisaties of de overheid om financiële hulp kan vragen. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn familie niet kan bijdragen met financiële hulp voor de kosten van zijn medicatie. De zus en zwager van eiser hebben drie kinderen en verdienen samen € 96,- tot
€ 116,- per maand. Eiser heeft dit onderbouwd met een verklaring van zijn zwager en zus. Van hen kan niet verwacht worden dat zij met hun eigen beperkte inkomen ook eiser zouden kunnen onderhouden. Verder heeft eiser in beroep twee verklaringen van Ghanese kerken, een reactie van Oxfam Novib Ghana en twee onbeantwoorde e-mails aan Ghanese ministeries overgelegd. Niet valt in te zien hoe eiser nader moet onderbouwen dat er geen instellingen zijn bij wie hij kan aankloppen, nu er geen enkel aanknopingspunt is voor het bestaan van dergelijke maatschappelijke of publieke instellingen. Overigens heeft de minister zich op dit punt op de zitting ook gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.6.
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er zodanige twijfel bestaat over de feitelijke toegankelijkheid van de voor eiser noodzakelijke zorg dat die toegankelijkheid niet zonder meer aannemelijk is. Het is aan de minister is om hier verder onderzoek naar te doen om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM weg te nemen. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat de rechtbank nu beslist over het beroep van eiser en dit beroep gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af.
7.3.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst erop dat eiser wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat de minister niet op grond van artikel 8:74 van Pro de Awb griffierecht hoeft te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/13491:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 5 augustus 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL23.23639:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
(voorzieningen)rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Zaak NL23.23639
2.Namelijk op 12 juni 2023, 2 april 2024, 6 januari 2026 en 13 februari 2026.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:744.
5.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381.
6.National Health Insurance Scheme.
7.Medical Country of Origin Information.
8.EUAA, European Union Agency for Asylum.