ECLI:NL:RBDHA:2026:17769

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25-5616
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 1a BpbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep mvv nareis

Verzoeker stelde beroep in tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een mvv nareis. Nadat verweerder alsnog een besluit nam, trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de door verzoeker opgevoerde kosten betrekking hadden op vrijwillige rechtsbijstand en niet op beroepsmatig verleende rechtsbijstand zoals vereist in artikel 1a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Hierdoor kwamen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Verder wees de rechtbank erop dat verweerder wel verplicht is het betaalde griffierecht te vergoeden, maar dat verzoeker dit rechtstreeks bij verweerder moet claimen.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af en deed dit zonder zitting op basis van artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de kosten niet beroepsmatig zijn gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/5616

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker, v-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: [persoon] ),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 27 februari 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag tot het verlenen van een mvv nareis van 1 september 2023.
Op 24 maart 2026 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. De rechtbank zal het verzoek om een proceskostenveroordeling afwijzen. In het door verzoeker ingediende formulier proceskosten zijn de door gemachtigde van verzoeker gemaakte kosten beschreven als kosten van een door een derde als vrijwilliger verleende rechtsbijstand. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn uitgewerkt in het Bpb. Artikel 1a van het Bpb stelt dat een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten uitsluitend betrekking kan hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In dit geval is niet gebleken van dergelijke kosten. Verder zijn er geen andere kosten opgevoerd die voor vergoeding in aanmerking komen. Er is dan ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van verweerder.
4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb wel verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van A. Hiddouch, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Griffier Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.