ECLI:NL:RBDHA:2026:17792

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL26.32809
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 12 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Bulgarije

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.

Eiser betwist het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije vanwege vermeende systeemfouten en onmenselijke behandeling, onderbouwd met het AIDA-rapport van 2026. De rechtbank overweegt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak.

Ook is geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de asielaanvraag niet vrijwillig aan zich heeft getrokken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32809

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Eiser is geboren op [datum] 1996 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft op 11 maart 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Uit EU-Vis is gebleken dat eiser door Bulgarije in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 22 augustus 2025 tot 21 november 2025. Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening [2] heeft verweerder aan Bulgarije een verzoek om overname gedaan. Op 22 mei 2026 hebben de Bulgaarse autoriteiten het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Bulgarije vast staat.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser betwist dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat daar sprake is van systeemfouten die resulteren in een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest. [3] Eiser verwijst in dit kader naar het AIDA-rapport van mei 2026, waarin wordt toegelicht dat de omstandigheden in de nationale opvangcentra in Bulgarije sinds 2015 verslechteren. Dit duidt volgens eiser op een structureel probleem en een onverschillige houding van de Bulgaarse autoriteiten. Daarbij betwist eiser of hij in Bulgarije terecht komt in een opvangvoorziening, omdat voor niet-kwetsbare Dublinterugkeerders voedsel en accommodatie afhankelijk is van beperkte opvangcapaciteit. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom hij eisers asielaanvraag niet vrijwillig aan zich trekt op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder gaat slechts in op de vraag of sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure, of de overdracht in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest en overweegt dat Bulgarije partij is bij het EVRM [4] en eisers rechten daarom beschermt. Verweerder heeft de overige door eiser aangedragen omstandigheden en belangen echter niet in onderlinge samenhang betrokken. Dit leidt tot een motiveringsgebrek.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder mag in zijn algemeenheid ten aanzien van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Daarvan is sprake als aannemelijk wordt gemaakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo. [5]
5. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Bulgarije niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 juni 2024 [6] met betrekking tot de AIDA-rapporten over 2022 en 2023, voor zover die voor Dublinclaimanten van belang zijn, geoordeeld dat uit die rapporten niet blijkt dat verweerder ten aanzien van Bulgarije niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Ook ten aanzien van het AIDA-rapport van maart 2025 heeft de Afdeling op 26 mei 2025, [7] 6 oktober 2025 [8] en 17 november 2025 [9] geoordeeld dat deze geen wezenlijk ander beeld schetsen van de opvangsituatie voor Dublinterugkeerders dan uit de informatie uit eerdere AIDA-rapporten. Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport uit 2026 is weliswaar niet bij deze uitspraken van de Afdeling betrokken, maar de door eiser aangehaalde passages staan ook in de eerdere AIDA-rapporten en daaruit blijkt naar het oordeel van de Afdeling niet dat de situatie dusdanig ernstig is dat Dublinclaimanten bij terugkeer naar Bulgarije een reëel risico lopen om terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. De rechtbank overweegt verder ook dat door eiser niet is gesteld noch gebleken dat het AIDA-rapport uit 2026 wezenlijke verschillen vertoont met de eerdere AIDA-rapporten. Dit rapport geeft dan ook geen aanleiding om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te kunnen gaan. Daar komt bij dat Bulgarije het overnameverzoek heeft geaccepteerd en verweerder als gevolg hiervan ervan mag uitgaan dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. Indien eiser in Bulgarije tekortkomingen ervaart, ligt het op zijn weg hierover te klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Daarvoor is van belang dat verweerder bij toepassing van die bevoegdheid over beslisruimte beschikt, zodat de rechtbank alleen terughoudend kan toetsen of verweerder goed gemotiveerd heeft waarom van deze bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bijzondere situatie die leidt tot onevenredige hardheid. Verweerder heeft daarbij eisers verklaringen over zijn seksuele geaardheid en zijn vrees om door de Bulgaarse autoriteiten te worden teruggestuurd naar Turkije voldoende betrokken in zijn beoordeling. Daarbij heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser zich kan wenden tot de Bulgaarse autoriteiten voor hulp en bescherming. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit (voor hem) niet mogelijk is of geen zin heeft. Het enkele feit dat eiser in de zienswijze stelt dat de discriminatie en uitsluiting in Bulgarije dermate ernstig kan zijn dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zijn asielprocedure daar doorloopt of zich daar vestigt, is daartoe onvoldoende. Eiser heeft deze stelling niet nader onderbouwd.
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.