ECLI:NL:RVS:2025:4765

Raad van State

Datum uitspraak
6 oktober 2025
Publicatiedatum
6 oktober 2025
Zaaknummer
202504498/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na niet in behandeling nemen aanvraag

Appellant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 1 juli 2025 niet in behandeling werd genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het hoger beroep heeft appellant nadere schriftelijke inlichtingen verstrekt, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat bijzondere medische omstandigheden aanwezig zijn die toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen. Ook is niet onderbouwd dat het risico op suïcide bij overdracht aan Bulgarije reëel of hoog is, zoals vereist op basis van eerdere jurisprudentie.

De Afdeling bestuursrechtspraak verwijst naar eerdere uitspraken waarin deze rechtsvragen reeds zijn beantwoord en ziet geen reden om daarvan af te wijken. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202504498/1/V3.
Datum uitspraak: 6 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 31 juli 2025 in zaak nr. NL25.29072 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 31 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.G. Grigorjan, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Voor wat betreft de tweede grief heeft appellant ook met de in hoger beroep overgelegde informatie niet onderbouwd dat zich bijzondere medische omstandigheden voordoen die de minister aanleiding zouden moeten geven tot toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Hij heeft evenmin onderbouwd dat het risico op suïcide als gevolg van de overdracht aan Bulgarije door een medisch deskundige als reëel of hoog wordt ingeschat (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.1 en 2.2). Om die reden slaagt de grief niet.
1.1.    Het overige aangevoerd in hoger beroep gaat over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870, ov. 6.1 en recentelijk in uitspraak van 26 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2387). De grief biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2025
18-1137